De BSA Gold Star-serie is een serie motorfietsen die van 1938 tot 1963 (met een onderbreking tijdens de Tweede Wereldoorlog) werd geproduceerd door het Britse merk BSA in Birmingham. De Gold Star was eigenlijk bedoeld als sportmotor, maar werd ook ingezet als wegracer, trials (enduromotor) en als scrambler (crossmotor). Omdat er volgens een modulair bouwsysteem naar de wens van de klant werd gewerkt kregen de verschillende uitvoeringen vaak geen verschillende typebenamingen.
Voorgeschiedenis
Red Star, Blue Star en Empire Star Hoewel de naam "Red Star" nooit als type werd gebruikt, leverde BSA al vanaf het begin van de jaren dertig tegen extra betaling soms motorfietsen met een klein rood sterretje op het distributiecarter. Dat betekende dat die motor een aantal speciale onderdelen had, waaronder een hoge compressie-zuiger, speciale nokkenassen en een racecarburateur. In 1932 werd de Blue Star-serie geïntroduceerd met de 350cc-L32-5 Blue Star en de 500cc-W32-7 Blue Star. De motor kreeg een geharde cilinder, een hoge compressie-zuiger, sterkere klepveren, racenokkenassen, een racebougie en een Amal-carburateur met acceleratiepomp en de machines hadden al een voetgeschakelde versnellingsbak. In 1936 werd de naam van deze serie veranderd in Empire Star met de komst van de 350cc-R5 Empire Star en de 500cc-Q8 Empire Star. De serie had haar naam gekregen vanwege het zilveren jubileum van Koning George V in 1936.Koning George V genoot niet lang van de eer: hij overleed op 20 januari 1936.
Val Page In 1936 kwam Valentine "Val" Page als hoofdconstructeur over van Triumph naar BSA. Hij werkte hard, want in 1937 had hij al bijna alle BSA-modellen voorzien van nieuwe motorblokken, zowel zij- als kopkleppers. Ze droegen allemaal zijn signatuur: Het oliereservoir dat aan de voorkant van het motorcarter zat werd vervangen door een normale, plaatstalen olietank onder het zadel, de magdyno (voor de ontsteking en de stroomvoorziening) verhuisde naar de achterkant van de cilinder en de stoterstangen werden opgeborgen in een tunnelvormige afdekking. Typisch (ook voor zijn Triumph-ontwerpen) was het vleugelvormige distributiecarter waar de tandwieltrein voor de magdyno in zat.
BSA M23 Empire Star racer In 1937 benaderde Bert Perrigo, hoofd van de sportafdeling van BSA, oud-coureur Wal Handley. Handley, viervoudig winnaar van de TT van Man en drievoudig Europees kampioen wegrace, was in 1936 gestopt met racen. Hij was net als Perrigo lid van de Midland Aero Club, een vereniging van luchtvaartenthousiasten en hobbypiloten. Perrigo haalde Handley over nog een keer aan de start te komen.
In 1937 nam Wal Handley deel aan twee door de BMCRC georganiseerde races op het circuit van Brooklands. Hij gebruikte daarvoor een door Len Crisp (frame) en Jack Amott (motor) getunede M23 Empire Star racer met een standaard gietijzeren cilinder en cilinderkop, maar met een hoge compressie zuiger zodat de compressieverhouding op 13:1 kwam. De motor had speciale racenokkenassen, een racemagneet voor de ontsteking en liep op methanol. Het vermogen werd geschat op 34 pk. Handley won de eerste race met een gemiddelde van 102,27 mijl per uur en in de derde en laatste ronde reed hij 107,57 mph gemiddeld. Dit rondegemiddelde leverde BSA een "BMCRC Gold Star"Wal Handley was niet de eerste die een "Gold Star" scoorde. De eerste werd - ook op Brooklands - al in 1921 verdiend door Douglas H. Davidson met een Harley-Davidson. op, een prijs voor een rondegemiddelde van meer dan 100 mijl per uur. In de tweede race botste Handley op een tegenstander, waarbij de motorfiets onherstelbaar beschadigd werd.
De gouden ster legde de basis voor de BSA M24 Gold Star, die in 1938 verscheen en op zijn beurt aan de basis zou staan voor de na-oorlogse BSA Gold Star-serie.
