Het edelhert (Cervus elaphus) is een evenhoevig zoogdier uit de familie der hertachtigen. De wetenschappelijke naam van de soort werd in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. (1758). Systema naturae ed. 10: 67. Gearchiveerd op 7 juni 2023. Het edelhert komt voor in West-Europa, in Centraal-Europa, in Groot-Brittannië, op het Iberisch Schiereiland en in het zuiden van Scandinavië. In Europa is het edelhert het op een na grootste hert; alleen de eland (Alces alces) is groter.

Het edelhert komt in Nederland voor op de Veluwe, in de Oostvaardersplassen, in Natuurpark Lelystad, in het Weerterbos en in Het Groene WoudOp 6 maart 2017 werden hier edelherten uitgezet; zie Edelherten in Het Groene Woud; Brabants Landschap, 9 november 2017. Gearchiveerd op 22 oktober 2021. tussen Tilburg, Eindhoven en ’s-Hertogenbosch. In België zijn in het wild levende edelherten voornamelijk voorkomend in Wallonië en relatief zeldzaam in Vlaanderen. In Vlaanderen komen ze voor in de regio Voeren, op het Kempens Plateau en in het Belgisch-Nederlandse grenspark Kempen-Broek. In Wallonië is hun verspreiding algemeen in de Ardennen.

Uiterlijk In de zomer zijn de dieren roodbruin van kleur, in de winter grijsbruin. De buikzijde is wit en het staartstuk is roomkleurig. De rui begint eerst bij de kop, de poten en het voorlijf. In september begint de zomervacht plaats te maken voor de wintervacht, in december is deze volledig vervangen. De zomervacht komt weer terug in mei en is in juli of augustus compleet.

De gemiddelde lichaamsgrootte van een edelhertenpopulatie wordt beïnvloed door meerdere factoren. Edelherten uit bosgebieden zijn kleiner dan die uit meer open gebieden, en de lichaamsgrootte neemt toe van het westen naar het oosten. Ook zijn mannetjes groter dan vrouwtjes. De kop-romplengte ligt tussen de 165 en de 260 centimeter, de schouderhoogte tussen de 114 en de 140 centimeter. De staart is, zonder het haar meegerekend, tussen de twaalf en de vijftien centimeter lang, met haar ongeveer twintig centimeter. Mannetjes worden tot 255 kilogram zwaar, vrouwtjes tot 150 kilogram.

Gewei Enkel het mannetje draagt een gewei dat gemiddeld zo'n 70 centimeter lang is, maar kan uitgroeien tot meer dan 90 centimeter. Het gewicht kan variëren van vier tot tien kilogram. (2007). Gewei edelhert; Vereniging het edelhert. Gearchiveerd op 8 juni 2023. Aan het gewei kan men enigszins de leeftijd aflezen. Een jong edelhert heeft gewoonlijk een kleiner gewei met weinig vertakkingen, maar een hert in zijn laatste levensfase zal ook weer een kleiner gewei met minder takken krijgen. Een gezond dier heeft een forser en zwaarder gewei, maar niet per se meer enden dan een ziekelijk dier. Er is een duidelijk verband tussen de kwaliteit van het leefgebied en de grootte van de hertengeweien. In de zeventiende eeuw waren de geweien fors, en vanaf de Renaissance zijn in Duitsland geweien met 24 en meer enden geconserveerd; één daarvan weegt bijna 20 kilogram. (2003). De geweienverzameling van Schloss Moritzburg (D); Vereniging het edelhert]. Gearchiveerd op 8 juni 2023. Er bestaat zelfs een 66-ender, maar dit is een curiosum, waarmee iets mis is. Vanaf de 17e eeuw eisten bevolkingsdruk, jacht en aanplant van naaldbomen hun tol. Na eeuwenlange verschraling kregen de Veluwse edelherten na de Tweede Wereldoorlog weer forsere geweien. Door aanleg van loofbos en wildakkers en het bevorderen van ondergroei verbeterden toen hun leefomstandigheden weer.

