thumb|Kaart van de regio in 2007 thumb|Hoe is het conflict tussen Israëliërs en Palestijnen ontstaan? - Universiteit van Nederland

Het Israëlisch-Palestijns conflict is de strijd om de soevereiniteit over historisch Palestina, sinds de opkomst van het politieke zionisme aan het eind van de negentiende eeuw in Europa en daarmee de kolonisatie in Palestina. Sinds de stichting van de staat Israël (1948) in dit gebied heeft deze strijd zich in hevige mate ontwikkeld tot een conflict tussen deze staat en de inheemse Arabische Palestijnen. Het is een onderdeel van het Arabisch-Israëlisch conflict.

Europa begin 20e eeuw Eind 19e eeuw was door Theodor Herzl het idee van politiek zionisme op papier uitgewerkt en was de Zionistische Wereldorganisatie opgericht. De gedachte kwam op om grondgebied te vinden voor de Joden. Meerdere opties werden overwogen, zoals Oeganda, Brits Guiana, Palestina en Argentinië. In zijn boek Der Judenstaat (1896) vroeg Herzl zich af of de voorkeur moest worden gegeven aan grondgebied in Palestina of in Argentinië. Hij liet deze vraag open, maar heeft een duidelijke voorkeur voor Palestina en beschrijft het gebied als ons onvergetelijk historisch huis.In de originele Duitse editie van Der Judenstaat (1896) staat het onder de kop “Palästina oder Argentinien?”. De hoofdstukindeling heeft geen nummering

Tijdens de Russische Revolutie en de daarmee samenhangende pogroms in Oost-Europa in het begin van de 20e eeuw voelden de daar wonende Joden zich onveilig. Onder invloed van de romantiek en het opkomend nationalisme in die tijd kregen ze steeds meer behoefte aan een eigen plek.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren door Groot-Brittannië een aantal tegenstrijdige toezeggingen gedaan aan respectievelijk: Arabische nationalisten: Hoessein-McMahoncorrespondentie, juli 1915-februari 1916 Frankrijk: Sykes-Picotverdrag, mei 1916 zionistische organisaties: Balfour-verklaring, 1917 het Ottomaanse Rijk; maar omdat zij de oorlog verloren, verviel deze overeenkomst. Aan ieder van de partijen deden de Britten toezeggingen ten aanzien van Palestina. Uiteindelijk voerde men in 1920 het Sykes-Picotverdrag uit waarbij Groot-Brittannië het mandaat over Palestina kreeg. Onder druk van de Zionistische Wereldorganisatie en op grond van de Balfourverklaring vestigden zionistische Joden zich daar. De Arabische bevolking verzette zich tegen deze gang van zaken en wees de Britten erop dat zij hun toezeggingen aan de Arabische nationalisten-leider Abdoellah bin Hoessein niet waren nagekomen. In 1922 splitsten de Britten daarop Transjordanië af van Palestina, waarover zij in 1923 Abdoellah aanstelden als emir. Dit stelde de Arabische inwoners van Transjordanië tevreden, maar de Joden en de Arabische inwoners van Palestina waren er ongelukkig mee en bleken heel verschillende opvattingen te hebben over de toekomst van Palestina, waar zich onder Brits bestuur steeds meer Joden kwamen vestigen. Die kochten land op van Arabische grootgrondbezitters, die elders woonden, stuurden de Palestijnse pachters van hun land weg en stichtten er kibboetsen.

Enkele voorstanders van de Palestijnse zaak in het Midden-Oosten hebben in het verleden geopperd om de Joodse Autonome Oblast in het oosten van Rusland dat in het zuiden grenst aan China te gebruiken als een alternatief voor Israël om het conflict op te lossen. Dit idee vond echter nauwelijks weerklank.

