De Dollard (Duits: Dollart, Gronings: Dollert of Dullert, bijnaam Ol Tjoard, Oostfries: Dullert, uitgesproken als Doelert) is een brakke zeeboezem in het verbrede deel van het Eems-Dollard estuarium, op de grens van Nederland en Duitsland. De Dollard is van noord naar zuid ongeveer negen kilometer breed en heeft een oppervlakte van ongeveer 100 km². Het gebied omvat 1.160 hectare kwelders en 7.700 hectare bij laag water droogvallende slikken, platen en wadden. Van de Dollardboezem ligt – althans volgens Nederlandse grensaanduidingen – ongeveer 70% in Nederland. Naar: J.A. de Roos, T. Jager en A.C. van Klinken, Vogelgebieden in Groningen, 2009.
Ook een deel van de rivier Eems – namelijk het Emder vaarwater en de monding van de Beneden Eems – wordt vanouds tot de Dollard gerekend. De Duitse stad Emden direct ten noorden van de Dollard en wordt doorgaans betiteld als de Hafenstadt am Dollart. De Eems, in het Duits Ems, stroomt door Duits grondgebied en mondt uit in de noordoostelijke hoek van de Dollard. Het water vervolgt daarna zijn loop via de Eemsmonding naar de Waddenzee.
In de Dollard is sprake van een getijdenverschil van meer dan drie meter. Het water is brak doordat het zeewater zich hier mengt met het water uit de Eems en de Westerwoldsche Aa. Het zoutgehalte varieert van 22 promille in het centrale deel tot 5 promille bij de monding van de Westerwoldsche Aa. Soortgelijke waarden worden gemeten in het Emder vaarwater en de Beneden Eems.
De Dollard is ontstaan aan het einde van de middeleeuwen. Daarbij zijn ongeveer twintig dorpen verdronken. Twee derde van het ondergelopen gebied is sinds de 16e eeuw weer terug gewonnen. Rondom de Dollard zijn de Dollardpolders te vinden; in Duitsland spreekt men over de Dollartmarsch. De vruchtbare bodem in deze polders wordt als Dollardklei betiteld; de vette modder heet Dollardslib.
Het grootste deel van de Dollard is vanaf 1980 omgevormd tot natuurgebied en behoort sinds 2009 tot het Werelderfgoed Waddenzee. Grote projecten als aanleg van een Dollardkanaal en de bouw van de Dollardhaven werden afgelast. De hydrografie van het Eems-Dollardgebied is sterk veranderd door de uitdieping van de Beneden Eems en de aanleg van de Geisedam. Hierdoor is sinds de jaren 90 een slibproblematiek ontstaan, die de economische en natuurlijke waarden van het gebied ernstig bedreigt.
Geografie Op de grens van Nederland en Duitsland bevindt zich de monding van de Westerwoldse Aa, die hier via het sluizencomplex Nieuwe Statenzijl uitmondt in de Buiten A oftewel het Schanskerdiep. Die staat weer in verbinding met de belangrijkste vaargeul van de Dollard, het Groote Gat. De andere hoofdgeul is het Kerkeriet. Beide geulen stromen uit in de Monding van de Dollard. Kleinere wadgeulen zijn Oude Geut, Dwarsgat, Bunderriet en Piksak.
In de Dollard liggen de zandplaten Heringsplaat, Reiderplaat, Hoogeplaat, Oostfriesche Plaat, Maanplaat, Hoogzand en Geise. Zuidelijker bevindt zich het slikkengebied De Laagte. In oudere publicaties worden ook Noordwal, Bolplaat, Koelderplaat, Leegtjerplaat, Uikerplaat, Diepeplaat en Moeplaat genoemd.
Op oude kaarten en in andere bronnen staan onder andere aangegeven Binder Aesterrijte, Noorderriet, Groote Riet, Veenriet (Veengeul), Dikke Riet,, Munnikeveensterriet, Visschersriet, Bekriet, Ganzeriet, Rille, (Oude) Beertstermude, Bellingwoldermude, Meentegat, Overloop, Stoeteriet, Balge, Leegtjergat, Uker- of Uikergat, Koert Oomsriet, Heringsgat, Blainriet, Sparregat, Schulpdalle, Oostergat, Aalriet (foutief: Aariet) of Oostfriesche gat, Zurentjeriet, Kleine Piksak, Piksak(-riet) en Veenriet. Het Schanskerdiep heette ook Zuidoost Rak.
