Ameland (; Standaardfries: It Amelân) is vanaf het westen gerekend het vierde bewoonde Nederlandse waddeneiland en behoort tot de provincie Friesland. Het gehele eiland valt onder één gemeente, die dezelfde naam draagt. Het waddeneiland, en daarmee de gemeente, telt inwoners en heeft een totale oppervlakte van , waarvan land en water (, Bron: CBSCSB StatLine - Opendata databank van het CBS).

Geografie De Waddeneilanden vormen de grens tussen de Noordzee en de Waddenzee die aan de zuidkant van de eilandenrij ligt. Ten westen van Ameland ligt het Borndiep met aan de overkant Terschelling, en in het oosten is bij helder weer nog net het nabijgelegen eiland Schiermonnikoog te zien.

Ameland bestaat voornamelijk uit zandduinen. Ten oosten van Buren ligt het Oerd, een drassig natuurgebied waar veel vogels leven en waar zeewater via een aantal geulen vrijelijk in- en uitstroomt. De totale strandlengte is 27 km en de totale lengte van de fietspaden is 100 km.

Duincomplexen Het eiland bestond in de 17e eeuw uit drie kleinere eilanden (og(h)en), die zelf hoofdzakelijk bestonden uit duincomplexen met bijbehorende mieden (hooilanden) en een enkel akkercomplex:

de dorpen Hollum en Ballum; de dorpen Buren en Nes en de Kooiplaats uit 1705; Het Oerd.

Aan zuidzijde lagen drie slenken die het eiland binnendrongen en de aanvoerroutes vormden voor het scheepverkeer: het Schuitegat bij Hollum, de Ballumersloot bij Ballum en de grote Slenk bij Nes. De laatste twee vormden tevens de scheiding tussen de drie eilanden.

Grondgebruik: Grieën, mieden en akkercomplexen thumb|left|De Ballumermieden op de kaart van 1854. De percelen waren in werkelijkheid nog verder versnipperd, hetgeen vanwege de schaal niet cartografisch kon worden weergegeven.

Hollum, Ballum en Nes (met de bijbehorende leijen: laag gelegen landen) hadden een eigen markegenootschap, dat de gemeenschappelijke landerijen beheerde. Rondom de drie eilanden lagen de gemeenschappelijke grieën (buitenduinse weidegronden: de gemeneweide), waar het vee van mei tot september -vaak door een herder- werd geweid en dat bij hoogwater werd bemest door slib. Het buitenduinse gebied werd door van zoden en zeewier gemaakte dijkjes (enigszins vergelijkbaar met de tuunwallen op Texel) gescheiden van het binnenduinse gebied om zo het vee buiten te houden. Aan aan binnenzijde waren deze dijkjes glooiend en aan de buitenzijde steil om zo het vee te kunnen weren en aan zuidzijde van het eiland als primitieve zeekering te kunnen dienen en aan noordzijde tevens als bescherming tegen het zandstuiven. Van september tot december werd het vee net als op andere eilanden in de gemeenschappelijke binnenduinse mieden en akkerlanden geweid: de zogenoemde vrijgang (vergelijkbaar met de oerol op Terschelling en overalweide op Texel). Alleen de dorpsgebieden zelf waren door hekken gevrijwaard van het vee. Vanaf december ging het dan op stal. Omdat het eiland regelmatig blootstond aan overstromingen werden de zodendijkjes regelmatig weggeslagen, waarbij vaak kolken ontstonden. De zodendijk tussen Nes en Buren werd weggeslagen in de 17e eeuw, zodat toen alleen nog de Hollumer- en Ballumermieden omringd waren. De mieden bij de Kooiplaats hadden geen dijk. Akkerlanden waren er nauwelijks op het eiland. Alleen ten noorden van Hollum bij De Blieke lag een soort van escomplex, al worden zowel Hollum als Ballum esdorpen genoemd. Er werden in de loop der tijd ook akkertjes onttrokken aan de mieden of de duingebieden. Deze werden Omlanden genoemd en bestonden uit hiemen (percelen). Er werden vooral aardappelen, rogge en peulvruchten verbouwd.

