thumb|Haarlemmerhout 1910, nadat de Hout door Leonard Springer was gereorganiseerd Tuinarchitectuur in Nederland is een aspect van de leefomgeving dat in de loop der eeuwen evoluties heeft gekend.
Het onderzoek naar de architectuur en de beplanting van historische tuinen is wat betreft Nederland in de laatste decennia van de 19e eeuw langzaamaan ingezet, onder andere vanwege de mode in de tweede helft van de 19e eeuw om tuinen te ontwerpen geïnspireerd op de Renaissance en barok. Zo bracht de tuinarchitect Leonard Springer alle kennis over de Haarlemmerhout bijeen in zijn boekje De Haarlemmerhout van 1583-1896 (1896), omdat hij zich realiseerde dat dit een park was met een geschiedenis die al terugging tot in de 16e eeuw. C.H.C.A. van Sypesteyn wilde zijn familiekasteel herbouwen en daarbij onder meer een middeleeuwse lusthof aanleggen, de reden waarom hij zijn opgedane kennis verwerkte in het boek Oud-Nederlandsche Tuinkunst (1910).
Na een uitputtend Bibliografisch overzicht van geschriften, boek- en plaatwerken op het gebied der tuinkunst, geschreven door Leonard Springer (1936), kwam de schrijfster Anna Bienfait eigenlijk als eerste met een geschiedenis van de Nederlandse tuinkunst. Zij schreef het boek Oude Hollandsche Tuinen (1943, tekstdeel en platendeel).
Bij bestudering van al deze boeken en geschriften blijkt al heel snel dat de historische tuinen in Nederland geworteld zijn in de Italiaanse, Franse, Engelse en Duitse traditie. De voorbeeldfunctie van deze landen komt eigenlijk op de eerste plaats als er gekeken wordt naar wat de karakteristieke kenmerken zijn van de Nederlandse tuinkunst en daarna volgen pas de aard van de locatie, de bodem, het klimaat, de ontstaansperiode, het talent en het fortuin van de eigenaar, de familietraditie en ten slotte de kunde van de tuinarchitect.
Na de Tweede Wereldoorlog, in de tijd van de Wederopbouw, was er tijdelijk geen belangstelling voor Nederlandse tuinkunstgeschiedenis totdat vanaf de jaren zeventig Henri Wolter Matheus van der Wyck (1927-2001) het onderzoek weer oppakte. Zijn boek De Nederlandse Buitenplaats was het begin van nieuwe interesse voor dit onderwerp.
Historisch overzicht Middeleeuwen thumb|Horigen aan de arbeid. Uit manuscript van Crescentiis, ca. 1305 Er zijn verschillende bronnen over middeleeuwse tuinen bekend, maar geen daarvan gaat expliciet over tuinen in het gebied van de Nederlanden. De meeste geschriften gaan over het kweken en het toepassen van nuttige planten. Algemeen bekend zijn de verordening Capitulare de villis vel curtis imperii (812) van Karel de Grote en het gedicht Liber de cultura hortorum / Hortulus (842) door Walahfrid Strabo. Het Capitulare is niets meer dan een lijst met geneeskrachtige planten en moeskruiden, die door de horigen geplant dienden te worden op alle keizerlijke domeinen, zoals op Het Valkhof in Nijmegen. Het gedicht Hortulus behandelt bijna dezelfde planten die monniken teelden in hun kloostertuinen. Er kan aangenomen worden dat deze planten in de kasteeltuinen van het Muiderslot en van Keukenhof en in de kloostertuinen van bijvoorbeeld het klooster Leeuwenhorst in Noordwijkerhout en van de abdij Mariëndaal in Arnhem zijn toegepast.
Een middeleeuwse klooster-plattegrond uit Nederland is tot heden niet bekend. Wel bekend is het middeleeuwse kloosterplan van Sankt Gallen in Zwitserland. Dit is waarschijnlijk een ideaal-plan voor de bouw van een Benedictijnenklooster. Op deze plattegrond staat een kloostercomplex met pandhof afgebeeld, welke laatste door een padenkruis in vieren wordt gedeeld en die grenst aan de zuidgevel van de hoofdkerk. Daarnaast zijn ook twee kleinere pandhoven ten noorden en ten zuiden van de novicenkerk te onderscheiden. Vervolgens twee kruidentuinen met langwerpige plantbedden, een bij de ziekenboeg van de novicen en een ten zuiden van de boomgaard en de begraafplaats. Alle tuinen zijn vierkant of rechthoekig van vorm en opvallend is dat de richting van de kruidenbedden in beide gevallen noord–zuid verloopt, zodat de planten op de bedden het meeste licht opvangen.
