miniatuur|Detail van het middenpaneel van een polyptiek van Titiaan Pasen is het belangrijkste christelijke feest in het liturgische jaar, volgend op de Goede Week. Christenen vieren deze dag vanuit hun geloof dat Jezus uit de dood is opgestaan, op de zondag na zijn kruisiging.
Pasen duurt twee dagen en wordt gevierd op een zondag en maandag. Beide dagen worden wel afzonderlijk eerste en tweede paasdag of paaszondag en paasmaandag genoemd.
Het christelijke Pasen wordt gevolgd door de vijftig dagen durende periode van het kerkelijke jaar tot Pinksteren.Pinksteren is volgens een bepaalde definitie de vijftigste en laatste dag van Pasen, waarbij paaszondag als de eerste dag van Pasen geldt. De periode van het paasfeest tot HemelvaartsdagHemelvaartsdag is de veertigste dag van Pasen, waarbij paaszondag de eerste dag is duurt veertig dagen. Katholieken mogen gedurende de vijftig dagen durende periode hun jaarlijkse paasplicht vervullen.
Oorsprong miniatuur|Paasochtend, Das festliche Jahr in Sitten, Gebräuchen und Festen der germanischen Völker, 1863 miniatuur|"Osterbrunnen" in Pegnitz, Duitsland miniatuur|Paasvuur miniatuur|Paasbrood uit Italië De term Pasen heeft zijn oorsprong in het joodse Pesach, de joodse viering van de uittocht uit Egypte. Tijdens het Eerste Concilie van Nicea (325) zijn de data van beide feesten officieel ontkoppeld.Standaard Encyclopedie. Het Spectrum N.V., Antwerpen, 1973.R.A. Koman, '100%Pasen: geloof, bijgeloof en volksgebruiken in Nederland'. Profiel: Bedum, 2012.
In ouder (godsdienst)historisch onderzoek en in pseudowetenschappelijke lectuur wordt vaak een pre-christelijke oorsprong van diverse gebruiken rond Pasen verondersteld. De gangbare wetenschappelijke theorie is dat men over de voorchristelijke periode in Noordwest-Europa nauwelijks iets weet, omdat er nauwelijks iets van is overgeleverd.R.A. Koman, '100%Pasen: geloof, bijgeloof en volksgebruiken in Nederland'. Profiel: Bedum, 2012. Mogelijk heeft de viering van Pasen in de loop van de tijd elementen van oude lentefeesten (zie feesten en rituelen tijdens de lente) in zich opgenomen, maar dat blijft speculatief.
Het eten van paaseieren is van middeleeuwse oorsprong. Een ander gebruik zijn de paasvuren. De ontstaansperiode hiervan is onbekend. De palmpasenstok is een Nederlands fenomeen dat na de reformatie bij katholieken ingang vond.
De paashaas is volgens hedendaagse inzichten helemaal niet zo oud: hij is voor zover bekend pas in 1682 voor het eerst in Duitsland beschreven, in Georg Franck von Franckenaus boek De ovis paschalibus (Over paaseieren). De paashaas heeft van oorsprong een pedagogisch karakter.E. Doelman, J. Helsloot (red.): De kleine Olympus, Over enkele figuren uit de alledaagse mythologie. Amsterdam, 2008 Via een vertaald Duits boek is de paashaas voor het eerst in ieder geval in 1825 in Nederland bekend.
Veel paasgebruiken komen niet voor in de oorspronkelijke Bijbelteksten. Het is niet zeker waar ze precies vandaan komen. Een oorsprong in de voorchristelijke traditie kan verondersteld worden. Het is namelijk bekend dat de Romeinen bijvoorbeeld bij het kerstfeest bewust midwintertradities opgenomen hebben om de Germanen te kunnen winnen voor het christendom. Het kleuren van eieren is ook terug te vinden in Iran met het voorjaarsfeest Nowruz en op de Balkan met Ederlezi (6 mei, Sint-Jorisdag). Vreugdevuren vergelijkbaar met paasvuren vinden tevens plaats op de Balkan (Ederlezi), bij de Alevieten in Turkije (Hidirellez, 6 mei en de vooravond 5 mei) en in Iran rond dezelfde tijd in het jaar. Hier is mogelijk sprake van een oudere Euraziatische traditie.
