De West-Indische Compagnie (WIC), voluit de Geoctroyeerde West-Indische Compagnie (GWIC of GWC: zie afkorting op de vlag) was een bedrijf uit de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden dat in 1621 werd opgericht als privaatrechtelijke onderneming met publiekrechtelijke taken; de WIC was verantwoording schuldig aan de Staten-Generaal van de Nederlanden. De compagnie ontving van de Staten-Generaal - oorspronkelijk voor 24 jaar - het alleenrecht binnen de republiek op handel en scheepvaart in het door de Staten-Generaal vastgestelde octrooigebied tussen twee meridianen. Als westgrens gold de meridiaan door de oostpunt van Nieuw-Guinea en als oostgrens die van Kaap de Goede Hoop.
Het belangrijkst was de trans-Atlantische driehoekshandel op West-Afrika (Nederlandse Goudkust), de Caraïben en Noord- en Zuid-Amerika. In de zeventiende en achttiende eeuw bezat de WIC dit staatsmonopolie op de handel en scheepvaart op West-Afrika ten zuiden van de Kreeftskeerkring, op Amerika, alsmede op alle eilanden tussen Newfoundland en Straat Magellaan. De WIC werd in 1674 opgeheven om een jaar later weer te worden heropgericht. In 1792 ging de WIC definitief ter ziele. De achterliggende doelstelling en strategie van de WIC waren de positie van Spanje en Portugal aan te tasten in Afrika en Zuid-Amerika.De West-Indische Compagnie en haar belangen in Nieuw-Nederland. Een overzicht (1621-1664). Johan van Hartskamp De WIC kreeg van de Staten-Generaal der Nederlanden de opdracht tijdens de Tachtigjarige Oorlog om de oorlog met Spanje uit te breiden naar zee, zodat de aandacht van Spanje werd afgeleid van de republiek.
Voorgeschiedenis De scheepvaart en handel in het Atlantisch gebied waren sinds het Verdrag van Tordesillas verdeeld tussen de rooms-katholieke landen Spanje en Portugal. Aan het eind van de zestiende eeuw ontstond hiertegen steeds meer weerstand. Het lukte Britten en Nederlanders steeds vaker om het monopolie van de Spanjaarden en Portugezen in Azië te breken. Nadat Spaanse en Portugese havens werden gesloten voor Nederlandse handelaars begon men vanuit de republiek met eigen aanvoer van onder meer zout, suiker en delfstoffen die niet meer uit de Iberische havens konden worden betrokken.Blussé, L. & J. de Moor (1983) Nederlanders over zee. De eerste vijftig jaar, 1600-1650, p. 62
Spanje bood de republiek vrede aan onder voorwaarde dat deze zich zou terugtrekken uit de vaart op Azië en Amerika. Het land weigerde een vredesverdrag te ondertekenen als er ook nog een West-Indische Compagnie zou worden opgericht. Raadpensionaris Johan van Oldenbarnevelt bood aan om de handel met de West op te schorten in ruil voor het Twaalfjarig Bestand (van 1609 tot 1621). De handel met de Caraïben - waar zout, suiker en tabak vandaan werd gehaald - werd bemoeilijkt door Spanje. Het gevolg was dat er tijdens deze periode onder vreemde vlag op Zuid-Amerika werd gevaren. In 1616 vestigde de Vlissingse burgemeester Jan de Moor een factorij in Essequebo - in het huidige Guyana - ondanks het verdrag.
Tijdens het Twaalfjarig Bestand richtten de kooplieden zich vooral op inpolderingen van meren in Holland. Sommige kooplieden richtten zich op Noord-Amerika, waar zich nauwelijks Spanjaarden en Portugezen hadden gewaagd. Tussen 1611 en 1613 voer Adriaen Block - in opdracht van de Compagnie Van Tweenhuysen - drie keer op en neer naar de rivier de Hudson; ook anderen waren daar vanuit de republiek actief als bonthandelaar. In 1614 kwam het tot een fusie van Amsterdamse firma's onder de naam Nieuw-Nederland Compagnie.Henry Hudson, Museum Geelvinck De compagnie kreeg een octrooi van vier jaar en zag dit vernieuwd tot haar opheffing op 28 september 1621.https://www.dbnl.org/tekst/_gid001184901_01 (pagina 707)Blussé, L. & J. de Moor (1983) Nederlanders over zee. De eerste vijftig jaar, 1600-1650, p. 66 In 1625 werd het fort Amsterdam op Manhattan gebouwd; het begin van Nieuw-Nederland.Wieder, F.C. (1925) De Stichting van New York in 1626 (Uitgaaf der Linschoten-Vereeniging).