Over de oorsprong van deze platen en geulen is weinig te zeggen. De morfologie van de Dollardboezem is uiterst dynamisch. Soms doorsnijdt een wadgeul een oude veenbank, waardoor de veenkluiten zich over de slikken verspreiden. Met bagger- en graafwerk en door de bouw van rijsdammen heeft men bovendien geprobeerd de loop van enkele vaargeulen te veranderen. Zo liep het eerste deel van de Buiten Aa (het Zuidoost Rak) in de 18e eeuw verder zuidelijk. De Beertstermude mondde rond 1800 bij de Punt van Reide uit, maar liep mogelijk eerder naar het noordoosten.19e-eeuwse wadkaarten laten een "vroegere loop van de Beerster Moe" aan de noordkant van de Heringsplaat naar het noordoosten richting Buiten Aa zien. Omdat de Oude Beertstermude begon te verzanden, wilde men in 1836 een nieuwe uitwatering naar het noorden tot in het Uikergat graven. Dat was kennelijk moeilijk. In plaats daarvan werd de zogenaamde Overloop uitgediept, waardoor de Beertstermude voortaan in de Buiten Aa uitmondde. Bij de aanleg van de Reiderwolderpolder in 1862 werd het plan uit 1836 alsnog gerealiseerd door de aanleg van een nieuw afwateringskanaal richting Leegtjergat.
Het Reiderzand is sinds de 19e eeuw grotendeels verdwenen; de Heringsplaat (eerder ook wel Heringsnetplaat genoemd) is naar het noorden verschoven. De vlakten midden op de zandplaten, waar de prielen ontsprongen, werden wel blainen ('blaren') genoemd.
Het eigenlijke Dollardgebied werd vanaf 1870 van de Beneden Eems gescheiden door aanleg van de Geisedam over de zandplaten en de Geisesteert.
Bij laagwater valt ongeveer 78% van de Dollard droog als wad. Tussen dit wad en de zeedijk bevindt zich een strook kwelderland, met een totale omvang van bijna 1.100 ha, waarvan 780 ha in Nederland en 300 ha in Duitsland. Aan Duitse zijde worden deze kwelders nog gebruikt door aangrenzende boerenbedrijven voor beweiding en hooiwinning. Aan Nederlandse kant is dat het geval in een gedeelte van 185 ha, dat eigendom is van de Maatschappij tot Exploitatie van het Onverdeelde Munnikeveen B.V. Het agrarische gebruik is onderworpen aan de natuurbeschermingsregels.
Geschiedenis
De naam Dollard De naam Dullard komt voor het eerst omstreeks 1494 voor in de kroniek van de abdij van Aduard. Ook de Groningse rector Wilhelmus Frederici noemt De Dullert in 1498/99. De naam is vermoedelijk afgeleid van 'groot gat in de grond, poel', 'kuil' Maar al snel verklaarde men dit uit de 'dolle aard' van de zeeboezem, vanwege 'het gewoel en de heftigheid van de golven en de woedende stormen op die plek' (aldus het Groningse stadsbestuur in 1544), of – zoals Ubbo Emmius het rond 1600 samenvatte – "vanwege de razernij van zijn golven" (a fluctuum rabie).
De naam Dullaert of Dollaert werd sinds de vijftiende eeuw ook gebruikt voor de Braakman in Zeeuws-Vlaanderen, waar volgens sagen in 1377 zeventien dorpen waren verdronken. Hij was vermoedelijk afgeleid van een oudere persoonsnaam, die 'domkop, dwaas, dolkop' betekende.Frans Debrabandere, Woordenboek van de familienamen in Zeeland, Brugge 2009, p. 91.
De naam Ol Tjoard duikt voor het eerst op in het werk van de volkskundige Tjaard W.R. de Haan, die het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog in Wagenborgen doorbracht. "Genadeloos kan hij tekeergaan, vandaar de duistere dreiging in zijn taboe-achtige bijnaam!", schrijft deze auteur in 1950.Tjaard W.R. de Haan, 'De Dollart in het volksverhaal', in: Driemaandelijkse bladen 2 (1950), p. 120-124, aldaar p. 120. Het gaat mogelijk om een practical joke die op De Haans eigen voornaam is gebaseerd.De Haan introduceerde de bijnaam in zijn bijdrage 'Toponymische Sprokkels in Groningerland', in: K.C. Peeters (red.), Miscellanea J. Gessler, Deurne en Den Haag 1948, dl. 1, p. 570-584, hier 584. De naam Ol-Tjoard komt voor het eerst voor in zijn gedicht 'Stad Raaide' (naar Klaus Groth), dat hij onder het pseudoniem Douko Potjer publiceerde in Dörp en Stad (april 1947), p. 36. Ook verwerkte hij de naam in een sage over Oterdum. Zie Tjaard W.R. de Haan, Smeulend vuur. Groninger volksverhalen, Den Haag 1974, p. 36-37, 42-45, 180.
thumb|400px|Dollard in de getijdenzone van de Eems
Ontstaan van de Dollard De Dollard is in de late middeleeuwen ontstaan ten gevolge van meerdere overstromingen en stormvloeden, die het oorspronkelijke veenlandschap grotendeels hebben opgeruimd. Daarbij gingen grote delen van de oude districten Reiderland en Oldambt verloren.
