Friezen (mannelijk enkelvoud: Fries, vrouwelijk enkelvoud: Friezin of Friese) is een benaming die in verschillende, deels overlappende betekenissen wordt gebruikt. In het hedendaagse Nederlands kan Fries eenvoudig verwijzen naar een inwoner van of persoon afkomstig uit de Nederlandse provincie Friesland (Fryslân). In een bredere historische en etnisch-culturele context wordt de naam gebruikt voor verschillende Friese bevolkings- en identiteitsgroepen in het kustgebied van de Noordzee. De betekenis en afbakening van Fries en Friezen zijn daarbij in de loop van de geschiedenis veranderd en verschilden naar plaats en context.

In de huidige tijd zijn Friese taal- en identiteitsgemeenschappen vooral verbonden met Fryslân, Oost-Friesland, het Saterland en Noord-Friesland, maar geografische herkomst, taal en Friese zelfidentificatie vallen niet noodzakelijk samen. Zo bleef in Oost-Friesland een regionale Friese identiteit bestaan nadat de Friese taal daar grotendeels was verdwenen, terwijl de drie nog levende Friese taalgroepen bestaan uit het Westerlauwers Fries, Saterfries en Noord-Fries. Dit artikel behandelt de Friezen daarom in een brede historische en culturele context, met bijzondere aandacht voor de Friezen in de Nederlandse provincie Fryslân. Voor afzonderlijke betekenissen en groepen, waaronder de West-Friezen, Oost-Friezen, Saterfriezen en Noord-Friezen, zie Friezen (doorverwijspagina).

Etymologie

Er is veel onzekerheid over de etymologie van de naam 'Friezen', die is terug te voeren op de oude stamnaam Frisii.

Geschiedenis Vroege kustbewoners en Oude Friezen

thumb|Een buitendijkse terp op Hooge, Noord-Friesland In de 6e of 7e eeuw v. Chr. werden de kwelders van het noordelijke kustgebied gekoloniseerd door landbouwers uit het achterland, waarschijnlijk uit het naburige Drenthe. De nieuwe bewoners namen namelijk een type aardewerk mee dat vooral bekend is van de Drentse zandgronden. Omdat soortgelijk aardewerk ook is aangetroffen in het Noord-Duitse kustgebied, nam men eerder wel aan dat de eerste bewoners daar vandaan kwamen. De Frisii spraken vermoedelijk een Proto-Germaanse taal, maar er zijn ook naamkundige aanwijzingen voor een ouder substraat, een mogelijke aanwijzing dat de bewoners van de Nederlandse kuststreek oorspronkelijk een Keltische taal spraken.Peter Schrijver: 'Frisian between the Roman and the Early Medieval Periods: Language Contact, Celts and Romans', in: John Hines & Nelleke IJssennagger (red.), North Sea Neighbours:. From the Fifth Century to the Viking Age, Woodbridge 2017, p. 43-52.

Typisch voor de Friese kuststreek is het opwerpen van terpen, kunstmatige woonheuvels die bescherming boden tegen overstromingen.Nes, monumentnummer 45328, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Geraadpleegd op 5 september 2026. Al in de vroege ijzertijd (± 600 v.Chr.) trokken kolonisten van het Hollandse strandwallengebied de achterliggende drassige veengebieden in. Het zogenoemde streepbandaardewerk van de kustbewoners kwam in de 1e eeuw na Christus ook elders langs de Hollandse en Vlaamse kust en in het centrale rivierengebied voor.L.v.d.Tuuk (2013), De Friezen, Uitgeverij Omniboek, Utrecht, 2017, p 44-45 Ook in de nederzettingen van de Cananefaten in Zuid-Holland is veel streepbandaardewerk gevonden. Vermoedelijk vestigden zij zich, wellicht mede onder druk van de Romeinen, in een gebied waar eerder de Frisii woonden.De Friezen, 2013, 10e druk 2017, p.48Van der Tuuk, L. (2013), De Friezen, De vroegste geschiedenis van het Nederlandse kustgebied, 10e druk, 2017, p.20-23 'In dit ontoegankelijke waddengebied [ten zuiden van de Maasmonding] was vrijwel alleen in de duinstrook langs de Noordzeekust bewoning mogelijk. Daar ontstonden aan de Scheldemonding de handelshavens Walacria (Domburg) en Scaltheim (Westenschouwen).'