Het gewei wordt elk jaar afgeworpen onder invloed van geslachtshormonen. Oudere herten doen dat gedurende de laatste wintermaanden, jonge dieren meestal in maart of april. Daarna begint meteen het nieuwe gewei te groeien dat gemiddeld in juli volgroeid is. In augustus begint de basthuid te jeuken en verwijderen de mannetjes die door het gewei langs takken en boomstammen te schuren. In de nazomer ziet de wandelaar dan ook vaak lappen huid aan de takken hangen. Informatie en terminologie over hertengeweien vindt u in het artikel Gewei.

Verspreiding en ondersoorten miniatuur|Een mannelijk Noors edelhert (Cervus elaphus atlanticus) Het edelhert komt ook voor in Noordwest-Afrika, specifiek in Algerije en Tunesië. Het gaat hier om de ondersoort Cervus elaphus barbarus. Doordat ondersoorten zich verplaatsten naar gebieden waar van nature andere ondersoorten voorkomen, is de genetische diversiteit van het edelhert sterk aangetast. Ook is er veel genetische vervuiling opgetreden door kruising van ondersoorten onderling en de verwante soorten wapiti (Cervus canadensis) en sikahert (Cervus nippon). Populaties van ondersoorten die zuiver zijn gebleven worden hieronder beschreven:

Zweeds edelhert – Cervus elaphus elaphus – Zuivere populaties komen alleen nog voor in Skåne in het zuiden van Zweden. In alle andere populaties van de nominaatondersoort die van nature voorkomt in Zuid-Scandinavië en Centraal-Europa is genetisch materiaal ingekruist van Oost-Europese edelherten en wapiti's. Noors edelhert – Cervus elaphus atlanticus , 1906 – Alle edelherten in Noorwegen zijn nog genetisch zuiver, met uitzondering van een geïsoleerde populatie op het eiland Otterøy. Schots edelhert – Cervus elaphus scoticus , 1906 – De enige genetisch zuivere Schotse edelherten komen voor in het gebergte in de regio Otago in Nieuw-Zeeland. Deze werden hier door Schotse kolonisten geïntroduceerd in 1871, met individuen uit het Invermark Forest, lang voordat er genetisch materiaal van andere ondersoorten werd ingekruist in de populatie in Schotland. Midden-Europees edelhert – Cervus elaphus hippelaphus , 1777 – De populatie in de Vogezen vertegenwoordigt de enige overgebleven genetisch zuivere Midden-Europese edelherten. Op de lange termijn kan contact met de gehybridiseerde populatie in Duitsland niet worden uitgesloten. Tot nu toe zijn er alleen dieren uit de Vogezen naar Duitsland getrokken en niet andersom. Iberisch edelhert – Cervus elaphus hispanicus , 1909 – Komt voor op het Iberisch Schiereiland. De populatie in het Nationaal Park Doñana is met zekerheid genetisch zuiver, maar er zijn naar alle waarschijnlijkheid nog meer zuivere populaties over.

Een populatie edelherten in het Italiaanse Natuurreservaat Gran Bosco della Mesola is naar alle waarschijnlijkheid de enige populatie edelherten in Italië die gevrijwaard is gebleven van hybridisatie. Onderzoek door Zachos et al. (2014) heeft uitgewezen dat de edelherten uit Mesola taxonomisch onderscheiden moeten worden als aparte ondersoort, onder de naam Cervus elaphus italicus. (2014). The unique Mesola red deer of Italy: taxonomic recognition (Cervus elaphus italicus nova ssp., Cervidae) would endorse conservation. Geraadpleegd op 10 december 2015.

De taxonomie van het geslacht Cervus is zeer complex. Volgens Groves & Grubb (2011) behoort de naam Cervus elaphus alleen toe aan de edelherten in West-Europa, Centraal-Europa, Zuid-Scandinavië, Groot-Brittannië, Italië en het Iberisch Schiereiland. Hierin worden de overige ondersoorten binnen de westelijke clade, in andere taxonomische systemen als ondersoorten beschouwd, gesplitst tot aparte soorten. (2011). Ungulate Taxonomy. Johns Hopkins University Press, Baltimore (Verenigde Staten). Als de taxonomische indeling wordt gebruikt waarbij alleen het edelhert en wapiti van elkaar gescheiden worden, naar voorbeeld van de IUCN, omvat het edelhert naast de bovengenoemde ondersoorten ook de volgende ondersoorten: Atlashert – Cervus elaphus barbarus , 1833 Corsicaans edelhert – Cervus elaphus corsicanus , 1777 Oost-Europees edelhert – Cervus elaphus pannoniensis , 1997 Kaukasushert – Cervus elaphus maral , 1850 Afghaans edelhert of Bocharahert – Cervus elaphus bactrianus , 1900 Jarkandhert – Cervus elaphus yarkandensis , 1892

