De Latijnse School van Deventer was van voor 1150 tot 1848 een school waar jongens werden voorbereid op een religieus ambt of een studie aan een universiteit. Het was een zogenaamde Latijnse school, een schooltype dat eeuwenlang wijdverbreid was in Europa. De school behoorde oorspronkelijk als kapittelschool tot de Lebuinuskerk, de hoofdkerk van het Oversticht. Jongens werden er opgeleid tot diensten in de kerk of het kapittel. Mede doordat Deventer als Hanzestad een belangrijk knooppunt voor internationale handel was, groeide de school in bereik en betekenis.

Vanaf het eind van de 14e eeuw kende de school een bloeiperiode ten tijde van de Moderne Devotie, waarvan de oud-leerling Geert Grote de grondlegger was. Een van de scholieren in deze tijd was Thomas a Kempis, die zich na afronding bij de broederschap op de Sint-Agnietenberg aansloot. Het hoogtepunt kende de school aan het eind van de 15e eeuw met de opkomst van het renaissance-humanisme, onder het rectoraat van Alexander Hegius. Opvallend was de introductie van het onderwijs in Grieks, wat in West-Europa nog niet eerder had plaatsgevonden. Door de onderwijsvernieuwingen werd de school vermaard in een grote regio. Een van de leerlingen in deze tijd was Desiderius Erasmus, die als humanistische geleerde grote invloed zou krijgen op de westerse filosofie.

Na het overlijden van Hegius nam de internationale allure af. Het onderwijs in Deventer kreeg in 1630 wel een opleving met de oprichting van het Athenaeum Illustre voor hoger onderwijs, waarvoor de Latijnse School als plaatselijke vooropleiding diende. Met de opkomst van de Franse school en de Duitse school nam ook het lokale belang van de Latijnse School af. Het definitieve einde werd bewerkstelligd met de oprichting van een stedelijk gymnasium.

Het gebouw waarin de school van circa 1485 tot 1839 gehuisvest was bevindt zich aan het Grote Kerkhof, en staat in de 21e eeuw nog steeds bekend als 'de Latijnse School'.

Gebouw Schoolgebouw

Het pand aan het Grote Kerkhof waarin de school eeuwenlang gevestigd was, werd gebouwd in de tweede helft van de 15e eeuw, in gotische stijl. De oudste vermelding komt uit 1485, toen drukker Jacob van Breda zich er vlakbij vestigde. Op de bouwplaats had eerder een tufstenen gebouw uit de 10e en 11e eeuw gestaan van tien meter hoog, dat gefundeerd was op veldkeien. Restanten van de oude bebouwing zijn in het nieuwe gebouw opgenomen. Tufsteen bevindt zich nog in geveltrappen op de verdieping en de zolder, en in brokken in de noordelijke zijmuur. De tufstenen restanten behoren tot de oudste in Deventer. (2006), Tufsteen, duyfsteen, dufsteen; handel, bouw en sloop in harde bouwmaterialen in middeleeuws Deventer, in: H. de Beer, et al. (Reds.), Liber amicorum aangeboden aan Henk Nalis ter gelegenheid van zijn afscheid als archivaris van de Gemeente Deventer, pp. 21-30, geraadpleegd van www.academia.edu. Gearchiveerd op 11 december 2022.Hogenstijn (2007), p. 19

Het nieuwe gebouw werd opgetrokken uit kloosterstenen en bevatte kruiskozijnen van zandsteen. De opzet is een hoofdvolume met een kap parallel aan het Grote Kerkhof en een volume dat hier haaks op staat. Het is mogelijk dat enkele naastgelegen terreinen tevens tot de school hebben behoord. Uit de tijd dat de school in het pand gehuisvest was is weinig over het gebouw bekend. In het begin van de 17e eeuw schreef Gualtherus Sylvanus, rector aan de school, dat het gebouw in die tijd voldeed, maar oud was en in slechte staat verkeerde.Dumbar, p. 13 Geschiedschrijver Gerhard Dumbar (1743-1802) noemde het gebouw in 1801 vanwege de geschiedenis noemenswaardig, maar wat betreft het uiterlijk zeker niet. (1801), Hedendaagsche historie, of tegenwoordige staet van alle volkeren, [...] Behelzende de beschryving der Vereenigde Nederlanden, en wel in 't byzonder van Overyssel, Vol. 3, p. 208, div. drukkerijen, geraadpleegd van Google Books In de laatste jaren dat de Latijnse School het gebouw in gebruik had, werd het vanwege de grootte onder meer gedeeld met de Teeken-Academie-School. Het gebouw was smerig doordat het schoolbudget van de stad grotendeels naar het Athenaeum Illustre ging.