De eerste schriftelijke bronnen die beschrijvingen geven van de streek Frisia en de bewoners daarvan dateren uit de 1e eeuw na Christus. Vier Romeinse auteurs verwijzen in hun overgeleverde werk naar volkeren die in de literatuur traditioneel vertaald worden met ‘Friezen’. De betreffende auteurs zijn: Plinius de Oudere, Tacitus, Cassius Dio en Claudius Ptolemaeus. In alle gevallen is de omvang van de teksten die aan deze stammen gewijd worden zeer beperkt en soms ook tegenstrijdig. Daarnaast komen de termen Frisiavi, Frisiavones, Frigonum, Frisius, Frisii voor op diverse inscripties uit de tweede en derde eeuw. Het lijkt waarschijnlijk dat het in feite twee aparte stammen betrof; waarbij de Frisiavones meer geromaniseerd lijken te zijn geweest dan de Frisii.M.C. Galestin, 'Frisii and Frisiavones', in: Palaeohistoria 49/50 (2007/2008), p. 687–708, met name p. 706. Hoewel de stamnamen van de Frisii en Frisiavones beide traditioneel vertaald worden met ‘Friezen’ is het onwaarschijnlijk dat er sprake was van continuïteit tussen deze oudere groepen en de 'Nieuwe Friezen’ uit de vroege middeleeuwen.Elmar Seebold, 'Die Friesen im Zeugnis antiker und spätantiker Autoren', in: Horst Haider Munske (red.), Handbuch des Friesischen, 2001, p. 479-486.Jos Bazelmans, 'The Early-medieval Use of Ethnic Names from Classical Antiquity: The Case of the Frisians', in: Ton Derks & Nico Roymans (red.), Ethnic Constructs in Antiquity: The Role of Power and Tradition, Amsterdam 2009, p. 321–337, hier p. 325.De Friezen, 2013, p.78,79 'Het ziet er dus naar uit dat het Fries-Groningse terpengebied na een al of niet volledige bewoningsonderbreking vooral bevolkt werd door Germaanse stammen uit Noord-Duitsland en Denemarken, door mensen met een noordelijke achtergrond die hun eigen cultuur en gewoonten introduceerden.'

Volksverhuizingen en Nieuwe Friezen thumb|Het Nederlandse landschap omstreeks 800n.Chr.

Archeologisch onderzoek wijst op een grotendeels onderbroken bewoning van het Friese terpengebied in de vierde eeuw. Vanaf omstreeks 400 werd het gebied opnieuw bevolkt door immigranten.Annet Nieuwhof, 'The Frisians and their Pottery: Social Relations before and after the Fourth Century AD', in: John Hines & Nelleke IJssennagger-van der Pluijm (red.), Frisians of the Early Middle Ages, Boydell & Brewer, 2021, p. 45–77, met name p. 45–46 en 56–57. DOI: 10.1017/9781800101326.003. Tussen de laatst bekende verwijzing naar de Frisii en Frisiavones uit de Oudheid en de eerste vermelding in de vroege middeleeuwen zit een periode van mogelijk drie eeuwen.Looijenga c.s. geven ook vermeldingen uit de tussenliggende periode. André Looijenga, Anne Tjerk Popkema & Bouke Slofstra (ed.), Een meelijwekkend volk. Vreemden over Friezen van oudheid tot de kerstening, Leeuwarden: Wijdenes, 2017. De archeologisch aangetoonde ontvolking van Friesland begon al in de tweede helft van de derde eeuw en wordt soms als een aanwijzing gezien voor een emigratiegolf, die binnen de jurisdictie van het Romeinse Rijk zou hebben plaatsgevonden. Hierbij is het onbekend of de Frisii simpelweg het aangrenzende gebied achter de Romeinse limes als woongebied kregen toegewezen, of dat er sprake was van emigratie naar verder gelegen streken, bijvoorbeeld naar het huidige Vlaanderen of het huidige Verenigd Koninkrijk.De Friezen (2013), p.94,95Tineke Looijenga, 'Frisian Runes Revisited and an Update on the Bergakker Runic Item', in: Gaby Waxenberger, Kerstin Kazzazi & John Hines (red.), Old English Runes: Interdisciplinary Perspectives on Approaches and Methodologies with a Concise and Selected Guide to Terminologies, Berlijn 2012, p. 101-124 (p. 119-120: What Happened to the Old Frisians?). Zo stelt de Byzantijnse geschiedschrijver Procopius dat de Phrissones naast de Britten (Brittones) en de Angelen (Angiloi) een van de drie stammen vormden die Brittannië bewoonden.Procopius - Oorlogen, boek VIII [= De Bello Gothico, boek IV], 20, paragraaf 47. Plaatsnamen als Friston en Freeston zouden eveneens herinneren aan de invloed van de Frisii of Frisiavones in Engeland.

