De Stadsschouwburg Amsterdam (SSBA) is een theatergebouw aan het Leidseplein in Amsterdam en tevens de naam van enkele inmiddels verdwenen hoofdstedelijke schouwburgen aan de Keizersgracht en het Leidseplein. Het huidige gebouw dateert uit 1894 en is sinds 1982 een rijksmonument. Hoofdbespeler van de Stadsschouwburg is Toneelgroep Amsterdam. Vanaf 2018 vormen beide instellingen één organisatie, die tot 2026 bekend stond onder de naam ITA (Internationaal Theater Amsterdam).'Stadsschouwburg en Toneelgroep Amsterdam gaan fuseren' op parool.nl, 19 september 2017.

Geschiedenis De Rederijkerskamers thumb|Grote en Kleine Vleeshal, Nes, Amsterdam De eerste rederijkers verschenen tegen het einde van de 15e eeuw in Amsterdam. In de 16e eeuw organiseerden de rederijkers zich in zogenaamde rederijkerskamers, die men zou kunnen vergelijken met amateur theatergezelschappen. Zij stonden met hun liefde voor poëzie en retorica aan de wieg van het hedendaagse toneel.

Er waren destijds geen permanente theatergebouwen in Amsterdam. Men trad op in openbare ruimtes of op tijdelijke podia, of vanaf karren (bij processies). In Amsterdam ontstonden de rederijkerskamers De Eglantier, met als devies "In Liefde Bloeyende", en 't Wit Lavendel. De laatste werd ook wel de Brabantsche Kamer genoemd, vanwege de voornamelijk Brabantse en Vlaamse leden. Leden van beide rederijkerskamers kwamen samen op de zolder van de voormalige kapel van het Margarethaklooster tussen de Nes en de Oudezijds Voorburgwal, die na de Alteratie in 1578 in gebruik was als vleeshal. Tegenwoordig is hier het Vlaams Cultuurhuis de Brakke Grond.

De Academie aan de Keizersgracht (1617-1637)

In 1617 verlieten toneelschrijvers Samuel Coster en Bredero met hun aanhang de rederijkerskamer In Liefde Bloeyende en stichtten de Duytsche Academie, een instelling die naar voorbeeld van Italiaanse academies uit die tijd de wetenschap zou populariseren door voordrachten in de landstaal. De Academie was gevestigd in een houten gebouw aan de Amsterdamse Keizersgracht ter hoogte van nummer 384.

De Eerste Schouwburg aan de Keizersgracht (1637-1664) thumb|De Schouwburg van Van Campen, ca 1658)

Al snel werd de Nederduytsche Academie te klein. In het almaar groeiende Amsterdam ontstond de behoefte aan een permanent gebouw voor theatervoorstellingen. Men besloot de Academie plaats te laten maken voor de eerste stenen stadsschouwburg. Het theater werd door architect Jacob van Campen, later bekend van onder meer het Paleis op de Dam, ontworpen en kon december 1637 worden geopend. De kosten voor de bouw bedroegen 30.138 gulden.

De schouwburg zou op 26 december 1637 geopend worden met het speciaal daartoe geschreven toneelstuk Gijsbrecht van Aemstel van Vondel. Na protesten van de kerkenraad kon de schouwburg op 3 januari 1638 alsnog worden geopend.

Boven de poort van de schouwburg aan de Keizersgracht stond in de architraaf een vers van Vondel: De weereld is een schouwtoneel, Elck speelt zijn rol en krijght zijn deel. De poort is het enige deel van het gebouw van Van Campen dat nu nog bestaat.

thumb|Schouwburgbrand aan de Keizersgracht, 1772

De Nieuwe Schouwburg aan de Keizersgracht (1665-1772)

In 1664 werd de schouwburg van Van Campen ingrijpend verbouwd. Het gebouw werd uitgebroken, het toneel kwam op een andere plaats en er werd een stuk van de tuin bijgetrokken. Bovendien kwamen er beweegbare perspectivisch beschilderde decors, coulissen en ander "const- en vlieghwerk"Worp (1920), p. 128. De 'Nieuwe Schouwburg' was twee maal zo groot als de vorige, en werd op 26 mei 1665 geopend. Het gebouw werd regelmatig uitgebreid en aangepast.

