Australopithecus africanus is een uitgestorven mensachtige uit het geslacht Australopithecus, die in 1925 werd benoemd door Raymond Arthur Dart (1893-1988).
Het eerste fossiel van Australopithecus africanus werd in 1924 gevonden in Zuid-Afrika. De soortnaam betekent "zuidelijke aap uit Afrika". De soort is de typesoort van het geslacht Australopithecus. De vondst bestond uit de schedel van een kind. Dart herkende het meteen als een tweevoetige voorloper van de mens. De meeste andere geleerden dachten dat het een nauwe verwant van de chimpansee was. Pas toen Robert Broom in de jaren dertig schedels van volwassen exemplaren uit de grotten van Sterkfontein beschreef, werd het belang voor de menselijke evolutie ingezien. Er zijn voornamelijk schedels, onderkaken en losse tanden van de soort bekend en maar weinig hele skeletten. Van de bouw is daarom nog veel onzeker. Fossielen die duidelijk van A. africanus zijn, werden alleen in Zuid-Afrika gevonden en zijn ruim twee miljoen jaar oud.
Volwassen mannen van A. africanus werden zo'n 140 centimeter lang. Vrouwen waren wat kleiner, ongeveer 125 centimeter. Het gewicht lag rond de dertig kilogram. De hersenen waren wat groter dan bij een chimpansee van hetzelfde gewicht, tot boven de vijfhonderd kubieke centimeter. De snuit stak niet zo sterk naar voren als bij een chimpansee en de hoektanden waren veel kleiner. Het tandglazuur van de kiezen was veel dikker, een stuk dikker zelfs dan bij de moderne mens. Australopithecus africanus liep rechtop maar zijn armen waren nog vrij lang. Misschien kon hij goed klimmen.
De verwantschappen van Australopithecus africanus zijn zeer omstreden. Sommige geleerden denken dat hij de directe voorouder van het geslacht Homo is, misschien via Australopithecus sediba. Andere wetenschappers zien hem, vanwege zijn dikke tandglazuur, als de voorloper van de robuuste australopitheken van het geslacht Paranthropus.
Australopithecus africanus leefde in een gebied met graslanden afgewisseld door bossen. Met zijn sterke kiezen kan hij op grassen, wortels, zaden en bladeren gekauwd hebben. Het is echter onduidelijk welke voedselbron het belangrijkst was. Zijn gebit was niet gespecialiseerd in het eten van fruit maar dat zal hij toch bij voorkeur gegeten hebben. Hij was vermoedelijk geen jager op groot wild. Er zijn geen werktuigen bij de fossielen gevonden maar die kunnen wel gemaakt zijn. Over het sociale gedrag bestaan slechts indirecte en vage aanwijzingen.
Ontdekking en naamgeving Dart ontdekt het Taung Child thumb|Raymond Arthur Dart in 1968 De Australiër Dart had medicijnen gestudeerd aan de universiteit van Sydney. Hij vertrok in 1923 naar Zuid-Afrika nadat hij het hoogleraarschap in de anatomie aan de Universiteit van Witwatersrand in Johannesburg had aanvaard. Eind 1924 vatte hij een zekere belangstelling op voor paleontologie toen Josephine Salmons, zijn enige vrouwelijke studente die hem bij dissecties tijdens colleges bijstond, een fossiele bavianenschedel, van Papio izodi, meenam om die aan studenten te tonen. Die had ze geleend van Patrick Izod, de zoon van E.G. Izod, de directeur van een kalksteengroeve, de Buxton Lime Quarry van de Northern Lime Company, die het fossiel als presse-papier gebruikte. In de enorme groeve doken bij het opblazen van het gesteente vaak zulke schedels op die als curiositeit verzameld werden door de springmeester M.G. de Bruyn. thumb|left|De schedel van het Taungkind Dart vroeg professor geologie Robert Burns Young hem meer fossielen te doen toekomen uit de kalkgroeve omdat hij wist dat die vlakbij met een opgraving bezig was. In de ochtend van zaterdag 28 november 1924 werden twee zware kratten bezorgd. Dart zag bij het openen van de tweede krat boven op de rest van de lading een afgietsel van een hersenpan. Wat dieper in de krat ontdekte hij een gezichtje waarvan de voorzijde nog vast zat in een breccie, een mengsel van steentjes, schelpen en dergelijke dat door een bindmiddel als kalk aan elkaar plakt en in dit geval verhard was door dolomiet. De bouw van het fossiel vervulde hem van grote opwinding omdat hij het onmiddellijk herkende als een unieke vondst. Zelf een expert in de anatomie van het menselijk brein, zag hij dat het natuurlijk afgietsel van de hersenen duidelijk menselijke trekken vertoonde. Nog steeds wordt het beschouwd als de meest belangwekkende ontdekking in de paleoantropologie van de twintigste eeuw.