Stadhouder Maurits van Oranje was voor het hervatten van de strijd met Spanje. In 1619 ontdeed hij zich van zijn voornaamste tegenstander Johan van Oldenbarnevelt. Toen twee jaar later de wapenstilstand afliep, werd de West-Indische Compagnie opgericht. De WIC had vooral als doel om - onder andere door kaapvaart - afbreuk te doen aan de Spaanse activiteiten bij de Amerikaanse kusten. Maar in 1623 keerden 103 zoutvaarders leeg terug uit Venezuela aangezien Spanje hen het zout laden in Midden-Amerika onmogelijk maakte.
De eerste WIC thumb|Eerste pagina van het Octrooi van de West-Indische Compagnie
De WIC werd georganiseerd naar het model van de VOC en was onderverdeeld in vijf zogenoemde Kamers. Het WIC bestuur bestond uit de Heren XIX; 19 lieden verdeeld over deze vijf Kamers: Amsterdam, Zeeland, Maze (Rotterdam), Stad en Lande (Groningen) en Noorderkwartier (Hoorn). Cornelis Bicker was een van de belangrijkste bewindhebbers. Aanvankelijk kregen kooplieden, zoals Elias Trip, Jan Cornelisz. Geelvinck en Samuel Blommaert toestemming nog een reis naar Guinee te ondernemen, maar ze moesten voor 1 juli 1622 terug zijn in het vaderland. In 1623 werd het fort Nassau (Nieuw-Nederland) overgedragen aan de WIC. Uiteindelijk kwam de financiering pas in 1623 tot stand nadat diverse steden - die betrokken waren bij de zoutvaart - onder druk waren gezet. Verschillende steden wensten de handel in zout niet op te geven; de Staten-Generaal beslisten dat de WIC niet langer het alleenrecht op de handel in zout had.Wennekes, W. (2001) Gouden Handel, p.296 De Staten-Generaal en de VOC zegden een miljoen gulden in de vorm van kapitaal en subsidie toe. Anders dan de VOC had de WIC niet het recht om militairen in te zetten. Daarvoor was toestemming van de Staten-Generaal nodig.
Toen het Twaalfjarig Bestand in 1621 was afgelopen, hadden de "haviken" in de republiek vrij spel om opnieuw oorlog te voeren met Spanje. De kaapvaart werd een van de belangrijke doelstellingen van de WIC. Het bewapenen van de handelsschepen met kanonnen en soldaten om zich te verdedigen tegenover Spaanse schepen was daarbij van groot belang. Op bijna alle schepen in 1623 gingen veertig à vijftig soldaten mee, voor een niet nader genoemde bestemming, mogelijk ter assistentie bij kapen van vijandelijke schepen.Klein, P.W. (1965) De Trippen in de 17e eeuw, p. 150 Het is onduidelijk of dit ging om de expeditie naar de kust van Chili, Peru en Bolivia van Jacques l'Hermite opgezet door stadhouder Maurits met steun van de Staten-Generaal en de VOC. Een poging door Jacob Willekens in 1624 om San Salvador in de Allerheiligenbaai te veroveren, liep op een mislukking uit. In september 1625 viel Boudewijn Hendricksz San Juan in Puerto Rico aan om deze stad in te nemen. Hij had 2000 man tot zijn beschikking maar de Spanjaarden boden stevig weerstand. Voor zijn vertrek plunderde hij de stad en stak de gebouwen in brand. Hij verloor in deze strijd meer dan 400 man en een van zijn grootste schepen moest hij achterlaten omdat dit gestrand was. Een deel van de vloot deed onder Jan Dircksz. Lam een aanval op het Portugese fort Elmina aan de Goudkust, maar ook die mislukte. De verovering van de Zilvervloot in 1628 door Piet Hein spreekt tot op de dag van vandaag tot de verbeelding. "Over de verdeling van de opbrengst ontstond uiteraard grote ruzie, iedereen was ontevreden over zijn aandeel."Blussé, L. & J. de Moor (1983) Nederlanders over zee. De eerste vijftig jaar, 1600-1650, p. 68
Dat oorlogvoering in de eerste jaren van de WIC een belangrijke activiteit was blijkt uit het volgende citaat uit een commissie van de Heren XIX aan Piet Hein:
thumb|De kolonie Swaanendael aan de Delaware thumb|Het West-Indisch Pakhuis op Rapenburg in Amsterdam, gebouwd in 1642.
