Kham is de historische naam voor het gebied ten zuidoosten van Centraal-Tibet met een bevolking van overwegend etnische Tibetanen.

Geografie Kham beslaat het noorden en midden van de Hengduan Shan, het gebergte aan de oostelijke rand van het Tibetaans Plateau. Het is een ruig en bergachtig gebied, waar de bergkammen en rivieren meestal van het noordwesten naar het zuidoosten lopen. Een van de weinige grotere steden in Kham is Chamdo in het noorden van Kham. Centraal in Kham ligt Batang (of Xiaqiong in het Chinees), net ten oosten van de Jinsha (de naam voor de bovenloop van de Chang Jiang of Yangtse). Andere grotere nederzettingen in het gebied zijn Derge en Ling. Jyekundo in het noorden ligt al in Amdo (Qinghai in het Chinees).

Een bijnaam voor Kham is Chushi Gangdruk, wat zoveel betekent als "vier rivieren, zes bergketens". De parallelle dalen van deze grote rivieren zijn dan ook heel typerend voor het gebied. Van west naar oost lopen de Salween, Mekong, Chang Jiang en Yalong (een zijrivier van de Chang Jiang) grotendeels parallel met elkaar. Tussen deze rivierdalen bevinden zich zeer hoge bergkammen. De berg Gongga Shan of Minya Konka in het noorden is met 7508 meter de hoogste berg van Kham. De Gongga ligt in het Daxue Shan, tussen de Yalong en Dadu, twee zijrivieren van de Chang Jiang.

In het zuiden zijn grote bossen en heerst een mild klimaat met veel regenval. In het zuiden van Kham stromen de Salween, Mekong en Chang Jiang op slechts tachtig kilometer van elkaar. Ten zuiden van Kham, in Yunnan, ligt het beschermd gebied van de drie parallelle rivieren in Yunnan.

De belangrijkste zijrivieren van de Yangtse, de Drichu en de Yalong Jiang, vormen de scheidslijn tussen het westelijke (huidige regio Tibet) en oostelijke (Sichuan) deel van Kham. Langs de loop van deze rivieren lagen en liggen ook de belangrijkste nederzettingen van Kham.

Het historisch gebied van Kham beslaat ongeveer 900.000 km², een gebied even groot als Frankrijk en Duitsland gezamenlijk. Het gebied bestaat uit 50 kleinere en grotere districten. Vijfentwintig van die districten liggen in de provincie Tibet (de zogenaamde Tibetaanse Autonome Regio), zestien in de provincie Sichuan, drie in Yunnan en zes in Qinghai. Ongeveer 2.000.000 van de in totaal circa 6.500.000 etnische Tibetanen, die in China wonen, leven in het historisch gebied van Kham.

Toponymie Het Tibetaanse woord khams heeft de betekenis van 'grens'. Kham ligt dan ook aan de grens van wat wel 'cultureel Groot-Tibet' wordt genoemd. Het grenst aan regio's die bewoond worden door andere etnische minderheden in China en Han-Chinezen. In de oude Tibetaanse geschriften, de manuscripten van Dunhuang, van de 7e tot de 11e eeuw wordt het woord Kham gebruikt om een gebied aan te duiden dat aan de periferie van het Tibetaans rijk van de Yarlung-dynastie ligt (blon khams, buitengebieden die bestuurd worden door een minister).

Het meeste gebruikte toponiem voor het gebied is "Dokham" (mdo khams), in de betekenis van 'samenvloeiing van rivieren aan de grens'. Andere termen beschrijven Kham bijvoorbeeld als het gebied van de 'vier rivieren en zes bergketens' of de 'vier grote valleien'. Ronis, Jann, (2011) " An overview of Kham (Eastern Tibet) Historical Polities" The Tibetan and Himalaya Library. Gearchiveerd op 6 februari 2017.

Etnische diversiteit Nomaden, pastorale nomaden, veehouders en boeren vormden de traditionele bevolking van Kham. Vanaf eind 17e eeuw nam het aantal monniken, dat afkomstig was uit Kham sterk toe en vanaf eind 19e eeuw is er een geringe opkomst van kooplieden te constateren. De bevolking van Kham heeft naast een meerderheid van etnische Tibetanen altijd bestaan andere etnische groepen, vooral in de zuidelijke en oostelijke gebieden van de regio. Het gaat dan om de Yi, Naxi, Tu. In het middengebied van Kham zijn er sinds eind 17e eeuw vestigingen geweest van Mongolen en Han-Chinezen.

