thumb|Plattegrond Museumstraat en Rijksmuseumgebouw. thumb|Luchtfoto van het Rijksmuseum in 1921 noordwaarts gezien vanuit het Museumplein. Linksvoor de Druckeruitbouw, fragmentengebouw en bibliotheek. thumb|De bibliotheek van het Rijksmuseum Amsterdam; 2015. Het Rijksmuseumgebouw in Amsterdam uit 1885 huisvest het hoofdgedeelte van het Rijksmuseum Amsterdam. Het is speciaal voor dit doel ontworpen door de Nederlandse architect P.J.H. Cuypers. Het gebouw is eigendom van de Staat der Nederlanden en wordt beheerd door het Rijksvastgoedbedrijf.

Bouwgeschiedenis In 1862 werd door een aantal inwoners van Amsterdam een stichting gevormd om te komen tot de bouw van een 'Museum Koning Willem de Eerste'. Secretaris van de commissie werd Joseph Alberdingk Thijm. Opzet was een representatief onderkomen voor te bereiden voor het Nederlands cultureel erfgoed dat zich toentertijd nog in het te kleine en brandgevaarlijke Trippenhuis in Amsterdam bevond. Met de naamgeving wilden de initiatiefnemers eer doen aan de nagedachtenis van de persoon die zowel de stichting van het koninkrijk belichaamde, alsook de zorg van de Nederlandse kunst, met name omdat hij zich beijverd had om het eind achttiende eeuw door Frankrijk geroofde kunstbezit terug te krijgen. Daarnaast moest het gebouw een monument krijgen ter nagedachtenis aan de gebeurtenissen van 1813, toen Napoleon definitief verslagen werd, Willem via Scheveningen terugkeerde naar zijn vaderland en zichzelf uitriep tot soeverein der Nederlanden.

Er werd een prijsvraag uitgeschreven met in de jury onder meer de architecten Johan Metzelaar, A.N. Godefroy en W.N. Rose. Een plaats van vestiging was evenwel niet door de commissie bepaald. Uit 21 uitzendingen werd het ontwerp gekozen van vader en zoon Emil en Ludwig Lange uit München. P.J.H. Cuypers werd tweede. Deze had liefst vier ontwerpen ingediend; twee met een gotisch karakter en als alternatief had hij beide ook nog in renaissancestijl uitgewerkt. De eveneens Nederlandse architect L.H. Eberson kreeg een eervolle vermelding. De jury oordeelde dat geen van de inzendingen voldeed en jurylid Godefroy kreeg in 1864 de opdracht zelf een ontwerp te maken. Hij kon echter niet garanderen dat hij onder de voorgestelde aanneemsom van 500.000 gulden kon blijven en zijn medewerking werd opgezegd. Alberdingk Thijm was het daar niet mee eens en vertrok als secretaris. Een jaar later werd Eberson gevraagd, maar zijn ontwerpplan kwam uit op 700.000 gulden, dus ook dat werd verworpen.Hoogewoud, Guido; Kuyt JanJaap en Oxenaar, Aart (1985) P.J.H. Cuypers en Amsterdam. Gebouwen en Ontwerpen 1860-1898, p. 78-79

De plannen voor de bouw kwamen in een stroomversnelling toen op 4 december 1872 de Tweede Kamer geld toezegde en op 1 april het jaar daarop werd een nieuwe bouwcommissie ingesteld. De gemeente Amsterdam speelde daarop in en op 2 juli 1873 stelde de gemeenteraad 1,69 hectare gemeentelijke bouwgrond gratis beschikbaar, evenals een bedrag van 100.000 gulden. Als kers op de taart werd toegezegd om de gemeentelijke schilderijenverzameling aan het nieuw te bouwen museum in bruikleen af te staan.Hoogewoud, Guido; Kuyt JanJaap en Oxenaar, Aart (1985) P.J.H. Cuypers en Amsterdam. Gebouwen en Ontwerpen 1860-1898, p. 79

Voor een nieuwe prijsvraag werden vier architecten uitgenodigd. Dat waren Eberson, Cuypers, Hugo Pieter Vogel (die in 1865 een prijsvraag had gewonnen voor de bouw van een paleis voor de Staten-Generaal) en Cornelis Outshoorn, de architect van het Paleis voor Volksvlijt en het Amstelhotel, beide in Amsterdam. Outshoorn overleed al snel, maar er werd geen nieuwe, vierde architect aangezocht. Deze keer was het plan het museum te vernoemen naar koning Willem III. In het eisenpakket werd vastgelegd dat de vormgeving van het museum de bestemming moest uitdrukken van Nederlandse schilderijen uit vooral de zestiende en zeventiende eeuw. De gemeente Amsterdam verlangde dat het museumgebouw drie poortingangen zou krijgen. Uiteindelijk werd besloten er slechts één in de plannen te handhaven. Een andere eis was dat de bouw niet duurder mocht worden dan één miljoen gulden. Cuypers won met achttien tegen vijftien stemmen. Vogel werd tweede en Eberson kreeg geen enkele stem, omdat hij tegen de afspraken in geen onderdoorgang in het ontwerp had opgenomen. thumb|Ontwerp voor het Rijksmuseum van de Arnhemse architect L.H. Eberson; 1875.