De bewoningsgeschiedenis verschilde per streek: tegenover de onderbreking in grote delen van Friesland staat de bewoningscontinuïteit van onder meer Ezinge in Groningen. In 1927 en 1951 stelde Pieter Boeles in zijn boek Friesland tot de elfde eeuw dat alle bewijzen voor een aaneensluitende bewoningsgeschiedenis op de Friese terpen ontbreken. Hij wees op parallellen tussen de Friese en Angelsaksische cultuur. Het begrip "Friezen" had volgens hem sinds de Grote Volksverhuizing vooral een politieke inhoud, niet zozeer een etnische. De bevolkingsgroei in deze periode kwam waarschijnlijk deels voor rekening van Angelen en Saksen – Angelsaksen of 'nieuwe Friezen'. Luit van der Tuuk spreekt van een 'bewoningsminimum' tussen 325 en 425, omdat de bevolking op z'n minst sterk gereduceerd werd. Er traden ingrijpende veranderingen op en er vond een culturele omslag plaats. Oorspronkelijke kustbewoners kunnen volgens Van der Tuuk zijn weggetrokken om politieke instabiliteit, misoogsten en pestepidemieën, maar vooral om toenemende wateroverlast. De zeespiegel was gestegen en het aantal stormvloeden nam toe. De bodem verziltte en het gebruik van de kwelders als landbouwgrond werd beperkt. De bevolking trok naar het binnenland of stak mogelijk de Noordzee over.De Friezen, 2013, p.75,76L. van der Tuuk: De Friezen, 2013, p.78,79 'Het ziet er dus naar uit dat het Fries-Groningse terpengebied na een al of niet volledige bewoningsonderbreking vooral bevolkt werd door Germaanse stammen uit Noord-Duitsland en Denemarken, door mensen met een noordelijke achtergrond die hun eigen cultuur en gewoonten introduceerden.' Bovendien zou de schaarse bevolking van het huidige Friesland in de periode na 425 (op basis van huisconstructie, begraafwijze en materiële vondsten) niet dezelfde te zijn geweest als in de eeuwen ervoor, maar immigranten uit het noordwesten van het huidige Duitsland, met name uit Sleeswijk-Holstein. Bodemvondsten bevestigen dit beeld. Zo wordt in de periode 100 tot 250 na Chr. zogenoemd "Fries aardewerk" aangetroffen in het noorden van Friesland, Texel, via Noord-Holland tot aan Katwijk, waarna er een vormverandering plaatsvond en het uiteindelijk verdween.R. van Eerden (2005), De Noord-Hollandse Friezen mogen er wezen, in: Archeobrief nr. 1 maart 2005, blz. 14-20Ernst Taayke, 'Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600 v.Chr. bis 300 n.Chr., Teil V: Übersicht und Schlußfolgerungen', in: Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek 42 (1997), p. 163-208. De Duitse filoloog Elmar Seebold vermoedt dat een deel van de immigranten bestond uit Juten, een zijns inziens Saksische deelstam die oorspronkelijk het zuidwesten van Denemarken bewoonde.

Naar alle waarschijnlijkheid is de term Friesland (Latijn: Frisia) een herintroductie van de Merovingische en later Karolingische koningen voor een gebied aan de noordgrens van hun rijk op basis van oudere Romeinse teksten. Sommige onderzoekers veronderstellen dat de nieuwkomers een elitegroep vormden, maar daar zijn geen aanwijzingen voor gevonden. Ook is de mogelijkheid geopperd dat een bovenlaag van oorspronkelijke Friezen uit het 'geromaniseerde zuiden' later terugkeerde naar hun oorspronkelijke woongebied. Dat zou dan ook de continuïteit van de naam van de Friezen verklaren. Het wordt echter als waarschijnlijker gezien dat nieuwkomers zich niet als Friezen beschouwden, maar dat het de Franken waren die op de oude benaming van de Friezen teruggrepen.De Friezen, 2013, p.79 Mogelijk heeft het ontstaan van een rivaliserend machtscentrum onder de Germaanse dux Radbodus tot groeiende Frankische belangstelling voor het kustgebied geleid en ook de naamvorming in de hand gewerkt.Bazelmans, 'The Case of the Frisians', p. 332-333. Het betreft hier waarschijnlijk dus geen inheemse naam, maar een exoniem dat door de bevolking werd overgenomen en zo tot een endoniem werd.