Op 11 mei 1772 vatte het gebouw tijdens een voorstelling vlam, nadat een toneelknecht onvoorzichtig om was gegaan met de theaterbelichting, die in die tijd uit kaarsen bestond. De brand greep snel om zich heen, tastte 22 huizen in de omgeving aan, en was zo groot dat hij zelfs in Den Haag, Utrecht en op Texel kon worden gezien. Bij de brand kwamen 18 mensen om het leven, waaronder enkele zeer welgestelde Amsterdammers zoals stadsarchitect Cornelis Rauws die in de voorafgaande jaren het gebouw nog inwendig had verbouwd Zie Worp 1920, p.189; E.B.M.Lottmann, 'Jan Smit, een grote 18de eeuwse Amsterdamse timmerbaas', Bulletin van de K.N.O.B., 77 (1978), p.131-137. Zo zou de omgekomen mevrouw Teixeira de Mattos die avond juwelen ter waarde van 20.000 gulden gedragen hebben.Berends (1994), pp. 33-42.

De eerste schouwburg op het Leidseplein (1774-1890)

Na de brand werd het perceel van de schouwburg aan de Keizersgracht verkocht. In 1774 opende een nieuwe schouwburg, ditmaal op het Leidseplein, in die dagen niet meer dan een wagenplein bij de Leidsepoort. Deze door Jacob Eduard de Witte, Rauws' opvolger als stadsbouwmeester, ontworpen schouwburg bestond uit een houten constructie en werd om die reden de "houten kast" genoemd. Tijdens de Franse tijd was de schouwburg enige tijd staatsinstelling, in 1795 omgedoopt tot Nationale Schouwburg, van 1807-14 Koninklijke Hollandsche Schouwburg. Ondanks de staatsbemoeienissen wordt de periode 1795-1820 gezien als een bloeitijd van het classicistische theater, met steracteurs als Johanna Wattier, Ward Bingley, Andries, Helena en Anna Maria Snoek, Theo Majofski, Geertruida Hilverdink en de balletdanseres Polly Cuninghame. Johanna Ziezenis-Wattier speelde in 1811, bij het bezoek van Napoleon Bonaparte, de rol van Phaedra in de gelijknamige Griekse tragedie. Zowel de keizer als Wattiers tegenspeler, de Franse steracteur François-Joseph Talma, waren zeer onder de indruk van haar spel.Berends (1994), pp. 44-46.

Nadat de stad Amsterdam in 1826 de exploitatie zelf ter hand had genomen, ging het bergafwaarts met de schouwburg. Geleidelijk werden "serieuze" toneelstukken (treurspelen) vervangen door lichtvoetige komedies en vaudeville. De schrijver Alberdingk Thijm noemde de schouwburg rond het midden van de 19e eeuw een "vergaarbak van het vuilste draf der uitheemsche literaturen" en een "dampenden modderpoel" waarvan geen kunstgenot verwacht kon worden. Ook nadat de gemeente de exploitatie in 1859 uit handen had gegeven, bleef de kritiek op het lage niveau aanhouden. Pas in het laatste kwart van de eeuw kwam er een nieuwe opleving met steracteurs als Louis Bouwmeester, Theo Mann-Bouwmeester, Willem Royaards en Esther de Boer-van Rijk.

In 1872 vierde de als tijdelijk bedoelde "houten kast" op het Leidseplein haar eeuwfeest. Het brandgevaarlijke gebouw werd in 1874 ingrijpend verbouwd en van stenen buitenmuren voorzien. De façade aan het Leidseplein kreeg een imposant portico in neoclassicistische stijl. Ondanks de gedeeltelijke verstening brandde ook dit gebouw op 20 februari 1890 volledig uit. Bij deze brand vielen geen slachtoffers, maar vrijwel het gehele archief, de bibliotheek, de decors, de kostuums en rekwisieten waren verloren gegaan. Van het gebouw zelf bleven slechts geblakerde muren over.Berends (1994), pp. 9-19; 46-51.

De huidige schouwburg (na 1894) thumb|De Stadsschouwburg in 1894 De huidige schouwburg werd van 1892 tot 1894 gebouwd naar ontwerp van Jan Springer met medewerking van Jacobus Bernardus Springer en Adolf Leonard van Gendt. Tot 1938 bleef het gebouw vrijwel ongewijzigd. In 1940-1941 werd een eerste uitbreiding van het achtergebouw gerealiseerd, waarbij enkele huizen aan de Marnixstraat door middel van overkappingen en luchtbruggen over de bestaande steeg met de schouwburg werden verbonden. In de jaren 1950 verdween de steeg door nieuwbouw aan de zijde van de Lijnbaansgracht. In dezelfde periode werd de indeling van het voorgebouw gewijzigd, waardoor de oorspronkelijke heldere structuur verloren ging. Onder andere werd een compleet trappenhuis gesloopt en verdwenen enkele ingangen.Schmidt (2003), pp. 9-11.

