Nieuwolda, vroeger Midwolderhamrik (Gronings: Nijwol, Nijwolle, 't Hammerk of 't Golden Hammerk) is een dorp in de gemeente en landstreek Oldambt in de provincie Groningen.

Nieuwolda was van 1808 tot 1990 een zelfstandige gemeente en werd toen samengevoegd met de gemeenten Scheemda en Midwolda. De hieruit gevormde gemeente Scheemda ging in 2010 op in de gemeente Oldambt.

Het dorp Nieuwolda telt volgens gegevens van het CBS inwoners ().

Topografie Onder Nieuwolda vallen de buurtschappen Nieuwolda-Oost, Oostwolderhamrik en Binnen Ae (gedeeltelijk), alsmede de voormalige buurtschappen De Dellen, Westeind, Kopaf, Scheve Klap (gedeelteljk), De Kamp, Oude Dijk, Polderdwarsweg en Munnekeveen. Het polderland rond Nieuwolda wordt aangeduid met namen als De Dellen of Westersche Leegte, Weerdijk, De Leegte, Blinken, Nonnegaatsterpolder, Zomerdijk, Oud Nieuwland, De Hoogte en Nieuwland. Historische boerderijnamen zijn onder andere Abel Derk Heerdt, De Blinke, De Bree, Dijkvliet, Hoog Heem, Meyvaert, De Olde Stoeve, Ol-diek en Riemen Rienkesheerd, nieuwere namen zijn 't Börgje, Charleston, De Doelen, Dollardprinses, Hitjes Heerd en Palmar-plaats.

Geschiedenis Nieuwolda ligt aan de rand van de Dollardpolders en is in de 16e eeuw ontstaan op een inversierug, gevormd door de oeverwallen van de vroegere rivier Munter Ae en zijn zijstromen. De oorspronkelijke naam van het dorp was Midwolderhamrik, dat betekent weidegronden (hamrikken) in het buitengebied van Midwolda. Vandaar de Groninger naam 't Hammerk, zoals het dorp bij de lokale bevolking nog steeds bekendstaat. In de loop der eeuwen werd steeds meer land op de Dollard teruggewonnen. Op dat nieuwe land was het goed boeren. Nieuwolda staat daarom al sinds het begin van de 19e eeuw bekend als 't Golden Hamrik, vooral vanwege het bloeiende koolzaad dat veel geld in het laatje bracht.Aldus Schoolmeestersrapport 1828: Nieuw-Beerta.

Wonen op de kwelders Over de middeleeuwse bewoning rond Nieuwolda is weinig bekend. Het gebied moet vanaf de tiende of elfde eeuw vanaf de oevers van de rivier de Ae zijn ontgonnen. Het was een hoogveengebied, wat ook blijkt uit de streeknaam Menterwolde en het toponiem Corenswold (ten noordoosten van Oostwolderhamrik). Wold is een oude benaming voor wildernis en moerasbos. De opstrekkende verkaveling wekt de indruk dat het gebied grootschalig en systematisch in cultuur werd gebracht. Rond de Heemweg, in Nieuwolda-Oost en in Oostwolderhamrik is de verkaveling kleinschaliger. Hier lagen ten minste zeven kleine wierden, waaronder de Brorsbult (genoemd in 1599) bij het streekje Corenswold. Mogelijk bevond zich in deze omgeving ook de oudste kerk van Midwolda.

Door bodemdaling werd het lastiger hier landbouw te bedrijven. De bewoners vertrokken naar het zuiden, waar het veen nog onaangetast was. Daar ontstonden rond 1200 de nieuwe dorpen Midwolda en Oostwold, die hun hooilanden en zomerweiden in de hamrikken ten noorden van de rivier hadden. Het klooster Menterwolde of Campus Sylvae werd rond 1300 naar het Grijzemonnikenklooster bij Termunten verplaatst, nadat de Grijzevrouwen al eerder naar Midwolda waren verhuisd. De afzonderlijke boerderijen werden uiteindelijk soms kilometers lang met landerijen die zich uitstrekten vanaf het laagland ten noorden van Nieuwolda tot het hoogveen bij Heiligerlee.

Toch is de lage streek rond Nieuwolda vermoedelijk ook na de inbraak van de Dollard rond 1470 nooit geheel overlaten geweest. De verhoogde erven van boerderijen op de rivieroever boden voldoende beschutting tegen stormvloeden. Dat geldt ook voor het terrein van het voormalige klooster Menterwolde dat bekend stond als De Olde Stoeve ('de oude plek'). Grote delen van dit gebied werden eigendom van het Grijzemonnikenklooster te Termunten en het Grijzevrouwenklooster in Midwolda, die een deel van de verlaten landerijen overnamen. Een vermoedelijke inbraakgeul stond rond 1600 bekend als het Nonnegat.

