Ngawang Lobsang Gyatso, (Chonggye (Taktsé), 1617 - Lhasa, 1682) was de vijfde dalai lama en de eerste van de in totaal twee dalai lama's die reële politieke en bestuurlijke macht over Tibet heeft kunnen uitoefenen. (De tweede dalai lama met reële politieke en bestuurlijke macht was de dertiende in de lijn van de successie,Thubten Gyatso (1876-1933.) De vijfde dalai lama heeft een enorme invloed gehad op de cultuurhistorische ontwikkeling van het Tibetaans boeddhisme alsmede op de bestuurlijke organisatie van Tibet. Hij wordt door Tibetanen daarom wel De Grote Vijfde [dalai lama] genoemd.

Jeugdjaren Ngawang Lobsang Gyatso werd geboren in een familie van welgestelde aristocraten, de Zahor, die leefden in een oud kasteel nabij Taktsé, vlak bij de graftomben van de koningen van de Yarlung-dynastie. De familie had sterke verbindingen met de nyingmatraditie. Zijn vader was Dudel Rabtan. Zijn moeder was Kunga Lhadse. Zij had in haar jeugd een relatie gehad met Taranatha (1575 -1634), die later de belangrijkste tulku van de jonangtraditie zou worden. Het kan een reden geweest zijn dat deze dalai lama in latere geschriften zeer hard en buitengewoon negatief over Taranatha schreef. In 1618 werd Dudel Rabtan gearresteerd onder verdenking van een complot tegen de toen dominante Tsang-dynastie. Dudel Rabten wist te ontsnappen, maar werd opnieuw gearresteerd en zag zijn zoon nooit meer. In deze jaren was er al door meerdere Tibetaanse tradities een claim gelegd op de jongen als reïncarnatie van een van hun tulkus.

Historische context: burgeroorlog In de periode van Ngawang Lobsang Gyatso's vroege jeugd was de nieuwe koning van Tsang, Püntsog Namgyal, de dominante machtsfactor in Tibet. De koning had het grootste deel van Tibet, voor het eerst sinds de alliantie in de 13e en 14e eeuw van de sakya-traditie en het Mongoolse Rijk, weer verenigd. De koning was een loyaal volgeling van de karma kagyü-traditie, maar ook de jonang-, sakya- en nyingma-traditie mochten op zijn gunsten rekenen. Om historische redenen was Püntsog Namgyal een tegenstander van de gelug-traditie.

Na de dood van de vierde dalai lama had de koning van Tsang de gelug verboden mee te doen aan de opvolging. Op den duur werd de twist tussen de karma kagyü en de jonang met betrekking tot de opvolgingskandidatuur van Ngawang Lobsang Gyatso echter zo intens, dat de koning van Tsang de oplossing van het conflict zocht in de opheffing van het verbod. Daar waren op dat moment inmiddels meerdere kandidaten voor, onder wie Dragpa Gyaltsen, maar uiteindelijk kreeg Ngawang Lobsang Gyatso de voorkeur. De verwachting was op dat moment dat Ngawang Lobsang Gyatso een tulku van aanzienlijk aanzien zou kunnen worden,maar gezien de positie van de gelug in die periode zeker niet de belangrijkste in Tibet.

Er waren echter velen in de gelug die nog niet tevreden waren met de positie van hun traditie. Hun streven naar een meer dominante positie voor de gelug en de tegenstand daartegen van andere tradities leidden tot een burgeroorlog. Daarbij stond de gelug, met name in het oosten van Tibet, een aantal malen op de rand van vrijwel totale eliminatie. Om aan dat lot te ontsnappen werd dan ook een beroep gedaan op de historische alliantie tussen de gelug en een aantal stammen van de westelijke Mongolen, die dateerde uit de tijd van de derde dalai lama Sönam Gyatso en Altan Khan. Sönam Chöpel, de eerste van de regenten in Tibet,vroeg Güshri Khan, leider van de Oirat-Mongolen om militaire hulp.