Winterresidentie De gemeente verkocht het pand in 1837, waarop de school in 1839 verhuisde naar het Landshuis. Gedurende een halve eeuw werd het pand 's winters bewoond door vooraanstaande families. Eerst kwam het in handen van Jan Willem Hendrik Teding van Berkhout, eigenaar van landgoed en havezate Hoenlo bij Olst. Van Berkhout liet het pand verbouwen tot winterresidentie voor zijn gezin. Omstreeks 1860 voorzag hij het van een gevel in empirestijl. Zijn zoon erfde het en verkocht het in 1880 aan advocaat Derk Dumbar (1848–1911), wiens zus het familiehuis Dumbar had betrokken.

Diverse bestemmingen Vanaf 1884 werd het pand opgedeeld in een woongedeelte en een commerciële ruimte. Laatstgenoemde ruimte werd gebruikt als café waarvoor in 1886 een winkelpui werd geplaatst. Maurits Ernest Houck, onder andere directeur van het Deventer museum voor stadsgeschiedenis en publicist, herontdekte het pand als Latijnse School. Net als Dumbar beschreef hij het gebouw als totaal onopvallend, zelfs zonder een inscriptie die van het rijke verleden blijk gaf. (1889), "Daventriensia", feuilleton, in: Deventer Courant, jrg. 52(50), geraadpleegd van Google Books

Een deurwaarder, die het gebouw in 1898 overnam, liet de begane grond er ten behoeve van een veilingzaal uit slopen. In 1907 kwam het gebouw in gebruik als restaurant en hotel met een terras op het Grote Kerkhof, waarna in 1919 een ingenieursbureau er zijn intrek nam en het verbouwde tot kantoor en magazijn. Vervolgens was het gebouw tot 1937 in gebruik door, en de laatste zes jaar ook in eigendom van, Rubberfabriek Vredestein. De inpandige woning werd verhuurd.

Majeure verbouwingen Van 1937 tot 1945 vonden ingrijpende bouwkundige veranderingen plaats, toen de NV Sallandsche Houthandel er gevestigd was. Eerst werden de begane grond en kelder 80 centimeter verlaagd, zodat het magazijn op gelijk niveau met de straat kwam te liggen. Aan de linkerzijde werd vervolgens een nieuwe, grote winkelpui ter breedte van vier traveeën geplaatst met een etalage en entree. Hierna werd het dak verlaagd en werd aan de achterzijde een verdieping toegevoegd. Aan de rechterzijde bevond zich een portiek met een trap die naar een voordeur leidde op het oorspronkelijke, ten opzichte van het maaiveld verhoogde niveau van het pand. De groei van de handel en de verslechterende bereikbaarheid deden een nieuwe eigenaar de handel doen verhuizen naar een industrieterrein, waarna het gebouw leeg kwam te staan.Hogenstijn (2007), pp. 54-64

In 1966 won Aldo van Eyck de prijsvraag voor een nieuw Deventer stadhuis. In zijn ontwerp was het stadsblok tussen het oude stadhuis en de IJssel, waar het voormalige schoolgebouw onderdeel van uitmaakt, voor nieuwbouw geweken. Vanwege geldgebrek werd dit plan niet uitgevoerd.

Restauratie

In 1968 werd het pand als rijksmonument geregistreerd.Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Monumentnummer: 12557 - Grote Kerkhof 6 7411 KT te Deventer, geactualiseerd op 23-02-2019, geraadpleegd van cultureelerfgoed.nl op 27-09-2019. Gearchiveerd op 8 augustus 2022. Gemeente Deventer werd weer eigenaar van het pand dat echter zonder bestemming bleef, waarop krakers er voor een tijd hun intrek namen. Na hun vertrek werd het gebouw in bruikleen gegeven aan jeugdhulporganisaties. Na fusies van deze organisaties werd een optie tot koop overgedragen aan NV Bergkwartier, de maatschappij die faam had verworven door de restauratie van grote delen in het Bergkwartier. Deze organisatie had inmiddels ook diverse panden in de omgeving van het schoolgebouw gerestaureerd, waaronder het oude pand van de drukker Jacob van Breda. NV Bergkwartier oefende de optie uit onder de bepaling dat de jeugdhulporganisatie het pand kon blijven gebruiken. Daarop werd in 1992 een aanvang gemaakt met de renovatie.