Tot het einde van de 16e eeuw hadden de meeste boerderijen in Scheemda, Midwolda en Oostwold nog altijd hooilanden (meeden, uuthmeeden en weerlanden) aan de overzijde van de Dollard. Met platboomde schuiten werd dit hooi naar de boerderijen gebracht. Oudere toponiemen die nog aan de tijd van de Dollardinbraak herinnerden, waren Woltlaene, Heijmlaane, Uthende wech en Wynlant (1606: up de Whende). Waar die landschapselementen precies gelegen hebben is onzeker. De voormalige Buitenweg of Griedelaan in Nieuwolda-Oost (eerder Gredtlaene) wordt al genoemd in 1556; hij maakte vermoedelijk deel uit van een oude route vanuit het Oldambt naar het noorden. die via De Heemen aansloot op de Zomerdijk. Bij De Knuif lag in de 17e eeuw een houten brug (de zogenaamde Raadsherentil) over het Termunterzijldiep. Een van de eerste bedijkingen was de polder Weerdijk bij Wagenborgen.

Dijken Midwolder ende Oestwolder hammeryck worden voor het eerst genoemd in 1542, samen met Wagenborger en Schemder hammerick. Omstreeks die tijd werd een nieuwe kadedijk aangelegd ter beteugeling van de Dollardvloeden. Ieder dorp moest een zijldiep of korte sloet aanleggen ten behoeve van de ontwatering. De dijk van 1542 volgde de verhoogde oeverwal van de Munter Ae – een zogenaamde inversierug– tussen Woldendorp en 't Waar. Het dorp is langs deze dijk ontstaan; enkele boerderijen stonden in de lengte tegen de dijk. Omstreeks 1573, enkele jaren na de Allerheiligenvloed werd deze waterkering uitgebouwd tot een echte zeedijk. De kroniekschrijver Johan Rengers van Ten Post noemt het gebied rond 1582 een vledder [moeras] in de uterdycken achter Wagenborgen in den Dullert gelegen, dat na de Allerheiligenvloed van 1570 door de Oldambtsters succesvol herbedijkt is.Op een kaartblad in de wereldatlas van Christiaan sGroten uit 1592 staat ter hoogte van Nieuwolda een nederzetting [S]waecht ingetekend, maar dat betreft een verwisseling met Zwaag bij Woldendorp dat op andere kaarten als Swaech(t) of Waecht wordt vermeld.   Al snel moet er een dorpje zijn ontstaan.

Door oorlogshandelingen raakte deze dijk omstreeks 1589 in ongerede. Bij de Nijezijl te Oostwolderhamrik, de Zwaagsterzijl bij Woldendorp en bij de Overtocht werden in 1584 schansen gebouwd, die door Spaansgezinde troepen werden bezet. De Nijezijl voerde het water van het Hondshalstermaar via het Oosterhamrikkermaar naar zee.Het Olde Zijldiep staat afgebeeld op een kaart uit de 17e eeuw. Nationaal Archief, Hingman cat. nr. 3083: Kaart van landen en venen aan de Dollard, door Cornelius Edzkens, ca. 1638. Deze sluis stond vermoedelijk tevens bekend als Waghenborgerzijl, als zodanig genoemd in 1580.Johannes Potter van Loon, Berigten nopens Doede van Amsweer, Groningen 1842, p. 9. In 1584 is tevens sprake van een zijl in Midwolderhamrick, in 1585 van een zijl te Schemderhamrick.Diarium Egbert Alting, p. 572, 616, 653,

Na de Reductie van 1594 werden de dijken weer hersteld. In 1626, 1666 en 1701 volgden nieuwe inpolderingen. Om de werkzaamheden aan kanalen en dijken te kunnen financieren gaven de kerspelen Midwolda en Nieuwolda in 1671 een lijfrentebrief ter waarde van 36.000 gulden uit. Het rentebedrag van 6% werd jaarlijks onder 33 inleggers verdeeld. Dat ging door totdat de laatste begunstigde in 1754 stierf.H. Hesse, 'Een lijfrentebrief in 1671 uitgegeven door Midwolda en Nieuwolda', in: Groningse Volksalmanak (1931), p. 105-117. Voor de afwatering van de nieuwe polders maakte men aanvankelijk gebruik van de Oude Geut, die uitwaterde door de Oude Swaagzijl, genoemd naar de buurt Scheemderzwaag, waar het zijltje oorspronkelijk lag.Theodorus Beckering karteert daarnaast omstreeks 1777 een 'oude uitwatering droog', die hij laat uitlopen op een doorbraakkolk in de dijk van 1665. Groninger Archieven, 2849, nr. 66: Kaart van de Dollardpolders, 1777. .