Onder het voorwendsel het boeddhisme te verdedigen viel Güshri Khan in 1641 met zijn troepen Centraal-Tibet binnen. Er volgde een harde en lange strijd met de nieuwe koning van Tsang die zich in Shigatse het jaar daarop moest overgeven. Daarna werd de grootste vestiging van het hoofd van de karma kagyü-traditie, de tiende karmapa, Chöying Dorje, aangevallen en vernietigd. De resterende volgelingen van de karmapa en de koning van Tsang hergroepeerden zich in Kongpo en organiseerden een opstand tegen de nieuwe machthebbers. Een leger dat bestond uit aanhangers van de gelug en Güshri Khan viel Kongpo binnen, vernietigde het hele gebied en executeerde circa 8000 mensen. Ook de daarheen gevluchte koning van Tsang werd om het leven gebracht. Hiermee had de gelug een belangrijke overwinning behaald en begon de periode van dominantie van de gelug die driehonderd jaar zou duren.

Verankering van de macht thumb|300px|V.l.n.r. vijfde dalai lama en Güshri Khan, in: China Illustrata van Kircher, getekend door Johann Grueber In de periode die hierop volgde nam de vijfde dalai lama het initiatief om de pas verworven dominantie van de gelug zo snel mogelijk te verankeren.

De eerste maatregel betrof de bijna totale eliminatie van de jonang-tradite. In zijn autobiografie noemt Ngawang Lobsang Gyatso de belangrijkste tulku van die traditie, Taranatha, die als een belangrijk historicus en vertaler wordt beschouwd, een wellustige schurk zonder weerga. Het argument voor de eliminatie was, dat de jonang een fundamenteel andere interpretatie had van het voor het boeddhisme zo centrale begrip Sunyata. Deze interpretatie werd door de gelug als weerzinwekkend beschouwd. Wat ook meespeelde was het feit, dat de jonang over het algemeen de meer geletterden onder de volgelingen aantrok en dus een potentieel intellectueel gevaar was. De kloosters van de jonang behoorden ook tot de rijkste in het land. Alle bekende kloosters van de jonang werden vernietigd of door de gelug geconfisqueerd. De geschriften van de jonang werden in de ban gedaan en hun blokdrukken werden vernietigd. De jonang werd zo hard aangepakt dat tot ongeveer 1990 werd aangenomen, dat de traditie door de vijfde dalai geheel was geëlimineerd. Pas toen werd ontdekt dat de traditie ruim 300 jaar op beperkte schaal en ondergronds was gecontinueerd.

Ook veel kloosters en bezittingen van de kagyü werden in bezit genomen of vernietigd. De werken van schrijvers uit met name de sakya-traditie die commentaar hadden geleverd op de geschriften van de geestelijke vader van het gedachtegoed van de gelug, Tsongkhapa, werden verboden en de blokdrukken daarvan werden vernietigd.

Incarnatielijnen en incorporatie thumb|Beeld van Avalokitesvara omstreeks 1050 De grootste invloed heeft deze dalai lama echter gehad op de cultuurhistorische ontwikkeling van het Tibetaans boeddhisme. Deze dalai lama was zeer bekwaam in het ontwerpen van en manoeuvreren met reïncarnatielijnen.

De reïncarnatielijnen van met name de hoogste tulku's waren een afspiegeling van hun maatschappelijke, religieuze en politieke machtspositie. Voor veel gelovige Tibetanen is de overtuiging dat de dalai lama de emanatie is van Avalokitesvara even fundamenteel als voor een orthodox christen de opvatting dat Jezus de zoon van God is. Toch is deze emanatie-opvatting pas in de 17e eeuw door de vijfde dalai lama geformuleerd.

De vijfde dalai lama was als overwinnaar uit de burgeroorlog gekomen en was sindsdien de eerste dalai lama die werkelijk politieke en bestuurlijke macht over Tibet bezat. Vergeleken met de karmapa, zijn voornaamste tegenstander in de burgeroorlog, is zijn reïncarnatielijn echter aanzienlijk korter. De karmapa wordt reeds sinds de tweede in die lijn, Karma Pakshi (1204-1283), geacht een emanatie van Avalokitesvara te zijn. De eerste vier dalai lama's waren niet minder, maar ook niet meer dan de belangrijkste tulku van de gelugpa's, die in die periode nog geen dominante rol in Tibet kon spelen. Van de eerste vier dalai lama's hebben de eerste twee die benaming postuum gekregen,waarmee gepoogd werd een langere politieke legitimiteit te creëren. De karmapa-lijn kende in tegenstelling tot die van de dalai lama's geen postume benoemingen.

