thumb|Slot van Koningsbergen, omstreeks 1900, de vroegere residentie van de Pruisische heersers thumb|De Poolse Corridor (1923) Kaliningrad (Russisch: Калининград; tot 1946 Koningsbergen; Duitse naam Königsberg in Ostpreußen; Pools: Królewiec) is een stad in het uiterste westen van Rusland en de hoofdstad van de oblast Kaliningrad.
Algemene situering Kaliningrad ligt in de historische regio Oost-Pruisen en was tot 1945 deel van Duitsland. Na 1945 kwam Kaliningrad in handen van de Sovjet-Unie. Sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 is dit gebied een exclave van Rusland, ingeklemd tussen Polen en Litouwen.
De stad ligt aan de kust van de Oostzee, aan de monding van de rivier de Pregolja (Pregel) en is een belangrijk verkeersknooppunt met een zeehaven en belangrijke spoor- en wegverbindingen. De luchthaven heet Chrabrovo. Er is ook veel industrie: machinebouw, metallurgische en lichtere industrie. Kaliningrad heeft voorts een universiteit, musea, theaters, opera, ballet en een dierentuin.
De stad Koroljov in de oblast Moskou heette tot 1996 ook Kaliningrad en was net als Kaliningrad genoemd naar de communistenleider en Stalin-handlanger Michail Kalinin.
Geschiedenis
Middeleeuwen Koningsbergen werd gesticht als een burcht van de ridders van de Duitse Orde op de plek van het Oud-Pruisische dorpje Twangste in januari 1255. Het eerste fort was van hout, maar werd al in 1257 vervangen door een stenen burcht. De burcht werd genoemd naar koning Ottokar II van Bohemen, die een bondgenoot in de onderneming was.
In de jaren die volgden vestigden zich Duitse kolonisten in het gebied die zich vermengden met de oorspronkelijke Pruisische bevolking. De laatsten assimileerden en namen eerst de Nederduitse en later na de Reformatie de Hoogduitse taal over. Het Oudpruisisch, net als Lets en Litouws een Baltische taal, stierf daardoor langzaam uit. Na circa 1700 werd deze taal door niemand meer gesproken.
In 1286 kreeg Koningsbergen stadsrechten. Hoewel de groei van de stad beperkt werd door haar eigen stadsmuren, verrezen er in het ommeland al snel andere nederzettingen. In 1300 kreeg ook het nabijgelegen Löbenicht stadsrechten. Hoewel beide steden in principe onafhankelijk waren, vormden zij in praktijk één nederzetting en de naam Koningsbergen werd al gauw voor beide steden gezamenlijk gebruikt. In 1327 kreeg een derde nederzetting (Kneiphof) ook stadsrechten, zodat het nu een drielingstad was geworden, met drie raadhuizen en drie burgemeesters. Deze merkwaardige toestand zou tot 1724 in stand blijven. In 1368 trad de stad toe tot het Hanzeverbond en in 1457 werd ze residentie van de hochmeister van de Duitse orde, nadat het westelijk deel van de Ordensstaat (West-Pruisen), waarin de oude residentie Marienburg lag, aan Polen was afgestaan.
Nieuwe tijd Na de secularisering van de Duitse Orde in de begintijd van de reformatie werd de stad in 1525 residentie van het hertogdom Pruisen. In 1544 werd een universiteit ingericht, die de naam Collegium Albertinum of kortweg Albertina kreeg, naar haar stichter hertog Albrecht van Brandenburg-Ansbach. In 1724 werden de drie steden die Koningsbergen vormden en vele eromheen gegroeide dorpen uiteindelijk verenigd tot één bestuurlijk geheel. Deze verenigde stad is de stad die de filosoof Immanuel Kant (1724-1804) zijn thuis zou noemen. Hij was hoogleraar aan de befaamde Albertina. De invloedrijke filosoof zou de stad zijn hele leven maar zelden verlaten; hij ligt naar verluidt begraven naast de Dom van Koningsbergen, in een speciaal mausoleum,The grave of the famed philosopher Immanuel Kant, Wikimapia dat echter in de Tweede Wereldoorlog leeggeroofd is.