Etymologie Het woord Pasen (in het Middelnederlands geschreven als paschen, paeschen of paesschen) is de meervoudsvorm van pasch of paesch, meervoud omdat het over meerdere dagen wordt gevierd. Het is ontleend aan christelijk Latijn pascha, een ontlening aan het Grieks Páscha (Πάσχα), dat weer ontleend is aan Aramees Paskha (פסחא), verwant met Hebreeuws Pesach (פֶּסַח), het feest van de uittocht uit Egypte.M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam
In het christendom In de christelijke traditie is Pasen, of ook wel het paasfeest, het belangrijkste liturgische feest. Op Goede Vrijdag, de vrijdag voor Pasen, herdenken christenen het lijden en de kruisdood van Jezus en met Pasen vieren zij zijn opstanding, ook wel verrijzenis genoemd, uit de dood. Pasen behoort daarmee tot de traditie van de zoenoffers, die draaien om de noodzaak van de dood voor het leven, de verzoening met het goddelijke en de spirituele ontwikkeling van de eigen ziel door beproeving.
Bijbelse geschiedenis
Hieronder volgt een synthese van de gebeurtenissen volgens Matteüs 28:1-10, Marcus 16:1-13, Lucas 24:1-53 en Johannes 20:1-23.
Op Witte Donderdag was Jezus op de Olijfberg en werd hij verraden door Judas Iskariot. Hierop werd hij gearresteerd door soldaten die in dienst waren van de hogepriester. De Joodse leiders wilden hem ter dood veroordelen, maar dat mocht alleen de Romeinse gouverneur, Pontius Pilatus, doen. Pilatus verklaarde echter in het openbaar niets te zien waarom Jezus ter dood zou moeten worden veroordeeld. De aanklagers bleven echter aandringen. Ook verklaarden ze dat Jezus zich 'koning der Joden' noemde en dat dit al een veroordeling zou rechtvaardigen. Pilatus kon hier niet goed onderuit komen als hij moeilijkheden met de Romeinse keizer wilde vermijden. Hij kon nog maar een oplossing zien van dit dilemma: het was traditie dat ter gelegenheid van het joodse feest Pesach een veroordeelde misdadiger gratie kreeg en het volk mocht kiezen welke dat zou zijn. Pilatus gaf nu de keus tussen Jezus en een moordenaar, veronderstellend dat het volk niet een misdadiger zou vrijlaten. Opgehitst door de leiders koos het volk echter voor vrijlating van de misdadiger Barabbas in plaats van Jezus. Jezus werd door Pilatus veroordeeld tot de dood aan het kruis. Hij waste daarbij zijn handen 'in onschuld'. Jezus werd op vrijdag aan het kruis genageld, waar hij kort voor de joodse sabbat, op de vooravond van het Pesach, stierf. Door Jozef van Arimathea werd Jezus begraven, in een graf dicht bij Golgotha.
Heel vroeg op de zondagmorgen gingen er vrouwen naar het graf om het lichaam van Jezus te verzorgen. Ze vonden hem daar echter niet, engelen vertelden hen dat Jezus was opgestaan. "Waarom zoekt u de levende onder de doden?" Kort daarop verscheen hij aan Maria Magdalena. Daarop gingen de vrouwen naar de discipelen, die hen niet geloofden. Toch gingen ze wel bij het graf kijken, Johannes en Petrus voorop. Diezelfde dag verscheen Jezus aan twee volgelingen die onderweg waren naar Emmaüs (de Emmaüsgangers). Nadat hij zich aan hen geopenbaard had (bij het breken van het brood) haastten ze zich terug naar Jeruzalem om het de discipelen te vertellen. Terwijl ze hun verhaal aan het doen waren, verscheen Jezus in hun midden. Hij beloofde hierbij de Heilige Geest te zenden en gaf ze de opdracht: "Zoals de Vader Mij heeft uitgezonden, zo zend Ik jullie uit."