Er worden in Kham een aantal dialecten gesproken, die in termen van uitspraak, syntaxis, vocabulaire en idioom aanzienlijk verschillen van het Tibetaans van Centraal-Tibet. Er is consensus onder onderzoekers, dat de taal van Kham meer archaïsche elementen bevat dan het gangbare Tibetaans. Ongeveer een derde deel van de inwoners van Kham spreekt een van de Qiang-Gyalrong-talen, dat sterk afwijkt van het Tibetaans. Kapstein, Matthew (2007) The Tibetans, pag. 6-8 Blackwell Publishing, Oxford,

Geschiedenis tot aan midden 19e eeuw thumb|350px|Centraal-Tibet (U-Tsang),Amdo en Kham Kham maakte met Amdo deel uit van het Tibetaanse rijk van de Yarlung-dynastie. De oudste tempel van het Tibetaans boeddhisme uit die periode in Kham is de Longthang Drölma Lhakhang. Na de val van de Yarlung-dynastie in de 9e eeuw was het Tibetaanse rijk gefragmenteerd en vormen van centraal gezag afwezig. Vormen van centraal gezag werden vanaf de 13e eeuw weer in Centraal-Tibet hersteld. In Kham bleef een vorm van werkelijk functionerend feitelijk centraal gezag tot in de 20e eeuw afwezig.

Kham was verdeeld in tientallen clangebieden en koninkrijken die elkaar in steeds wisselende coalities bevochten. In de periode van de 13e eeuw tot aan de 15e eeuw worden twee gebieden in Kham meer dominant. Dat zijn de koninkrijken Lingtsang en Gojo. De politieke leiders van deze gebieden waren Sakyamonniken. De stichter van Gojo was de monnik Töntsul, een neef van Sakya Pandita. In 1274 vroeg Phagspa aan Koeblai Khan de status van Töntsul in Kham te verhogen. Töntsul werd benoemd tot gouverneur-generaal van Kham onder mandaat van de Yuandynastie. Na het eind van de heerschappij van de Sakya-traditie in geheel Tibet rond 1350 bleef de traditie in Kham nog lange tijd dominant.

Gedurende de Mingdynastie hadden de keizers enige medewerking van de lokale leiders in Kham nodig voor een veilige route naar Centraal-Tibet te hebben voor diplomatieke missies en handelscontacten. Huber, Toni, (2007) Nomads of eastern Tibet: pag 17-31BRILL,

In 1720 verdreef een Chinees leger de Mongoolse clan van de Dzjoengaren uit Lhasa en wist de zevende dalai lama Kälsang Gyatso geïnstalleerd te krijgen. Dat is de aanvang van de periode van het Chinese protectoraat over Tibet. In 1724 wordt het oostelijk deel van Kham - ongeveer 2/3 deel van het gehele gebied - politiek en administratief onderdeel gemaakt van de provincie Sichuan. Het westelijk deel van Kham - ongeveer 1/3 deel van het gebied - wordt onderdeel van Centraal-Tibet en wordt verondersteld bestuurd te worden vanuit Lhasa. De bovenloop van de Yangtse Kiang in het noorden en de Drichu in het zuiden vormen globaal de grens tussen de beide delen van Kham.

In Centraal-Tibet werden Chinese ambans benoemd die namens de keizer met de dalai lama's en regenten in Tibet het gebied geacht werden te besturen. De ambans hadden ook een zekere troepenmacht van daar gelegerde Chinese soldaten tot hun beschikking. Autoriteit van de Qing-dynastie in het oostelijk deel van Kham was volledig afhankelijk van een netwerk van lokale krijgsheren (In het Chinees tusi). Zolang deze tusi formeel een zekere loyaliteit toonden aan de keizer en vooral de bevolking verhinderden directe belangen van de Qing aan te vallen, konden zij vrijwel ongehinderd hun eigen gang gaan. Vooral in gebieden waar nomaden de dominante leefstijl vormden waren staatsstructuren vaak maar nominaal aanwezig. Het weidegebied van de nomaden werd wel beschouwd als behorend tot landgoederen in eigendom van lokale adel of kloosters, maar een eventuele afdracht van opbrengsten aan hen werd meer opgevat als een traditionele donatie of vorm van tribuut en zelden als verschuldigde belasting. De Chinezen hadden ook nauwelijks mogelijkheden de permanente vetes tussen de diverse stammen en het endemische banditisme in Kham ook maar enigszins te beperken.Kapstein, pag, 163