De opdracht tot de bouw werd op 12 juli 1876 per koninklijk besluit verleend aan Cuypers. Met de bouw werd in januari 1877 begonnen. Het plan om het museum naar de toenmalige koning te vernoemen, had men toen al laten varen. De werkzaamheden voor het aanbrengen van de 8000 houten funderingspalen en de bijbehorende grondmetselwerken werden voor een bedrag van 197.500 gulden gegund aan het bedrijf van J. Schoonenburg en C.J. Maks uit Amsterdam. A. van Berkel uit Berlijn kreeg de opdracht om 8.400.000 bakstenen te leveren. Hij had ingetekend voor een bedrag van 187.225 gulden.

Ook deze keer had Cuypers meerdere ontwerpen ingediend. In zijn winnende ontwerp had Cuypers het gebouw een nationaal karakter gegeven of zoals hij dat in zijn eigen woorden schreef: "Nederlandse bouwvormen eigen aan eind XVIe en begin XVIIe eeuw (...) in overeenstemming met de kunstschatten die het moet bevatten." Van een ander ontwerp had hij alleen de omtrek getekend, waardoor er veel uitbreidingsmogelijkheden waren. De uitwerking ervan zou echter veel te duur worden. In zijn derde en laatste ontwerp, dat hij 'Fragment uit het begin van de XVIe eeuw' noemde, had hij een gevel getekend zonder pilasters, met geprofileerde bogen boven de vensters en met sgrafittodecoratie. Dit plan had zijn voorkeur. Voor dit ontwerp had hij ook de steun van Victor de Stuers, die hem op een kladje tips gaf om de minister van Binnenlandse Zaken te overtuigen.Leeuwen, A.J.C. van (2007) Pierre Cuypers. architect 1827-1921, p. 252. Voor De Stuers rol uitvoerig: Thomas H. von der Dunk, 'Jhr. Victor de Stuers en het Rijksmuseum. De controverse inzake de zege van Cuypers bij de prijsvraag van 1875 nader bezien', in: Bulletin van het Rijksmuseum, 42 (1994), p. 37-76.

De redenen werden uiteindelijk door Cuypers als volgt omschreven:

De minister hapte toe. Veel zou het financieel niet uitmaken. De totale kosten kwamen ruim boven de begroting uit. Uiteindelijk kostte het hoofdgebouw 2,7 miljoen gulden.Montijn, Ileen (2007) Pierre Cuypers 1827-1921. Schoonheid en Hartstocht, p. 70

Het bleef niet bij een wijziging van de stijl. Zo moest het soubassement verhoogd worden vanwege de hoogte van de bruggen aan de Singelgracht. Ook werd een deel van het gebouw ingericht voor de huisvesting van de Rijksschool voor Kunstnijverheid en de Rijksnormaalschool voor Tekenonderwijzers. De binnenplaatsen werden overdekt en er werd een bibliotheek (de Cuypersbibliotheek) aan de plannen toegevoegd.Hoogewoud, Guido; Kuyt JanJaap en Oxenaar, Aart (1985) P.J.H. Cuypers en Amsterdam. Gebouwen en Ontwerpen 1860-1898, p. 80

Op 13 juli 1885 werd het museum officieel geopend, doch de werkzaamheden aan de buitenkant van het hoofdgebouw waren toen nog niet voltooid. Bij de oplevering was de grootste lengte 135,54 meter, de grootste breedte 33,64 meter en de hoogste torens hadden een lengte van 52,90 meter.Hoogewoud, Guido; Kuyt JanJaap en Oxenaar, Aart (1985) P.J.H. Cuypers en Amsterdam. Gebouwen en Ontwerpen 1860-1898, p. 78

Vorm en indeling Het hoofdgebouw heeft de vorm van een rechthoek met een middenvleugel, die aan beide uiteinden begrensd wordt door twee torens. De middenvleugel wordt in de lengte doorkruist door een brede onderdoorgang. Verder bevinden zich aan beide zijden van de middenvleugel twee door drie vleugels omgeven binnenplaatsen met een bedekking van glas en gietijzer.