De gevel werd hersteld volgens ontwerp van architect dr. ir. E.J. Hoogenberk van het Buro voor harmonische architectuur, die de gevel in empirestijl uit omstreeks 1860 als uitgangspunt nam. Om de rijke geschiedenis als schoolgebouw zichtbaar te maken, werden in de voorgevel vier portretmedaillons (of tondo's) aangebracht naar ontwerp van Ela Venbroek-Franczyk. Deze bevatten (fantasie)portrettenVan Geert Grote en Alexander Hegius is het niet goed bekend hoe zij er uit hebben gezien. De afgebeelde portretten zijn zodoende grotendeels geïmproviseerd of gebaseerd op oudere creaties. van Geert Grote, Thomas a Kempis, paus Adrianus VI en Alexander Hegius. Van Adrianus VI werd lange tijd aangenomen dat hij leerling was geweest aan de Deventer Latijnse School, maar dat wordt sinds de 20e eeuw in twijfel getrokken. Voor het bovenlicht boven de voordeur maakte Venbroek-Franczyk een snijraam van Desiderius Erasmus. Hierboven staat de Latijnse tekst "Non scholae sed vitae discimus" ("Niet voor de school, maar voor het leven leren wij"), een omdraaiing van Seneca's uitspraak "Non vitae sed scholae discimus" ("Niet voor het leven, maar voor de school leren wij").

Rechts van de entree bevindt zich sinds 2014 een plaquette van de voorgevel met een korte toelichting in brailleschrift. Het bronzen reliëf is onderdeel van een reeks die de Duitse kunstenaar Egbert Broerken in opdracht van de Rotaryclub van Deventer maakte.Rotary (2014, 16 juli). Een tastbare stad op www.rotary.nl. Gearchiveerd op 27 november 2022.

Na verschillende bestemmingen werd het gebouw in 2018 in gebruik genomen als hotel.

School Beginperiode thumb|Deze in 1960/1961 deels gerenoveerde gotische gevel achter de kerk is een overblijfsel van een van de kapittelhuizen uit ca. 1300. Deze maakten deel uit van het Papenklooster, waarin zich vermoedelijk ook de school bevond.Lugard, p. 77Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Monumentnummer: 12633 - Kleine Poot 4 7411 PE te Deventer, geactualiseerd op 22-12-2017, geraadpleegd van cultureelerfgoed.nl op 27-09-2019. Gearchiveerd op 8 augustus 2022. (2010), Graven onder de Wankele Muur Archeologisch onderzoek op het terrein van het Deken Doyscomplex, Interne Rapportage Archeologie Deventer 32, Deventer: Gemeente Deventer, . (Foto 2001) Halverwege de 12e eeuw werd het instituut opgericht als kapittelschool behorend tot de Lebuinuskerk. Deze bestond dus al voordat paus Innocentius III in 1215 per decreet vastlegde dat elke kapittelkerk een kapittelschool moest hebben. Vanaf dat jaar worden de scholasters met regelmaat in bronnen genoemd.Hogenstijn (2007), pp. 8, 17 Kanunniken lieten in schoolse opzet lessen geven in het lezen en schrijven van Latijn. Ook koorzang was een belangrijk onderdeel, aangezien de school verantwoordelijk was voor de koralen in de Lebuinuskerk.Hogenstijn (2007), p. 11-13 Het kapittel zorgde voor een gebouw, schreef het lesrooster voor en wees een scholaster of rector aan. De school leidde in de 12e en 13e eeuw vooral op ter voorbereiding op religieuze studies en kerkelijke ambten. De eerste rector scholarium die bij naam bekend is heette Godschalk; hij was rector in 1311.Benders, p. 96 Naast het Lebuinuskapittel kreeg Deventer in de 13e eeuw met de Sint-Nicolaaskerk en de Mariakerk ook twee parochies. Waar die elders vaak een eigen school hadden, was dat in Deventer niet het geval.Moes-Jonasse, p. 15

Groeiend bereik