Patroonschappen miniatuur|Kaart van Nieuw-Zweden en Nieuw-Nederland (c. 1650)
De kooplieden hadden alle vrijheid in de koloniën en waren ook gemachtigd te onderhandelen met buitenlandse mogendheden. Echter, bij de oprichting van de WIC zei men expliciet niet aan mensenhandel te willen doen. In 1623 kreeg een commissie binnen de WIC opdracht de slavenhandel in de West-Afrikaanse Goudkust te onderzoeken. De Staten-Generaal gaf meer vrijheden, en de WIC kreeg misschien toestemming om vanuit Afrika slaven naar de koloniën in de west te transporteren. In 1635 veranderde men van mening over mensenhandel. Slavernij was niet langer verboden in de koloniën.
In 1629 gaf de WIC patroonschappen aan een aantal particuliere investeerders in Nieuw-Nederland. De kooplieden kregen daarmee het recht om een kolonie te stichten en te beheren in het octrooigebied van de WIC. Vanuit de WIC werden de volgende patronen benoemd:K. Ratelband (2006) De Westafrikaanse reis van Piet Heyn 1624-1625, p.LV.http://www.nationaalarchief.nl/transcripties/blommaert_index.html vier Amsterdamse afgevaardigden: Albert Coenraetsz. Burgh, Guilliemo Bartolotti, Joris Adriaensz., Samuel Blommaert (bewindhebber WIC) Jochem Althingh (burgemeester van Groningen), Florisz. van Teylingen (burgemeester van Alkmaar) Gommer Spranger van Amsterdam, Adriaen van der Goes van Delft, Pieter Meunix van Middelburg bewindhebber WIC: Johannes de Laet, Samuel Godijn gedeputeerde van de Staten-Generaal: Kiliaen van Rensselaer
In 1631 namen Johannes de Laet, Samuel Blommaert, Samuel Godijn, Albert Burgh en Kiliaen van Rensselaer deel aan de stichting van vijf patroonschappen in Nieuw-Nederland in een samenwerkingsverband, want aan kooplieden die binnen vier jaar minstens vijftig volwassen kolonisten naar Nieuw-Nederland overbrachten, werd een door henzelf te kiezen grondgebied toegezegd, alwaar zij bestuur en rechtspraak zouden mogen uitoefenen. De patroon betaalde de reis en voorzag in onderdak, maar had daarna voor een aantal jaar het recht op de diensten. Het was een semi-feodaal systeem.Dillen, J.G. van (1970) p. 163. De kolonist keerde na die periode terug of kreeg een stuk land om voor zichzelf te beginnen.Ligtenberg. L. (1999) De nieuwe wereld van Peter Stuyvesant. Nederlandse voetsporen in de Verenigde Staten, p. 36. De patroons, feitelijk een soort "leenmannen" der Compagnie, gedroegen zich als potentaten tegenover hun "onderdanen". Blommaert, Burgh, Godijn en De Laet hadden weinig succes met het bevolken van de kolonie en het zich verdedigen tegen de plaatselijke inheemse Indianen. De Nederlanders gingen ervan uit dat het om gemene grond ging; de inheemse Indianen waren het niet eens met die visie en reageerden met het roven van vee. Alleen Van Rensselaer wist zich in het noorden te handhaven langs de Hudson. Blommaert probeerde in het geheim met het stichten van de kolonie Nieuw-Zweden zijn zaken aan de Delaware in het zuiden te redden. Naar verluidt zou De Laet zijn aandeel hebben verkocht toen bleek dat Swaanendael was verwoest door de Indianen.
De meeste aandacht van de WIC ging inmiddels naar Nederlands-Brazilië. Pas in 1630 slaagde de WIC erin om een deel van Brazilië te veroveren. De strijd had intussen zo veel van haar krachten gevergd, dat de compagnie daarna onder een permanente dreiging van faillissement moest opereren.Heijer, H. den (1994) De geschiedenis van de WIC, p.97 In feite was de WIC in 1636 bankroet en alle pogingen tot sanering waren tot mislukking gedoemd.Dillen, J.G. van (1970), p. 169 Johan Maurits van Nassau-Siegen zond eind mei 1641 een expeditie van 21 schepen onder Cornelis Jol met 2.145 soldaten naar Luanda om het slavendepot te overmeesteren, dat in augustus werd veroverd, en naar Sao Tomé dat in oktober werd veroverd, zodat de Portugese overmacht in Afrika voorlopig was doorbroken. De Nederlanders stichtten de Nederlandse Goudkust in het veroverde gebied.