In 1770 werden de mieden van Ballum particulier verdeeld in 3 eggenEggen komen ook op Terschelling voor en op Ameland alleen in Hollum en Ballum. De betekenis is onduidelijk. Volgens Schönfeld betekent egge 'hoek land'. Volgens Slicher van Bath (die het vergeleek met de eggen bij Haarle) is het een ander woord voor es of enk, ofwel een akkercomplex. De naam komt volgens Naarding ook voor in stukken in Drenthe. Hommen onderzocht de betekenis van egge in Twente. Hij geeft aan dat de betekenis door de eeuwen heen ook veranderd kan zijn en de betekenis onzeker is. Bron: Hommen, B.H. "Eggen en einden", Driemaandelijkse Bladen 1953, p. 55. Op Twentse Taalbank. Gearchiveerd op 31 augustus 2021., verdeeld over 8 hoofddelen, die weer in 24 achtendelen waren verdeeld, zodat er in totaal 576 achtendelen ontstonden, die elk het recht gaven om 1 koe te weiden. De achtendelen zelf bestonden weer uit 3 pensieren (penningshuren). Elke boerderij bezat bij de verdeling een pensier in elk hoofddeel en zo in elke eg evenveel grond en evenveel grond in de grie, de miede en het akkercomplex. In 1840 werden de mieden van Hollum op ongeveer dezelfde wijze verdeeld over 6 eggen, die elk weer bestonden uit 6 twieren. In Nes is een dergelijke verdeling niet bekend. Bij deze verdelingen ontstonden zo een zeer groot aantal zeer kleine, onregelmatige en slecht ontsloten perceeltjes. Bij vererving werden de achtendelen verder opgesplitst in tot 15 nieuwe stukjes. In de loop der tijd trad zo een grote versnippering van grond op. Gebruikers die meer vee hadden dan grond konden het weiden vergoeden middels grazinggeld. Ook werden niet gebruikte stukken wel verhuurd aan andere dorpen. De meeste boeren hadden weinig land: in 1885 gemiddeld minder dan 5 hectare hooi- en akkerland. Vanwege dat feit hadden veel bewoners nevenactiviteiten in de zeevaart, zoals in de koopvaardij, de haring- en walvisvaart.

Landaanwinning In de loop der tijd werden steeds meer maatregelen genomen om de dreiging van de zee en zandverstuivingen tegen te gaan. Om de voortdurende zandverstuivingen tegen te gaan waardoor al meerdere dorpen verdwenen waren, werd vanaf het begin van de 19e eeuw op steeds grotere schaal helmgras aangeplant. Een zwak punt vormde het smalle deel van het eiland tussen Ballum en Nes. In 1785 moest de dijk bij de Ballumermieden meer landinwaarts verlegd worden doordat de zuidkust steeds meer te lijden had van de Slenk. In 1808 werd een eerste poging ondernomen om een stuifdijk door de slenk te leggen door een particulier uit Nes, maar deze brak nog hetzelfde jaar weer door. Een tweede poging door Rijkswaterstaat in 1828 iets noordelijker met behulp van rijsschermen hield het langer vol. In 1843 werd begonnen met het aanleggen van stenen oeverwerken ten westen en oosten van de stuifzanddijk. In 1844 brak de stuifzanddijk zelf echter weer door, maar werd weer gedicht en nadat de dijk tussen 1846 en 1851 door te mollen (met een molbord zand egaliseren) was versterkt tot een stroomleidam, bleef deze Môchdijk (of Moldijk) intact. In 1890 werd de Zwanewaterstuifdijk bij het strand aangelegd, waarmee het Hagedoornveld werd ingedijkt tussen Môchdijk en Zwanewaterstuifdijk en het gebied tussen Ballum en Nes definitief werd onttrokken aan de zee. Tussen Nes en het Oerd werd in 1893 de 3,6 kilometer lange Kooioerdstuifdijk aangelegd, waarmee het eiland Ameland definitief een feit was. Vanaf 1895 veranderde het aanzicht van het eiland verder door de aanplant van bosgebieden bij Nes.

In 1896 verordonneerde het Rijk dat de grieën van Hollum en Ballum net als de mieden ook verdeeld moesten worden. In 1901 werden deze vervolgens onderverdeeld, gevolgd door die bij Nes.