Tussen 1740 en 1763 werd Koningsbergen geografisch centrum in verschillende oorlogen tussen Pruisen, Polen en Rusland en van 1758 tot 1763 was het door Russische troepen bezet. In 1772 kwam, onder koning Frederik II de Grote, ook West-Pruisen onder Pruisisch gezag. Zodoende raakten Oost-Pruisen en Koningsbergen hun geografisch geïsoleerde positie t.o.v. het overige deel van Duitsland (dat destijds deel uitmaakte van het Heilige Roomse Rijk) kwijt. Sindsdien heette Frederik II "König von Preußen“ in plaats van „König in Preußen“. In de nadagen van het Napoleontische keizerrijk was Koningsbergen het bestuurlijke en geestelijke centrum van Pruisen, waar een hervormingsprogramma werd ontwikkeld en de opstand tegen Napoleon militair werd georganiseerd. Vanaf toen zou Pruisen een belangrijke macht in Europa worden welke na 1815 vrijwel de gehele Noord-Europese Laagvlakte van Rusland tot aan de Nederlandse grens zou beheersen.
1815 - 1945 In de 19e eeuw werd de stad aanzienlijk vergroot als belangrijk oostelijk bastion van het Pruisische koninkrijk). In 1813 telde Koningsbergen 50.000 inwoners en kwam daarmee als tweede na de metropool Berlijn (met 170.000) maar voor andere Duitse steden. In 1864 telde de stad 100.000 inwoners, maar toen was ze door westelijker gelegen Duitse steden al lang voorbijgestreefd. Na inlijving van randgemeenten in 1910 telde ze 246.000 inwoners.
Na de Eerste Wereldoorlog moest het verslagen Duitsland een flink stuk van zijn oostelijke gebieden afstaan aan het heropgerichte Polen, zoals vrijwel geheel West-Pruisen. Oost-Pruisen met als hoofdstad Koningsbergen, bleef Duits, maar werd nu door de Poolse Corridor gescheiden van de rest van het land. Aangezet door de vijandige Poolse politiek, die erop uit was de tot enclave gedegradeerde provincie te isoleren en eventueel uiteindelijk te annexeren, werd vanuit Berlijn met omvangrijke subsidies voorkomen dat de economie zou instorten en de bewoners zouden wegtrekken. In 1925 was de bevolking toch nog verder gegroeid tot 287.000, waaronder vluchtelingen uit de gebieden die Duitsland aan het nieuw opgerichte Polen had moeten afstaan. In 1933 werd, vooral door annexatie van buurgemeenten, het aantal van 372.000 bereikt.
Toch kreeg de economie van Oost-Pruisen het tijdens de crisisjaren nog meer dan in de rest van Duitsland te verduren. De inwoners van Oost-Pruisen stemden mede daarom al vroeg in meerderheid op Hitlers partij en maakten van hun provincie een van de eerste bolwerken van de nazi's, vooral op het platteland want een eeuwenoude liberale gezindheid kon in Koningsbergen, zij het ondergronds, voortbestaan.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog vestigde Hitler zijn militaire hoofdkwartier de Wolfsschanze bij Rastenburg, een plaats ten zuiden van Koningsbergen in het huidige noordoosten van Polen. Gedurende het grootste deel van de oorlog lag de stad te ver van de frontlinies om door geallieerde bommenwerpers bereikt te worden. In augustus 1944 werd de historische binnenstad uiteindelijk echter toch grotendeels verwoest door Brits-Amerikaanse bombardementen. Adolf Hitler riep de stad in de laatste oorlogsmaanden uit tot vestingstad die tot elke prijs verdedigd moest worden door de inwoners. De meesten van de 370.000 inwoners bleven in de stad, tegen wil en dank omdat de nazi's iedere voor-evacuatie verboden hadden; op overtreding stond de doodstraf.
Verwoesting en verdrijving na 1944 Door de nazipropaganda waren de Russen afgeschilderd als nietsontziende beesten, een beeld dat aansloot bij de omvangrijke verwoestingen die het (toen nog tsaristische) Russische leger bij zijn inval in 1914 in Oost-Pruisen had teweeggebracht. De meeste Duitse burgers wisten overigens in 1944 ook af van de wreedheden die in Rusland waren begaan door het Duitse leger en vooral door de SS-commando's. Dat wraak genomen zou worden was toen een algemene verwachting. De tragedie van Nemmersdorf (een uitgemoord dorp in oostelijk Oost-Pruisen dat eind 1944 door het Rode Leger was bezet maar kort daarop door de Duitsers was heroverd) had duidelijk gemaakt dat de Russen inderdaad op een niets en niemand ontziende manier wraak kwamen nemen. Hoewel vaststaat dat gruwelijkheden daadwerkelijk hebben plaatsgevonden zijn er wel enige kanttekeningen te plaatsen, zoals uit een studie van Fisch uit 1997 naar voren kwam.Nemmersdorf, Oktober 1944, Was in Ostpreussen tatsächlich geschah Vast staat dat de burgerbevolking toen daadwerkelijk door de Sovjetsoldaten op weinig ontziende wijze ter dood is gebracht. De nazipropaganda maakte hier dankbaar gebruik van om de bevolking te motiveren om tot het uiterste verzet te gaan bieden.