Ook dit fossiel was, vermoedelijk in november 1924, ontdekt door De Bruyn wie het na een explosie opviel dat een kop in twee delen uiteenviel, de hersenen en het gezicht. Dat gezicht was zo menselijk dat hij het aanzag voor een versteende bosjesman. Meteen het belang van de vondst inziend, meldde hij die bij manager van de groeve A.E. Spiers die de schedel opborg in zijn kluis. Young overtuigde hem van het exemplaar afstand te doen ten bate van Dart.
Met een hamer, een beitel en enkele gescherpte breinaalden van zijn vrouw is Dart drieëntwintig dagen bezig geweest om de breccie te verwijderen. De schedel was verbonden met de onderkaken en omvatte naast het gezicht een natuurlijk afgietsel van het brein. In 1925 was Dart ervan overtuigd dat hij de "ontbrekende schakel" tussen aap en mens had gevonden. Opmerkelijk is dat Dart tot die conclusie kwam zonder vergelijkingsmateriaal, veel literatuurstudie of contact met collegae. Hij zond al veertig dagen na ontvangst van het specimen, op 6 januari 1925, een artikel over zijn vondst naar het gerenommeerde tijdschrift Nature, getiteld The Ape-Man of South Africa, waarin hij het fossiel Australopithecus africanus - de zuidelijke aap van Afrika - noemde.Raymond A. Dart, 1925, "Australopithecus africanus: The man-ape of South Africa", Nature 115: 195–199 De geslachtsnaam is een combinatie van het Latijn australis‚ "zuidelijk" en het Oudgrieks πίθηκος, pithèkos, "aap". De soortaanduiding betekent "afrikaans" in het Latijn. Indertijd kreeg Dart flinke kritiek dat hij een Latijns en Grieks woord samengevoegd had, wat gezien werd als een onbenullig barbarisme. Het artikel kwam op 30 januari 1925 bij Nature binnen en is ondanks staand beleid dat in het blad over een paleontologische vondst pas na vijf jaar mocht worden gepubliceerd al in het nummer van 7 februari afgedrukt.
Deze schedel kreeg de bijnaam Taung-kind omdat het een jong overleden exemplaar betrof dat was gevonden in de kalksteengroeve van Taung. Het had nog het melkgebit. Dart kwam tot de conclusie dat het om de missing link ging op basis van de kleine hoektanden, de hersenstructuur en het feit dat het schedelgat zich ver voorwaarts bevond, een teken dat de aapmens rechtop liep. De claim was zeer spectaculair: alle andere fossiele mensachtigen tot dan toe beschreven waren duidelijk zelf ook mensen maar deze vorm leek midden tussen een mens en een chimpansee te staan.
De Taungschedel is het holotype van Australopithecus africanus, specimen Taung-1. De geologische leeftijd van dit exemplaar is omstreden maar wordt meestal aangegeven als tweeënhalf miljoen jaar, het vroege Pleistoceen.McKee, J.K. 1993. "Faunal dating of the Taung hominid fossil deposit". Journal of Human Evolution 25(5): 363-376 In de jaren twintig was men zich van de hoge absolute ouderdom in het geheel niet bewust. Daarentegen schatte men de relatieve ouderdom weer veel te hoog in. Dart dacht dat de vondst stamde van de Oligoceen-Mioceen-grens, wat hij ruwweg als één miljoen jaar aangaf. Anderen plaatsten het op de grens van Mioceen-Plioceen en dachten dat die zo'n 450 000 jaar geleden plaatshad. Sinds het toepassen van Kalium-Argondatering eind jaren vijftig is het duidelijk geworden dat het Mioceen zo'n drieëntwintig miljoen jaar geleden begon, het Plioceen ruim vijf miljoen jaar geleden.