Biotoop Edelherten zijn zeer tolerant ten aanzien van verschillende biotopen en komen in een grote diversiteit aan gebieden voor. Zowel drogere loofbossen en heidevelden, als zeer vochtige milieus als venen en moerassen worden bewoond. In hooglanden en in berggebieden begeven de dieren zich zomers tot boven de boomgrens. 's Winters leven ze meer in het dal. Het edelhert lijkt een voorkeur te hebben voor de randen van bosgebieden die grenzen aan de uiterwaarden van rivieren en beken. Daar geeft het bos bescherming, de uiterwaarden voedsel en de rivier water. In Europa is hun aantal groeiende, met grote populaties in onder andere Duitsland en Spanje.

Voedsel Edelherten eten plantaardig voedsel: het zijn herbivoren. Ze voeden zich met gras, zegge, bies, heide, boomschors, knollen, wortels, vruchten, zaden, knoppen, scheuten en loof van bomen en struiken zoals wilg, spar en hulst en landbouwgewassen. In bosrijke gebieden is het percentage schors, knoppen, zaden en scheuten groter dan in meer open gebieden. Grassen en kruiden vormen overal de hoofdmoot.

Leefwijze miniatuur|Een door een edelhert ontschorste boomstam Edelherten zijn de hele dag door actief, maar in gebieden met veel menselijke activiteit laten ze zich vooral vroeg in de ochtend en laat in de avond zien. 's Ochtends trekken ze meestal naar de graslanden om daar te kunnen grazen. In de Schotse Hooglanden klimmen ze 's ochtends naar hoger gelegen gebieden om daar te kunnen rusten en dalen ze 's avonds weer af om te grazen.

In de zomer en in de winter vormen de herten roedels. De vrouwelijke herten (hinden) en onvolwassen dieren van beide geslachten vormen aparte roedels. Hinderoedels worden meestal geleid door een dominant vrouwtje. De volwassen mannelijke dieren vormen afzonderlijke, van de hinden ruimtelijk gescheiden roedels, die vaak minder gestructureerd zijn en meer wisselende samenstellingen kunnen hebben. In de aanloop naar de paartijd (bronst) vallen de mannelijke roedels volledig uiteen en zoeken de mannetjes de roedels met hinden op. Minder sterke herten kunnen zich (nog) niet laten gelden ten opzichte van hun krachtiger en meer ervaren rivalen en leiden dan vaak een zwervend bestaan.

De bronsttijd valt voornamelijk in de tweede helft van september tot begin oktober. Soms komen er paringen in november voor, maar die zijn in Nederland vrij zeldzaam. In deze periode zijn de mannelijke edelherten zeer actief om zich voort te planten. Luid burlend houden ze concurrenten op de hoogte van hun aanwezigheid en hun motieven. Hoe sterker en gezonder het mannetje, hoe vaker hij zal burlen. De sterksten claimen een zo groot mogelijk roedel vrouwelijke dieren.

Na de bronst zijn de actiefste mannelijke dieren vaak uitgeput. Niet alleen vanwege de forse inspanningen, maar ook omdat ze gedurende deze periode, die een maand kan duren, nagenoeg geen voedsel tot zich nemen. Hun lichaamsgewicht kan dan wel met dertig procent zijn afgenomen. Wel drinken de dieren tijdens de bronst veel. De periode direct na de bronst is daardoor van nature een kwetsbare fase in het bestaan van een edelhert. In sommige natuurgebieden blijkt dat roofdieren als wolven (Canis lupus), en zelfs bruine beren (Ursus arctos), zich specialiseren in het doden van deze oververmoeide edelherten. De dieren hebben zich echter dan al kunnen voortplanten.

miniatuur|Een kalf