De indeling van de kasteeltuin werd beschreven door de monnik-theoloog Albertus Magnus. Zijn geschriften zijn te beschouwen als commentaren op de werken van Aristoteles. Petrus de Crescentiis nam Albertus’ tekst over in zijn boek In commodum ruralium,(manuscript uit 1305; gedrukt in 1493). Over de indeling van de groene lusttuinen of viridaria zei Albertus o.a. het volgende: De tuin moet bestaan uit een vierkant (open) grastapijt, dat rondom met bedden wordt afgeperkt en beplant met aromatische kruiden en lieflijke bloemen. Naar het noorden en oosten toe moet de tuin open zijn zodat de zuivere lucht kan binnenstromen. Verder plaatst men te midden van deze bloemen en dit grastapijt een bank belegd met graszoden om uit te rusten. En enkele bomen met welriekende bloesems en klimplanten moeten aan de zonkant worden geplant. Als het mogelijk is moet bronwater naar het midden van de tuin worden geleid. Petrus de Crescentiis voegt hier nog iets aan toe over de maat van de tuin: .. en wel zo van maat dat de tuin groot genoeg is voor hen die in die tuin moeten staan. Men stelt zich dan voor een groepje edelen die in de tuin staan te converseren, zoals men op miniaturen ziet.
In hoeverre middeleeuwse kloostertuinen en lusthoven in Nederland beïnvloed zijn door het keizerlijke hof van Karel de Grote en geschriften van kloosterlingen uit Zwitserland en Duitsland is niet duidelijk. Het boek van de Italiaan Crescentiis geeft voor het eerst een getekend beeld van de gebruikte planten in die tijd. Hoe deze tuinen eruitzagen is op sommige miniaturen (bijvoorbeeld van de Gebroeders Van Limburg) te zien.
Renaissance Na de Reformatie verdwenen de rooms-katholieke kloosters in Nederland. Het humanisme kwam op en daarmee de oriëntatie op de klassieke oudheid. De dichtwerken van Vergilius werden door Karel van Mander in 1597 in het Nederlands vertaald onder de titel Bvcolica en Georgica, dat is, Ossen-stal en Landt-werck….Bvcolica en Georgica, dat is, Ossen-stal en Landt-werck…
Voor de Renaissance-architect Andrea Palladio waren de tien boeken van de Romeinse architect Vitruvius, getiteld De Architectura Libri X, een belangrijk uitgangspunt. Vitruvius beschouwde architectuur als afspiegeling van het menselijk lichaam. De maten van duim, palm, voet, el en andere lichaamsdelen werden door hem als natuurlijke basismaten beschouwd in een sluitend stelsel van verhoudingen.
Leonardo da Vinci tekende de Mens van Vitruvius, passend in een cirkel en een vierkant. Daarnaast waren Vitruvius’ theorieën gebaseerd op Pythagoras, die ontdekt had dat getallenverhoudingen in de muziek een belangrijke rol spelen. Vitruvius' ideale verhoudingen in de bouwkunst zijn 1:1 (prime), 1:2 (octaaf); 2:3 (kwint), 3:4 (kwart) en 3:5 (grote sext).
Vincenzo Scamozzi ten slotte bracht in 1615 alle kennis over verhoudingen samen in zijn traktaat L'Idea dell'Architettura universale. In de architectuur van de Renaissance, dus ook in de tuinarchitectuur, spelen deze theorieën over juiste verhoudingen en over symmetrie en harmonie een allesoverheersende rol.
Deze harmonieuze verhoudingen zijn terug te vinden in de ontwerpen van Hans Vredeman de Vries, samengebundeld in zijn werk Hortorum viridariorumque ... formae.Hortorum viridariorumque ... formae Hij geeft naast vele tuinmodellen ook nauwkeurig aan waar de planten in de tuinbedden in zijn visie geplant zouden kunnen worden. Hierbij valt ook duidelijk op hoe weinig variëteit aan sierplanten er eigenlijk was. thumb|Leonardo da Vinci. Mens van Vitruvius. Foto Luc Viatour.
Ook afgaande op de kruidenboeken van Rembert Dodoens en Carolus Clusius, blijken er weinig sierplanten in voor te komen. Dodoens was arts van beroep en dat is duidelijk te zien als zijn beschrijvingen van de planten wordt gelezen. Bij elke plant vermeldde hij de naam in zo veel mogelijk talen, de plaats van voorkomen in het wild, het beeld en de habitus van de plant en ten slotte de medicinale betekenis van de plant en hoe men het medicijn moest bereiden.