Vanwege de aanwezigheid van een passage in het midden was er geen monumentale ontvangsthal. Daarvoor in de plaats creëerde Cuypers een entréehal op de eerste verdieping, te bereiken via trappenhuizen in de belendende torens. Voor de opzet van deze voorhal was Alberdingk Thijm verantwoordelijk.Leeuwen, A.J.C. van (2007) Pierre Cuypers, architect 1827-1921, p. 253

Het gebouw bestaat uit een souterrain, eerste verdieping en een tweede verdieping die over het gehele achtvormige gebouw doorlopen. De eerste verdieping is in een westelijke en oostelijk deel gesplitst door de passage. In de acht torens bevinden zich extra verdiepingen. De toren links van de hoofdingang is voorzien van een carillon. Onder de binnenplaatsen bevinden zich sinds 2013 ondergronds een auditorium, keuken en verbindingen met depotruimten. Het dak bestaat voor een groot deel uit glazen constructies om destijds een goede belichting mogelijk te maken met bovenlicht.

Stijl Het Rijksmuseum is een eclectisch gebouw. Cuypers kiest voor een vermenging van gotische met renaissancistische elementen. Het museum wordt grotendeels in baksteen uitgevoerd, hét bouwmateriaal van de Nederlanden. Het gebouw is bewust geen replica van een Hollands gebouw uit de zeventiende eeuw. Om het Rijksmuseum tot een gebouw te maken dat symbool staat voor heel Nederland kiest Cuypers voor een stijl waarin elementen uit de hele Nederlandse architectuurgeschiedenis samenkomen. Het plafond van het rijksmuseum is heel hoog, waardoor dit de indruk wekt dat de ruimtes nog veel groter zijn. Het is binnen in het gebouw ook zeer licht, dit is oorspronkelijk gemaakt om de details van de kunstwerken beter te kunnen zien.

Ornamenten en decoratie Aan de buitenkant bestaat het museumgebouw uit baksteen en het soubasement bevat uit België afkomstige grote blokken granite de Ourthe. De uitwendige beeldhouwwerken in de boogtrommels, evenals de vensterharnassen, zijn gemaakt van kalk- en zandsteen.

De ornamenten en decoraties werden allemaal ontworpen door Cuypers. Voor de uitwerking was een wedstrijd uitgeschreven. Winnaars waren Bart van Hove en Jean François Vermeylen voor de beelden, Georg Sturm voor de wandschilderingen en de tegeltableaus en William F. Dixon voor de gebrandschilderde glas-in-loodramen.

Ornamenten Op de topgevel prijken de beelden Arbeid en Bezieling van Van Hove. Helemaal bovenin staat het beeld van de Romeinse godin Victoria van de hand van Vermeylen. Het werd gegoten door de Compagnie des Bronzes uit Brussel.

De topgevel, net als de twee belendende torens, bevatten friezen met de wapens van volgens Cuypers de meest kunstzinnige steden van het land en gedragen door herauten. Op de topgevel zelf zijn dat de wapens van Amsterdam, Haarlem, Leiden, 's-Gravenhage, Delft, Dordrecht, Rotterdam en Gouda. De toren in het westen, ook de vlaggentoren genoemd, bevat de wapens van steden uit het graafschap Zutphen en die uit het hertogdom Gelre: Nijmegen, Zutphen, Roermond en Arnhem en aan de westzijde die van Hoorn, Alkmaar, Middelburg en Zierikzee. Op de oostelijke toren, ook klokkentoren genoemd, staan de wapens van het Sticht en Oversticht: Groningen, Kampen, Zwolle, Deventer en Utrecht. De oostkant van deze toren bevat de wapens van 's-Hertogenbosch, Breda, Leeuwarden en Bolsward.Hoogewoud, Guido; Kuyt JanJaap en Oxenaar, Aart (1985) P.J.H. Cuypers en Amsterdam. Gebouwen en Ontwerpen 1860-1898, p. 82-83

Tegeltableaus Tegeltableaus aan de buitenkant van het museum met tegeltekstenthumb|150x150px|Laat-Romeinse beschaving. Stichting van de basiliek van St. Servaas door Monulphus omstreeks 570thumb|150x150px|Frankische beschaving. Stichting van het paleis te Nijmegen door Karel den Groote omstreeks 800thumb|150x150px|Herleving van beschaving en kunst. Bisschop Bernulphus begraven in de door hem gestichte Sint Pieterskerk te Utrecht MLIIIIthumb|150x150px|Jan van Eyck als Peintre et varlet de Chambre van Jan van Beijeren (Jean sans Piete) werkzaam op het Hof te s' Gravenhage tusschen 1422-1424thumb|150x150px|Het zijn al vorsten steden en prelaten Die Gouda's kerk met glazen sieren laten 1555-1603thumb|150x150px|Utrecht. Albrecht Dürer in het jaar 1520 te 's Hertogenbosch door het Gild der Goudsmeden onthaald

Passage