De culturele bloei in Kham in de 19e eeuw Vanaf eind 18e eeuw is er in de Tibetaanse geschiedenis een breuk in het culturele klimaat te dateren. Tot aan die periode was ook Centraal-Tibet – ondanks de moeilijk bereikbare geografische ligging – een cultureel open land, waar buitenlanders welkom waren en buitenlandse invloeden konden doordringen. Vanaf eind 18e eeuw neemt de macht van de adel in historisch Tibet als stand af, neemt het theocratisch element in de samenleving toe, worden er steeds meer monniken als functionaris in Tibet benoemd, ontstaan er xenofobe neigingen en begint het - ook door de Mantsjoes van harte ondersteunde - isolement van Tibet. Het gevolg is een verstarring van verhoudingen in samenleving van Centraal-Tibet, een verdere beperking van de toch al niet grote sociale mobiliteit en een toenemende overheersende rol van uiterst conservatieve krachten.

In deze periode vindt verder een verschuiving plaats van de culturele vitaliteit vanuit Centraal-Tibet naar Kham. De burgeroorlogen van de 17e en 18e eeuw, de politieke instabiliteit en de maatregelen die noodzakelijk werden geacht de verworven machtspositie van degelug te verankeren, hadden in Centraal -Tibet voor een ander cultureel klimaat gezorgd. Dat kenmerkte zich onder meer door aanzienlijk minder tolerantie van de gelug ten opzichte van andere geestelijke tradities van het Tibetaans boeddhisme en het ontstaan van een invloedrijke sektarische factie binnen die gelug.

Het gevolg daarvan was, dat tradities, zoals met name de kagyü nieuwe ruimte probeerden te vinden in Kham. De in de burgeroorlog van de 17e eeuw verslagen kagyü traditie wist in Kham het klooster Palpung te stichten. Het klooster werd spoedig een van de grootste centra voor innovaties van wetenschap en kunst van het Tibetaans boeddhisme. Het klooster lag in het onafhankelijke Tibetaanse koninkrijk Dergé in het oostelijk deel van Kham. Uit die relatie groeide in samenwerking met de sakyatraditie de grootste drukkerij die het historisch cultureel Tibet ooit gekend heeft met beroemde blokdrukken van de kangyur, de canon van het Tibetaans boeddhisme. De in het klooster Palpung aanwezige schilderstradities hadden tot in de twintigste eeuw een dominante invloed op de Tibetaanse schilderkunst. Het was in gebieden als Derge dat het niet sektarische ideaal van het Tibetaans boeddhisme uit de 13e en 14e eeuw nog bewaard bleef. Schaik, Sam van (2011) Tibet, a history pag. 155-165, Yale University Press,

Later in de 19e eeuw zouden het de twee belangrijkste tulkus van Kham zijn, Jamgon Kongtrül Lodrö Thaye en Jamyang Khyentse Wangpo, die de rimé-beweging zouden stichten, die een dialoog tussen de tradities probeert te bevorderen. Jamgön Kongtrul Lodrö Thayé "The autobiography of JAMGÖN KONGTRUL" Snow Lion Publications

De oorlogen in Kham vanaf midden 19e eeuw In de tweede helft van de 19e eeuw is de invloed van de Qing-dynastie in Centraal-Tibet sterk verminderd, maar ook in Kham erodeert het laatste deel van het gezag dat de Chinezen daar nog bezaten. In Kham escaleren de conflicten tussen diverse Tibetaanse krijgsheren.

De oorlog in Kham van 1860-1864 Rond 1850 begint een Khampa-krijgsheer van de stam van de Nyarong, Gonpo Namgyal,omringende gebieden te veroveren. In 1860 stond hij met zijn troepen aan de grens van Derge, dat in 1863 veroverd wordt. China is verwikkeld in de Taiping-opstand en de Qing-dynastie heeft geen mogelijkheden meer militair in Kham in actie te komen. De toenmalige regent in Tibet Wangchug Gyalpo besluit echter een Tibetaanse troepenmacht vanuit Centraal-Tibet naar Kham te zenden.Uiteindelijk geeft Gonpo Namgyal zich over.