BSA M24 Gold Star (1938-1939) (JM24 Gold Star en KM24 Gold Star) In 1938 kwam een replica van de machine van Handley in de normale verkoop. Het was Val Page wel duidelijk dat de machine nooit een topracer kon worden, want hij had nog stoterstangen terwijl overal in de wereld al machines met bovenliggende nokkenassen, compressoren en meer cilinders verschenen. Bovendien was men bij BSA sinds het debacle tijdens de Isle of Man TT van 1921, waar geen enkele fabrieksrijder de streep haalde, wars van alles wat met fabrieksracers te maken had. Maar het Verenigd Koninkrijk kende ook de clubmanraces, waarin amateurs met snelle sportmotoren tegen elkaar streden. Een motor die daar goed in presteerde en ook nog gewoon te koop was leverde een geweldige promotie op. Het moest dan ook een echte topmotor worden. De JM24 Gold Star werd daarom ook met dure onderdelen en materialen gebouwd en elk exemplaar werd op de vermogensbank getest. Het motorblok was uit aluminium gegoten en de versnellingsbak uit het peperdure elektron. De topsnelheid van de M24 was "slechts" 145 km/h. Vergeleken met de machine van Handley was dat weinig, maar vergeleken met de concurrentie was het heel behoorlijk. Toch moest Page ook een concessie doen aan de boekhouders van BSA: het frame mocht hij niet opnieuw ontwikkelen, maar hij mocht er wel lichtgewicht Reynolds-531-buizen voor gebruiken. Door dat lichte frame vervielen ook de zijspanaansluitingen, maar de Gold Star was dan ook niet als zijspantrekker bedoeld. De machine kostte 82 pond en 10 shilling. Al in de zomer van 1938 keerde BSA op haar schreden terug. De M24 Gold Star kon als sportmotor niet echt concurreren tegen machines als de (tegelijk gepresenteerde) Triumph Speed Twin. Daarom werd halverwege het jaar al begonnen met de productie van het 1939-model KM24 Gold Star, dat veel "toeristischer" was met diepere spatborden, een instrumentenpaneel op de tank en het gereedschapskastje weer op de gebruikelijke plaats tussen de buizen van het achterframe.
Uitrusting De M24 Gold Star had een zwart frame en een verchroomde tank met matzilveren boven- en zijkanten. De spatborden waren aanvankelijk ook verchroomd, maar al in de zomer van 1938 werden ze zwart gespoten. Het instrumentenpaneel op de tank van de andere modellen ontbrak. Op die plaats zat een verzonken gereedschapskastje. De ampèremeter en de lichtschakelaar zaten op de koplamp. In 1939 werd dit veranderd. Er kwam toch een instrumentenpaneel op de tank en de gereedschapskast werd rechts tussen de buizen van het achterframe geplaatst.
Motor De motor van de M24 Gold Star was een dwarsgeplaatste luchtgekoelde staande eencilinderkopklepper met een boring van 82 mm, een slag van 94 mm en een cilinderinhoud van 496,4 cc. Cilinder en cilinderkop waren uit aluminium gegoten. De in- en uitlaatkanalen, de vliegwielen en de carters werden gepolijst. De krukas draaide rechts in een rollager en links in zowel een rollager als een kogellager. Ook de drijfstang had een rollager. Het vermogen bedroeg 28 pk. De motor had een dry-sump-smeersysteem, waarbij het oliecompartiment in het carter was vervangen door een normale olietank rechts onder het zadel, naast de accu. De ontsteking en stroomvoorziening werden verzorgd door een magdyno van Lucas die door Val Page nu achter de cilinder was geplaatst en de carburateur was geleverd door Amal, twee bedrijven die eveneens in Birmingham gevestigd waren. Het was een Amal 10TT-carburateur in plaats van de gebruikelijke Amal 76. Het distributiecarter zat rechts, net als de stoterstangen. Via het distributiecarter werden ook de magdyno en de oliepomp aangedreven. De machine had een enkele uitlaatpoort (de andere modellen konden toe nog met een Two Port uitlaat geleverd worden, maar dat leverde wel extra gewicht maar geen extra vermogen op) en een laaggeplaatste deegroluitlaat met een los demperstuk zodat ze langer en korter kon worden gemaakt voor optimale prestaties. Vanaf de zomer van 1938 (1939-model KM24) werden de stoterstangen opgeborgen in een tunnel. Niet het losse exemplaar van de andere modellen, maar ingegoten in cilinder en cilinderkop met klembouten om beide delen aan elkaar te koppelen.