Clusius was naast arts ook wetenschapper en beschikte over een groot Europees netwerk van geleerden. Hij verzamelde met behulp van zijn contacten zo veel mogelijk planten uit andere landen, allen beschreven in zijn boek Rariorum plantarum historia (1601).Rariorum plantarum historia (1601). In 1594 werd hij tot hoogleraar in Leiden en tot prefect van de Leidse hortus benoemd. In die rol ontving hij ook vele planten waaronder bloembollen zoals van de tulp uit Turkije. Het is zijn verdienste geweest dat de tulp naast een groot aantal andere introducties zoals de aardappel en de tomaat, een bijzondere plaats heeft gekregen in de Nederlandse tuincultuur.
Als men nagaat hoe de tuinen er bij Dodoens en Clusius uitzagen, dan ziet men op de titelpagina’s van hun boeken hetzelfde beeld als bij Hans Vredeman de Vries, rechthoekige of vierkante tuinen verdeeld in vakken (afgeperkt door planken of recht opstaande bakstenen) en langs assen aangelegd en de langwerpige en ronde en ovale bedden schaars beplant, niet met groepjes planten bij elkaar, maar met solitaire planten die vragen om bestudering en bewondering door de Renaissance-mens.
Gouden Eeuw Voor Nederland opent de Gouden Eeuw voor wat betreft de tuinkunst met een bijzondere bloemencollectie, getekend door Crispijn van de Passe. Zijn prentenserie Hortus Floridus (1614)Hortus Floridus beschreef (gekweekte) sierplanten die per seizoen werden voorgesteld. Deze planten werden geschikt geacht om kleine tuinen, zoals ontworpen door Hans Vredeman de Vries, op te fleuren. Na het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), toen de nieuwe tuinopvattingen uit Italië zich langzamerhand verspreid hadden over de rest van Europa en even later (1658) Nederland kennis had gemaakt met de Nederlandse vertaling van het boek over architectuur van Vincenzo Scamozzi, kwam de tuinaanleg bij (boeren)hofsteden in Hollandse classicistische stijl op gang.
Zo liet Frederik Hendrik van Oranje in de eerste helft van de 17e eeuw tuinen aanleggen bij Paleis Honselersdijk in Naaldwijk (1621), bij Huis ter Nieuwburch in Rijswijk (1630) en bij Paleis Huis ten Bosch (1647), gevolgd door Constantijn Huygens en Jacob Cats met hun buitens Hofwijck en Sorghvliet of Catshuis. In al deze tuinen zijn heel duidelijk de Renaissance principes van symmetrie en harmonie en de ideale maatsystemen van Vitruvius en Andrea Palladio terug te vinden. Ook Frederik V van de Palts, een neef van Frederik Hendrik, die in Heidelberg de Hortus Palatinus had laten ontwerpen door Salomon de Caus, liet in deze tijd nadat hij was verjaagd uit Bohemen, een koninklijke tuin aanleggen in Rhenen langs de Rijn.
In de eerste helft van de Gouden Eeuw werden nog steeds maar met mondjesmaat sierplanten gebruikt. De deeltuinen binnen de Hollands classicistische tuinaanleg bestonden uit schaars beplante bloementuinen in één- of tweezijdig symmetrische patronen of uit zogenaamde "parterres de broderie ", waar de sier niet werd gemaakt met bloemen maar met borduurwerken van laaggehouden buxusslingers, waarvan men het meest genieten kon als men er op neerkeek vanuit de bel-etage van het huis of vanaf omringende verhoogde terrassen.
Jan van der Groen gaf in zijn boek Den Nederlandtsen Hovenier (1670)Den Nederlandtsen Hovenier vele modellen voor deze "parterres" en hij volgde hier voorbeelden van de Fransen Boyceau, Loris en Rabel. Het voornaamste kenmerk van de Hollands classicistische tuin is dat het tuinoppervlak qua vorm een overzichtelijke rechthoek is (niet al te groot), dat het huis op de midden-as staat, dat de tuin wordt omgeven door een gracht en/of boomsingel, dat de tuin symmetrisch in vakken is gedeeld en dat de deeltuinen versierd zijn met buxusparterres. Boomgaarden en moestuinen werden opgenomen in de totaal-aanleg. thumb|Uit het boek Hesperides (1646) van Ferrari: Aurantium corniculatum