Kritiek thumb|Volgens Keith was de schedel van een babychimpansee... In eerste instantie werd Darts artikel enthousiast ontvangen. Zelfs generaal Jan Smuts, de premier van Zuid-Afrika, stuurde hem een felicitatie in diens hoedanigheid van voorzitter van de South African Association for the Advancement of Science. Maar niet iedereen was onder de indruk, met name de gevestigde wetenschappelijke orde in het Verenigd Koninkrijk wilde er niets van weten. left|thumb|...niet zo verschillend van het Taungkind Nature had geregeld dat al op 14 februari vier vooraanstaande Britse experts commentaar konden leveren op Darts artikel, hoewel ze het echte fossiel niet hadden kunnen onderzoeken. Pas in de zomer van 1925 kon in een vitrine een afgietsel worden bekeken op de British Empire Exhibition. Arthur Keith van het Royal College of Surgeons, hoewel de vroegere mentor van Dart, was een van de meest uitgesproken tegenstanders. Hij kon niet geloven dat het Taungkind de ontbrekende schakel was omdat het als een aap kleine hersenen had, al had het een menselijk gezicht, kaken en gebit. Dit was volgens hem de omgedraaide wereld. Keith was ervan overtuigd, mede onder invloed van de later een vervalsing gebleken Piltdown Man, dat grote hersenen zich al vrij vroeg in de evolutie van de mens hadden ontwikkeld. Keith, die het dier als een mensaap zag, en zijn volgelingen trokken ook Darts anatomische kennis en wetenschappelijke methodiek in twijfel. Hij zou te snel hebben gepubliceerd, de ouderdom en geologie van de vondst waren niet vastgelegd en uit een juveniel exemplaar zouden überhaupt niet zulke verstrekkende conclusies mogen worden getrokken omdat niemand wist hoe een volwassen exemplaar eruitzag. Daarbij was het voor de meeste evolutiebiologen vanzelfsprekend dat de mens zich in Europa of desnoods Azië had ontwikkeld, niet in een achtergebleven geïsoleerd gebied als Zuid-Afrika op het "donkere continent". Sommige onderzoekers wilden zelfs helemaal geen mensapen of apen in het algemeen als voorouder, een houding die William King Gregory, die positiever tegenover Dart stond, bespotte als een "pithecofobie".
De reacties in de publieke opinie waren ook niet mals. In de jaren twintig van de twintigste eeuw kwam het creationisme voor het eerst op als invloedrijke beweging en die zat niet te wachten op een schakel tussen mens en dier. Veel ingezonden brieven wensten hem een verblijf in de hel toe. Dart herstelde nooit helemaal van deze openbare vernedering. Hij zette het plan om een monografie over de schedel te publiceren van zich af nadat Keith in 1930 een uitgebreide weerlegging van zijn ideeën gepubliceerd had. Pas in 1931 nam hij het specimen mee naar een congres in Engeland en toen was er weinig belangstelling voor omdat de Pekingmens alle aandacht trok. Hij gaf het werken met fossielen tijdelijk op en kreeg een zenuwinzinking. Zijn geliefde kind liet hij in een doos op het bureau van een collega achter, verlaten en vergeten. Dart deed voorlopig geen moeite om meer fossielen van de soort te vinden.
Rehabilitatie: de vondsten bij Sterkfontein thumb|Het authentieke fossiel van Mrs. Ples Gelukkig voor Dart en het Taungkind geloofde iemand in hen beiden: de paleontoloog Robert Broom (1866–1951). Toen Broom van de vondst hoorde reisde hij meteen naar Wits Medical School, kwam onaangekondigd het laboratoriumlokaal binnen en ging op de knieën "ter aanbidding van onze voorouder". Hij kreeg toestemming rond 21 februari de schedel van het kind enige dagen te bestuderen, waarna hij op 19 april 1925 een artikel in Nature publiceerde met de strekking dat er geen twijfel kon bestaan dat de "schakel tussen de hoogste mensapen en de laagste mensentypen" ontdekt was. Broom had een enorme reeks publicaties op zijn naam staan en talloze basale Synapsida ontdekt, maar ook de reputatie opgebouwd van een berooide rokkenjager, die zijn magere inkomen aanvulde met het verkopen van fossielen die hij uit andermans collecties ontvreemd had. Zijn invloed was gering.