Betekenis Met de christelijke viering wordt, evenals met de joodse viering, de uittocht uit Egypte (de exodus) herdacht, zij het metaforisch vanuit het werk van God in en door de persoon Jezus als Christus, door christenen beschouwd als de Zoon van God, de beloofde Messias, de Verlosser. Hij wordt in het Nieuwe Testament het paaslam genoemd, dat zichzelf vrijwillig liet offeren voor de verzoening van God met de mensen. Dit duidt op de symbolische betekenis van het offerlam, dat volgens de Mozaïsche voorschriften (Oude Testament, Pentateuch) en de tradities van de joodse godsdienst geofferd moest worden ter vergeving van zonden. Met de voorstelling van Jezus als het eeuwige paaslam werd in geestelijke zin een 'nieuw verbond' tussen God en mens aangeboden, gebaseerd op de genade, waarmee het oude verbond, gebaseerd op de wet, buiten werking kon worden gesteld. Wie in Hem gelooft, hoeft volgens de christelijke traditie niet meer 'onder de wet' te leven, maar valt 'onder de genade'. Deze begrippen en de verhoudingen tussen het een en ander zijn in onder meer de brieven van de apostel Paulus nader uitgewerkt.
Met het paasfeest wordt ook uitgekeken naar de verwachte wederkomst van Jezus op aarde.
Ontstaansgeschiedenis Pesach De oorsprong van het christelijke paasfeest ligt in de joodse traditie. Het joodse Pesach (in de christelijke liturgie Pascha) is nauw verbonden met de uittocht uit Egypte, de Exodus. De viering en herdenking hiervan werd volgens het Bijbelboek Exodus de avond voor de uittocht ingesteld en is de eeuwen door in verschillende vormen bewaard gebleven. Inherent is het herdenken van de grote daden van God aan het volk Israël. Hierin ligt het idee van 'bevrijding' besloten. Dit geldt ook voor het christelijke paasfeest, zij het vanuit een andere invalshoek. In Nederland herinneren tijdens Pasen de matzes (ongerezen broden) nog aan het joodse Pesachfeest. Volgens de Thora moesten de joden vlak voor hun vertrek in opdracht van God snel brood bakken zonder daar zuurdesem aan toe te voegen (Exodus 12:8). Deze matzes worden vóór Pasen verkocht door supermarkten en tijdens Pasen gegeten door zowel joden, christenen als niet-christenen.
Pasen rond het begin van de christelijke jaartelling In de tijd van Jezus was het Pesach, naast Sjavoeot en het Soekkot (het Loofhuttenfeest) een van de drie belangrijke pelgrimsfeesten. Het was nauw verbonden met het Massotfeest; beide werden in feite als één feest gevierd. Van heinde en ver kwamen de mensen naar de tempel in Jeruzalem. De betekenis was nog altijd: herdenking van de bevrijding uit Egypte en hoop op de komende verlossing door de beloofde Messias.
Het Laatste Avondmaal van Jezus en zijn volgelingen, de discipelen, was volgens de Evangeliën een Pesachviering. Men trof de voorgeschreven voorbereidingen de avond ervoor, de viering vond 's avonds plaats in Jeruzalem, er werd wijn gedronken, brood gegeten en een loflied gezongen, het Halleel. De vereiste kruiden en het woord 'ongezuurd' (brood) worden niet genoemd, maar dat kan komen doordat de evangelieschrijvers niet per se volledig pretendeerden te zijn, bepaalde onderdelen natuurlijk aanwezig zijn dus niet genoemd hoeven worden, en men zich bij de verslagen kennelijk concentreerde op wat men voor de eerste christenen van die tijd van belang vond.
Eerste christenen Ook de eerste christenen, van wie de meesten Joden waren, bleven aan de joodse feesten deelnemen, ook aan het Pesach. Gaandeweg werd het voor de christenen een tijd van vooral vasten ter herdenking van Jezus' lijden en een nachtwake. Later is een scheiding tussen de feesten gekomen, alleen al door het instellen van verschillende datums voor Pesach en Pasen (zie onder). De quartodecimanen hielden vast aan de oude manier van vaststellen van het paasfeest en werden daarom door de paus geëxcommuniceerd. Daarnaast was er nog een stroming (de montanisten genoemd) die vond dat het christelijke paasfeest gevierd moest worden op de eerste zondag na 5 april, en een stroming die meende dat het christelijke Pasen moest vallen op de eerste zondag na het joodse paasfeest. Omdat het feest daardoor ook vóór het begin van de lente kon vallen, werden de aanhangers van deze laatste stroming de proto-paschieten genoemd. Aan een vaste paasdatum dacht amper iemand.