Nieuw dorp In het laatste kwart van de 16e eeuw ontstond er een echt dorp, met een eigen school (gebouwd in 1580), een korenmolen (bij het ZIjldiep), ambachtlieden en middenstanders. Dankzij de aanleg van het Termunterzijldiep in 1601 kreeg Nieuwolda bovendien goede verbindingen met de wijde omgeving. Ook het Hondshalstermaar was bevaarbaar.

Het dorp vormde een zelfstandig kerspel en was sinds 1648 een kerkelijke gemeente met een eigen predikant, voor wie een nieuwe pastorie bij de Kerkelaan werd gebouwd.Martin Hillenga, Reinder Reinders en Auke van der Woud (red.), De Atlas van Beckering, Zwolle 2016, kaart 72 (1777) en 74 (1756). De plannen voor zelfstandigheid betonden al langer, want vooral bij slecht weer was het lastig om de Viertorenkerk van Midwolda aan de overzijde van de Dollard te bereiken. Vooral ziekenbezoek en godsdienstlessen voor de jeugd ondervonden moeilijkheden. Pas na het verder opslibben van de kwelders kwam er een directe verbinding tussen beide dorpen langs de Kerkelaan (1659: Hilligenlaene).

De verkiezing van twee nieuwe predikanten voor Midwolda in 1647 verliep niet bepaald vlekkeloos. Het Groningse stadsbestuur had er ernstig bezwaar tegen dat de opstandige Oldambtster boeren de procedure naar hun eigen hand hadden gezet. Met de persoon van ds. Johannes Takens, die verantwoordelijk werd voor de toekomstige gemeente Midwolderhamrik, had men minder moeite.B. Koning et al, Tussen 't Zieldaip en 't Grootmoar, z.pl. 1985, p. 15. Als kerspelzegel koos men de afbeelding van een gewapende strijder die over de golven (of misschien over geploegd land) liep, met als wapenspreuk: Miles domini indefessus, 'de onvermoeide strijder des Heren'.Groninger Archieven, Zegels, zoekwoord Nieuwolda. Dit werd in 1931 het gemeentewapen van Nieuwolda, waarbij men de afbeelding echter uitlegde als een man die graankorrels zaait. De wapenspreuk werd in 1991 gebruikt voor het nieuwe wapen van de fusiegemeente Scheemda.

In 1657 probeerde Nieuwolda zich verder los te maken van Midwolda, met wie men nog steeds het bouwvallige kerkgebouw deelde. Omstreeks 1663 werd een plek aangewezen voor de bouw van een kerk en de aanleg van een begraafplaats. Daarna werden de stenen voor de beoogde kerkbouw aangeschaft, maar Midwolda maakte bezwaar vanwege de vele uitstaande schulden. Nadat de Viertorenkerk in 1667 grotendeels was ingestort, werden de diensten vermoedelijk (net als in Midwolda) in de dorpsschool gehouden.Een overlevering stelt dat de diensten (wel eens?) in het vooreind van de boerderij op Hoofdstraat 11 werden gehouden. Georgius, Honderd jaar, p. 129. Pas in 1704 kwam het na lange onderhandelingen tot een boedelscheiding tussen beide dorpen. In 1718 kwam in Nieuwolda eindelijk een nieuwe kerk tot stand, dankzij de royale erfenis die kruidenier Tijmen Harmens in 1669 had nagelaten.Georgius, Boerderijenboek, deel 2, p. 62-66. Naast de kerk stond een vrijstaande klokkenstoel, die in 1765 plaats maakte voor een aangebouwde toren.De Atlas van Beckeringh, Zwolle 2016, kaart 74 (1756). De pastorie werd in de tweede helft van de 18e eeuw vervangen door een nieuwe pastorie bij de brug (nu dorpshuis 't Hamrik).

De dorpskern komt in de tweede helft van de 17e eeuw ook voor onder de naam Troppelhuizen of Troppel(t)huysen, in de betekenis van 'een tros huizen'. De verdronken kwelders werden met Gods zegen weer ingedijkt, schreef de geleerde predikant J.I. Harkenroht in 1731, waarop "dan verscheidene Troppen van Huizen, geheele Hamriken, en Dorpen gebouwt worden". De Hoofdweg stond bekend als Aeweg of Olde Æ wegh, het voetpad op de oude dijk heette dijck pade. De buurtschap Nieuwolda-Oost (oorspronkelijk Oosteinde) ontstond vanaf de tweede helft van de 18e eeuw en stond bekend als De Kamp (mogelijk genoemd naar het klooster Campus Sylvae). Het dorp had in de 19e eeuw verschillende buurtgilden, waaronder Westeinde, Molenhorn, Oosteinde en Oostwolderhamrik.

Nieuwolda wordt door het Termunterzijldiep doorsneden. Hier werd in de 18e eeuw een klapbrug aangelegd.