In de periode na de Tweede Wereldoorlog gaven zowel de Nederlandse Comedie als De Nederlandse Opera en Het Nationale Ballet hun voorstellingen in de Stadsschouwburg. Toen in 1986 het Muziektheater werd geopend, vertrokken de twee laatstgenoemde gezelschappen, waardoor er meer ruimte kwam in het gebouw. In 1969 vond de Aktie Tomaat plaats in de Stadsschouwburg. In 1972 werd het Publiekstheater hoofdbespeler van de schouwburg, in 1987 opgevolgd door Toneelgroep Amsterdam.

Onder directeur Melle Daamen (2001-2016) kreeg de Stadsschouwburg een modernere uitstraling, onder andere door de inrichting van een grand café in de voormalige entreehal en door een bredere programmering.'Melle Daamen verlaat SSBA voor Theater Rotterdam' op theaterkrant.nl, 9 juni 2016. In 2005 werd de schouwburg, die tot dan toe een gemeentelijke organisatie was geweest, verzelfstandigd.Zie artikel 'Raad begeleidt verzelfstandiging van schouwburg' in De Volkskrant, 4 juni 2004 (online tekst). In 2009 vond een grote verbouwing plaats, waarbij een deel van het achtergebouw werd gesloopt en vervangen door nieuwe kantoren en studio's voor Toneelgroep Amsterdam. Deels boven de Melkweg werd een nieuwe vlakkevloerzaal gerealiseerd, de Rabozaal. De uitbreiding kostte 40 miljoen euro.

Per 1 januari 2018 zijn de Stadsschouwburg Amsterdam (SSBA) en Toneelgroep Amsterdam (TA) gefuseerd. De driekoppige directie bestond aanvankelijk uit Ivo van Hove (TA), Wouter van Ransbeek (TA) en Dianne Zuidema (SSBA).'Fusie Stadsschouwburg en Toneelgroep Amsterdam gaat door' op theaterkrant.nl, 19 september 2017. In de loop van 2018 trad Zuidema wegens "onoverbrugbare meningsverschillen" terug en werd vervangen door Margreet Wieringa, tot die tijd directeur van het DeLaMar. De naam van de fusieorganisatie is met ingang van het theaterseizoen 2018-19 Internationaal Theater Amsterdam.Internationaal Theater Amsterdam, persbericht op website stadsschouwburgamsterdam.nl, 31 januari 2018. Sinds 2023 bestaat de directie uit Clayde Menso (algemeen directeur), Eline Arbo (artistiek directeur) en Denise de Boer (zakelijk directeur).'Wie is wie?', op ita.nl, geraadpleegd op 30 december 2023.

Beschrijving gebouw Exterieur thumb|Voorgevel aan het Leidseplein (2022) De Stadsschouwburg beslaat een groot bouwblok tussen het Leidseplein, de Lijnbaansgracht en de Marnixstraat en bestaat uit drie volumes: het oude theater uit 1894, de Rabozaal uit 2009 en het kantorengedeelte, dat grotendeels schuilgaat achter fin-de-sièclegevels aan de Marnixstraat.

De schouwburg domineert door zijn vooruitgeschoven positie het Leidseplein. Het theater heeft een eclectische verschijningsvorm met elementen van de neorenaissance en de neobarok. De twee forse hoektorens zijn geplaatst in de as van de Leidsestraat. Opvallend is het grote balkon ('Ajaxbalkon') aan de voorkant, waaronder zich de hoofdingang bevindt en waar in het verleden de welgestelde theaterbezoekers droog uit hun rijtuigen konden stappen. Aan de kant van de Marnixstraat bevindt zich een kleiner balkon boven de voormalige koninklijke entree. De ingangen voor het overige publiek bevonden zich op de schuine hoeken van het gebouw en zijn thans buiten gebruik. Het gebouw is grotendeels opgetrokken van rode baksteen met accenten van natuursteen (onder andere sluitstenen, consoles, archivolten en waterlijsten) en diverse stucwerkdecoraties. De gevel wordt gesierd door twee betonnen beeldengroepen van Bart van Hove, die gered waren bij de brand van 1890 en begin jaren 1990 zijn gerestaureerd. Het circa 1,85 meter hoge beeld van de 'komedie' staat op de dakrand boven de centrale ingang geplaatst.Schmidt, pp. 7-9, 15-17.

De omvangrijke nieuwbouw uit 2009, waarvan de Rabozaal het meest in het oog springende onderdeel is, is een ontwerp van architect Jim Klinkhamer. De Nieuwe Foyer bij de Rabozaal zweeft als het ware boven de Lijnbaansgracht, wat zorgt voor een spectaculair uitzicht vanuit de Foyer over het water.

Interieur Voorgebouw