De meeste burgers van Koningsbergen ontvluchtten in de laatste maanden van de winter van 1944-1945, toen de nazi's hun ijzeren greep op de bevolking vrijwel verloren hadden, de stad in westelijke richting naar de kust of de nabije havenstad Pillau, waar velen door de Duitse marine over de Oostzee werden geëvacueerd. Zichzelf voorhoudend dat ieder gewonnen uur het leven van duizenden wanhopige vrouwen, bejaarden en kinderen kon redden, vocht de Duitse Wehrmacht tegen zijn oppermachtige Sovjet-tegenstander. Niettemin kwamen veel vluchtelingen door Russisch (vliegtuig)vuur of door de strenge vorst om het leven. Ook verscheidene met tienduizenden vluchtelingen afgeladen schepen werden op de Oostzee getorpedeerd door Russische duikboten. Op 6 april 1945 zette het Rode Leger het eindoffensief tegen de stad in, waarna op 9 april de capitulatie volgde. De commandobunker van de laatste Duitse bevelhebber Otto Lasch is tegenwoordig een toeristische bezienswaardigheid in het centrum van Kaliningrad.
Bij de verovering door de Sovjets waren er nog 150.000 Duitse inwoners in de stad. Van de resterende bevolking kwam in de jaren 1945-1947 het overgrote deel, ongeveer 130.000 mensen, om door honger, ziektes en Russische wraakacties. Het noordelijk deel van Oost-Pruisen met Koningsbergen werd vlak na verovering geannexeerd door de Sovjet-Unie. De weinig nog resterende Duitse bevolking werd in de naoorlogse periode naar het huidige Duitsland gedeporteerd. De laatste Duitsers vertrokken, op enkele uitzonderingen na, in de jaren vijftig van de 20e eeuw.
Kaliningrad In 1946 werd de stad omgedoopt in Kaliningrad, naar Michail Ivanovitsj Kalinin, de kort tevoren overleden president van de Sovjet-Unie en een bondgenoot van Stalin. Dit ondanks het gegeven dat Kalinin met de stad nooit iets van doen had gehad en er al twee andere Russische steden naar hem genoemd waren (Kalinin, nu Tver, en Kaliningrad bij Moskou, nu Koroljov). Na de verdrijving van de Duitse bewoners werden de stad en omgeving herbevolkt door vooral Russen en kleinere groepen van meest Wit-Russen en Oekraïners.
1950 - 1991 Na de oorlog volgde een snelle wederopbouw, naar Sovjet-Russisch model. Hierbij werd het oude Duitse stratenpatroon grotendeels losgelaten en werd de bijna volledig verwoeste binnenstad deels herbouwd met grote, betonnen flatgebouwen. Daarvoor moesten de restanten van de historische bebouwing worden opgeruimd nadat de zwaarste muren, bijvoorbeeld die van het Pruisisch-koninklijke Stadtschloss (in 1968), eerst werden opgeblazen. Tijdens het Brezjnevregime was het beleid gericht op een totale verwijdering van alle historische bouwsubstantie die naar het Duitse verleden verwees. In de buitenwijken is die toch bewaard gebleven. Enkele grote gebouwen die herstelbaar waren zijn gerenoveerd en de geruïneerde dom mocht als waarschuwingssymbool blijven staan, en het graf van Immanuel Kant, dat tegen de buitenmuur was gebouwd, werd in ere hersteld. Kant werd immers gezien als filosofisch inspirator van Karl Marx en Friedrich Engels. De opvallendste nieuwbouw was het Huis van de Sovjets, een grauwe leegstaande betonkolos vlak naast de plaats waar voorheen het Stadtschloss stond, de burcht waaromheen de historische stad gegroeid was. Deze blikvanger heeft in Kaliningrad de bijnaam 'het Monster' verworven.