De vijfde dalai lama positioneerde Avalokitesvara niet alleen als de bodhisattva van het mededogen, maar vooral - en anders dan in het geval van de karmapa - met terugwerkende kracht ook als de beschermer van Tibet en de centrale figuur in de Tibetaanse geschiedenis. Deze notie verbond hij met een lijn waarin de drie grote Dharma-koningen van Tibet (Tri Songtsen Gampo, Tri Songdetsen en Tri Ralpachen), die verantwoordelijk worden gehouden voor de introductie van het boeddhisme in Tibet, eveneens incarnaties werden van Chenrezig, evenals de epische held Gesar uit het Epos van koning Gesar.

Op de plaats van een vroegere burcht uit de zevende eeuw liet de vijfde dalai lama een nieuw paleis bouwen dat hij het Potala noemde, naar het Potolaka, de naam voor het mythische paleis van Chenrezig. Op die manier werd het instituut dalai lama de menselijke vorm van de bodhisattva/beschermer van Tibet en werd een verbinding gemaakt tussen de dalai lama's en het prehistorische verleden van Tibet.

Tot aan die periode werd in de opvolging van abten van het klooster Tashilhunpo voorzien door middel van verkiezing van reeds volwassen mannen door de monniken die in het klooster verbleven. De vijfde dalai lama verklaarde nu zijn leermeester Lobsang Chökyi Gyaltsen - net als de shamarpa die in die tijd gezien werd als de mentor van een nog niet volwassen karmapa - tot emanatie van Amitabha, een van de vijf dhyani-Boeddha's. Deze werd daarmee de eerste persoon die bij zijn leven de benaming pänchen lama ontving. Vanaf die tijd werd in de opvolging van de abten van Tashilhunpo en daarmee van de pänchen lama voorzien door middel van reïncarnatie. Teneinde hun reïncarnatielijn een wat langere legitimiteit te geven werden drie daartoe gevonden pre-incarnaties van Lobsang Chökyi Gyaltsen postuum benoemd tot de eerste, tweede en derde pänchen lama. Lobsang Chökyi Gyaltsen werd daarmee in de chronologie de vierde pänchen lama.

Taranatha werd verondersteld de vijftiende reïncarnatie van de Jebtsun Dampa te zijn. In de traditie gaat de lijn van de Jebtsun Dampa terug naar de tijd van de Boeddha zelf. De eerste reïncarnatie van de Jebtsun Dampa zou ongeveer 2500 jaar geleden een discipel van de Boeddha zijn geweest. In 1650 bracht Zanabazar, feitelijk hoofd van de sakya-traditie bij de Khalkha-Mongolen, een bezoek aan Tibet. De dalai lama wist Zanabazar te bekeren tot de gelugtraditie. Taranatha had de laatste 20 jaar van zijn leven in Mongolië doorgebracht en een enorm prestige bij de Mongolen verworven. De dalai lama haalt de reïncarnatielijn van de Jebtsun Dampa uit de jonangtradie,incorporeert die in de gelugtraditie en proclameert vervolgens Zanabazar tot de 16e reïncarnatie van de Jebtsun Dampa. Hij realiseert daarmee het religieuze leiderschap van Zanabazar in Mongolië, waardoor ook de gelug de dominante religieuze machtsfactor werd in dat land

Taranatha was ook de belangrijkste vormgever van de Kalachakratantra in de huidige vorm; een van de belangrijkste oefeningen in het Tibetaans boeddhisme. Na de bijna gehele vernietiging van de jonang-traditie, nam de gelug de Kalachakratantra over als een van hun belangrijkste oefeningen en incorporeerde deze in hun traditie.

De dalai lama was ten slotte verantwoordelijk voor de overplaatsing van het orakel van Samye, het oudste klooster van Tibet, dat tot dan toe zijn wortels had in vooral de nyingma- en sakya-traditie. Het orakel werd overgeplaatst naar het toen recent gestichte Nechungklooster in de onmiddellijke omgeving van Lhasa. Vanaf dat moment wordt het als het orakel van Nechung onderdeel van de gelugtraditie en het Tibetaans staatsorakel.

Tegenstellingen binnen de gelug