Transmissie Links op de krukas zat een tranmissiedemper om de transmissie tegen de klappen van de motor te beschermen. Daar zat ook de primaire ketting die de meervoudige droge plaatkoppeling aandreef. De vierversnellingsbak was inwendig gelijk aan die van de Empire Star, maar het carter was van elektron. Op de versnellingsbak zat de kickstarter. Ook de secundaire aandrijving gebeurde door een ketting.
Rijwielgedeelte De M24 Gold Star had een semi-dubbel wiegframe dat was opgetrokken uit de lichte Reynolds-531-buizen met een hoge trekspanning. De voorvork was een parallellogramvork die werkte volgend het girder-principe met een enkele centrale veer en een frictie-schokdemper. Achtervering was er niet. In beide wielen zaten trommelremmen.
BSA M24 Gold Star Competition (1938-1939) De BSA M24 Gold Star Competition was een terreinmotor, bedoeld om ingezet te worden in "Trials", wat later enduro werd genoemd. De machine had een upswept pipe-uitlaat, smalle spatborden en terreinbanden en kostte 85 pond. Dit was waarschijnlijk het enige echt populaire model in de M24-serie. Door het lage gewicht en de trekkracht onderin was het erg geschikt voor terreinwedstrijden, ondanks de slecht schakelende versnellingsbak die in dit model een BSA W-M20-binnenwerk had.
BSA M24 Gold Star Track Racer (1938-1939) De M24 Gold Star Track Racer was de echte replica van Wal Handley's Empire Star racer met een Brooklands can-fishtail pipe, een hoge compressie-zuiger en een Lucas-racemagneet. Met de compressieverhouding van 12,5:1 leverde deze machine niet minder dan 36 pk, waardoor 100 mijl per uur gehaald kon worden. Dit was op dat moment het duurste model van BSA, met een prijs van 92 pond en 10 shilling. Het is echter niet waarschijnlijk dat er zelfs maar een machine verkocht is. BSA had nu eenmaal geen reputatie als sportmerk en bovendien was de slogan "The Unapproachable Norton" feitelijk waar als het 500cc-racers betrof. Al sinds 1931 was de Norton International de snelste Britse machine in de Senior TT op het eiland Man. De Norton was zelfs nog twee pond goedkoper dan de BSA.
Einde productie Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak moest BSA de productie van alle civiele modellen stopzetten. De M24 Gold Star had geen grote indruk gemaakt. Van het 1939-model KM24 werden slechts 266 exemplaren gebouwd, waarvan 85 voor de export. BSA had de machine omgebouwd tot meer toeristisch model, maar toerrijders waren niet gecharmeerd van het harde uitlaatgeluid en de herrie van het kleppenmechanisme.
Tweede Wereldoorlog Tijdens de Tweede Wereldoorlog draaide BSA volop oorlogsproductie en er werd zeven dagen per week gewerkt. Men produceerde machinegeweren, snelvuurkanonnen, luchtdoelraketten, affuiten, antitankgeweren en gewone geweren. Daarnaast ook de 125.000 BSA W-M20 motorfietsen die als militaire modellen waren gekozen. Men moest ook nog de verloren motorfietsen door de evacuatie uit Duinkerke vervangen, maar ook de juist opgerichte Local Defence Volunteers (later bekend als de Home Guard) van motorfietsen en wapens voorzien. De fabriek werd tijdens het bombardement op Coventry (14 november 1940) gebombardeerd waarbij 53 doden en 89 gewonden vielen. Uiteraard viel de productie van luxe modellen en sportmotoren stil, maar omdat BSA meerdere fabrieken had kon de productie van militaire motorfietsen snel weer worden opgestart.
BSA B31
Al in 1945 wist BSA de 350cc-B31 op de wielen te zetten. Die had een moderne door Herbert Perkins ontwikkelde telescoopvork, maar verder gebruikte men de techniek van Val Page van voor de oorlog. De machine was al leverbaar als straatmotor (B31) en als terreinmotor (B32 Competition).