Vroeger meende men – in het voetspoor van Ubbo Emmius – dat de Dollard in het jaar 1277 was ondergelopen. Er werd gedacht aan de Marcellusvloed van het jaar 1362, die in Noord-Duitsland tot veel schade heeft geleid. In historische bronnen is daarover met betrekking tot de Dollard niets te vinden. Daarom wordt tegenwoordig vermoed dat de gebeurtenissen rondom het jaar 1413 hebben geleid tot het ontstaan van de Dollard.Nadat de lage dijken en sluizen tijdens een vetestrijd waren doorgebruiken, slaagde men er niet in deze weer te repareren.
Waarschijnlijk had het gebied al eeuwenlang te maken met wateroverlast, doordat het veenoppervlak te lijden had de van erosie, verwering en bodemdaling (klink). Archeologische vondsten laten echter zien dat bij Bad Nieuweschans, Vriescheloo en Scheemda nog in de vijftiende eeuw een zoetwatermilieu te vinden was. Daarentegen kenmerkte de omgeving van Pogum zich al in de dertiende eeuw door een zoutminnende vegetatie.
Het gebied werd doorsneden door twee rivieren: de Reider Ae en de Munter Ae, die via afzonderlijke sluizencomplexen in de Eems uitmondden. De Groningse kroniekschrijver Johan van Lemego verhaalt dat de sluizen van Reide tijdens een burgeroorlog werden vernield. De tekst suggereert dat dit in 1413 gebeurde, maar uit andere gegevens blijkt dat deze gebeurtenissen zich iets eerder moeten hebben afgespeeld. In de overlevering wordt de naam van de hoofdeling Tidde Wyneda als verantwoordelijke bestuurder genoemd. Mogelijk was de Ceciliavloed van 21 november 1412 voor de Dollarddijken fataal.Knottnerus, 'Dollardgeschiedenis(sen) – Mythe en realiteit'. Zes jaar later zou de zee al het dorp Blijham hebben bereikt. Er ontstond een brakke binnenzee, die zich tweemaal daags vulde en weer leegliep. Het water baande zich met geweld een weg door het resterende veen, dat in zijn geheel –werd opgetild en soms ook wegspoelde naar zee.
De oostelijke Dollardboezem vormde zich in de eerste helft van de vijftiende eeuw. Al in 1454 bouwden de inwoners van het gebied een nooddijk van de Punt van Reide tot aan Finsterwolde. Deze dijk liep van de vaste Eemsoever met een grote boog door het toenmalige laagveengebied naar de hogere zandgronden; hij brak al omstreeks 1466 door, maar de restanten schijnen nog in de 16e eeuw zichtbaar te zijn geweest.De bouwers van de Finsterwolderpolder in 1819 waren ervan overtuigd dat de buitendijk van deze nieuwe polder samenviel met de "Zoogenaamde Verdronken Kapitalen Zeedijk". Groninger Archieven, 817 inv.nr. 3383: Situatie teekening van de schorren of kwellerlanden, gelegen aan den Dollard in den Old Ampte (1818). De dorpen in dit gebied waren inmiddels verlaten. De westelijke Dollardboezem is vermoedelijk in de jaren na 1470 ontstaan. Hier werden de dorpen verplaatst naar hogere gronden.
Grote delen van het gebied kregen pas met de zee te maken nadat de Cosmas- en Damianusvloed (1509) het zeewater diep landinwaarts had gestuwd. Volgens Ubbo Emmius kregen ook de laaggelegen veengronden bij Midwolda pas toen te maken met het zeewater.Ubbo Emmius vermoedde dat de dijk van 1454 tot stand hield tot het begin van de 16e eeuw, maar daarna ten gevolge van de Saksische Oorlog werd verwaarloosd. Zie Gerhardus Outhof, Verhaal van alle de hooge watervloeden, in deeze en andere plaatsen van Europa, Groningen 1718, p. 178. Bij deze stormvloed braken ook de zeedijken langs de Beneden Eems, zodat het rivierwater zich door het schiereiland van Nesserland direct naar zee baande via de zogenaamde Frische Ems. Ook hier gingen enkele dorpen op de oude Eemsoever verloren. Latere pogingen van het Emder stadsbestuur om de rivier middels een damwand in zijn oude bed terug te dwingen, werden uiteindelijk opgegeven. De zeearm bereikte zijn grootste oppervlakte rond 1520.