Ruilverkaveling Het enorme aantal versplinterde perceeltjes werd begin 20e eeuw als onhoudbaar gezien. Deze waren niet langer goed te bewerken. Ook vanwege het feit dat men er geen paden of wegen had en dus altijd over het land van een ander moest gaan om bij zijn perceel te komen. In Ballum was het aantal percelen opgelopen tot 3.659 met een gemiddelde oppervlakte van 520 vierkante meter, verdeeld over 119 eigenaren. Op initiatief van de Nederlandsche Heide Maatschappij werd daarom in 1915 de eerste ruilverkaveling van Nederland doorgevoerd in de Ballumer Mieden (ca. 190 hectare). Er werden toen paden en wegen aangelegd en gezorgd voor een betere afwatering. De 3.659 percelen werden teruggebracht tot 219 met een gemiddelde oppervlakte van ongeveer 7 hectare. Nadat in 1924 de Ruilverkavelingswet werd ingevoerd, werden in 1927 ook de Hollumer Mieden ruilverkaveld. De gronden van Buren werden vervolgens in 1929 verdeeld. Het onbedijkte gebied ten oosten van de Kooiplaats bleef onverdeeld. Hier was in 1921 de Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende Goederen op het Oosteinde, Oerd en Neerlands(ch) Reid opgericht, die er sindsdien jongvee en schapen weidt.

Zeedijk In 1896 was het waterschap De Grieën opgericht in Hollum en Ballum, dat zich sterk maakte voor de aanleg van een volwaardige zeedijk rond het eiland. Omdat Nes en Buren niet wilden mee-investeren, werd tussen 1913 en 1915 alleen een dijk van 8,7 km aangelegd rond die dorpen, waarbij de dijk afboog naar het noorden ten oosten van Ballum. In 1926 richtten de Staten van Friesland het waterschap Nes-Buren op om ook daar te komen tot een dijk. In 1929 werd deze 8 kilometer lange dijk aangelegd tussen de dijk van De Grieën en de duinen bij de Kooiduinen. De vroegere zodendijkjes verloren met de bedijking en ruilverkavelingen definitief hun functie en werden op grote schaal gesloopt. Tussen de pier en het dorp Nes ligt echter nog een zodendijkje.

Topografie

Dorpen thumb|Bevolkingsontwikkeling van Ameland 1800–2018

Op het eiland bevinden zich vier dorpen: Hollum, Ballum, Nes en Buren. Daarnaast bevinden zich er de buurtschappen Kooiplaats en Ballumerbocht.

Vroeger waren er nog andere dorpen en buurtschappen: Sier (westzijde): bij stormen "verdronken" en definitief verlaten na overstoven te zijn rond 1730De naam van dit dorp leeft voort in de veerboot MS Sier die samen met MS Oerd de veerdienst tussen het eiland en de vaste de wal verzorgt. De Blieke (Blieck, noordzijde Hollum, bij de vuurtoren), een overstoven buurtschap Koudenburg (Ameland) (bij Ballum, naast de Jan Roepesheide), buurtschap genoemd in 14e-eeuwse documenten Het Oerd (Op de Noord; oostzijde), ergens na 1584 verzwolgen. Swartwoude (Op Swarden Wolden; noord- of oostzijde), genoemd in de Amelander Monsterlijst van 1558

Deze verdwenen dorpen en buurtschappen zijn ontsloten middels een wandelroute over het eiland.

Hollum is het dorp met het oudste huis van Ameland, dat uit de 16e of vroege 17e eeuw dateert.Hoewel de jaartalankers in de huidige toestand het jaar 1516 vermelden, werden bij inventarisaties van de gevelaanduidingen te Hollum in de vroege 20e eeuw enkel de jaartallen 1651 (in 1916) en 1561 (in 1920-25) opgetekend. Mogelijk zijn de gevelankers na een restauratie verwisseld. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed geeft in het Rijksmonumentenregister als bouwjaar 1615 op. Zie https://cultureelerfgoed.nl/monumenten/7659 en https://www.amelanderhistorie.nl/products/oudste-huis-van-ameland/. Gearchiveerd op 3 december 2021.

Aantal inwoners per woonkern:

Aangrenzende gemeenten

Geschiedenis left|thumb|Kapiteinswoning op Ameland Geologisch gezien is Ameland een vrij jong waddeneiland. De afgelopen 7000 jaar is het hele waddengebied altijd dynamisch geweest; getijgeulen hebben zich regelmatig verlegd, ook de grenzen van het wadden- en kweldergebied en de locaties van de Waddeneilanden schoven regelmatig op. De ondiepe ondergrond van Ameland bestaat voor een groot deel uit een zandige strandwal, gevormd aan de noordzeekant van het eiland. Op deze strandwal zijn duinen opgewaaid vanaf het strand, aan de zuidkant werden kwelders gevormd.