Palestina jaren '30: Arabisch-Palestijnse opstand en Commissie-Peel Joden enerzijds en Arabische moslims en christenen anderzijds begonnen zich maatschappelijk steeds meer te organiseren in respectievelijk de Palestine Zionist Executive (1929) en het Arabische Hogere Comité (1936). Beide zijden kenden gematigde stromingen die een vreedzaam samenleven voorstonden, maar ook extremere stromingen die ofwel een exclusief Joodse dan wel exclusief Arabische staat voorstonden. In de jaren '30 braken gewelddadigheden tussen beide groepen uit, die culmineerden in de Arabisch-Palestijnse opstand van 1936-'39, gericht tegen zowel de toenemende Joodse (veelal illegale) immigratie als tegen de Britse heerschappij. Met het nodige geweld sloegen de Britten de opstand neer. Een onderzoekscommissie, de Commissie-Peel, kwam met een rapport om de spanningen op te lossen: Joodse immigratie werd voorlopig ingeperkt en verdere landaankoop door Joden verboden. Het mandaat zou worden opgeheven en het grondgebied verdeeld in een Arabisch deel met een corridor tussen Jeruzalem en de kust bij Jaffa dat aan het emiraat Transjordanië zou worden toegevoegd en een Joods deel dat een onafhankelijke Joodse staat diende te worden. Bepaalde gebieden in Palestina waaronder de zogeheten "heilige plaatsen" Jeruzalem en Bethlehem zouden onder Brits mandaatsgezag blijven.

In feite is het Rapport-Peel de eerste versie van een tweestatenoplossing: een verdeling van het land ten westen van de Jordaan in een Joods/Israëlisch en een Arabisch/Palestijns deel. Het werd echter door beide partijen verworpen als onaanvaardbaar en maatregelen werden op de lange baan geschoven. Ook daaropvolgende pogingen om tot een tweestatenoplossing te komen werden verworpen. Latere voorstellen waarmee Israël instemde, waren onder meer een tweede voorstel in 1947 en de Camp David-akkoorden in 2000.

Jaren 40: VN-verdelingsplan en oorlogen 1947-'49

thumb|VN-verdelingsplan (resolutie 181). Tijdens de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) vluchtten en emigreerden veel Joden uit Europese naar onder meer het Mandaatgebied Palestina. De Arabische inwoners van Palestina verzetten zich tegen de massale aan hen opgedrongen immigratie omdat er helemaal geen rekening werd gehouden met hun belangen en onafhankelijkheidswensen. De net opgerichte Verenigde Naties (VN), die tot doel hadden toekomstige wereldconflicten zo vreedzaam mogelijk op te lossen, keurden op 29 november 1947 Resolutie 181 goed (hoewel de meeste landen in het Midden-Oosten en Zuid-Azië tegenstemden). Resolutie 181, beter bekend als het VN-verdelingsplan, voorzag in de oprichting van een Joodse en een Arabische staat na de beëindiging van het Brits mandaat over Palestina. Jeruzalem/Al Quds en omgeving zou onder internationaal beheer vallen. Het kwam tot rellen van de kant van de Arabische bevolking, die zich verraden voelde door de geallieerde overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog. In december begon de Jisjoev middels haar Hagana en andere strijdgroepen met tegenaanvallen, die veel systematischer en efficiënter waren: de Palestijnse Burgeroorlog van 1947-1948 was een feit. De Arabische Liga herhaalde op 17 december 1947 dat zij het oneens was met de resolutie en dreigde in te grijpen. Groot-Brittannië liet weten dat het op 15 mei 1948 het mandaat zou opheffen en zijn troepen zou terugtrekken, en daarmee in feite de vredeshandhaving in de steek liet en een vrijbrief verstrekte aan de Joden en Arabieren om het onderling uit te vechten.

Na middernacht van 14 op 15 mei 1948 riep David Ben-Gurion eenzijdig een onafhankelijke Joodse staat uit en noemde die Israël. De door de VN voorziene Arabisch-Palestijnse staat werd als dusdanig niet opgericht maar van dan af sloeg de benaming 'Palestijn' enkel nog op de niet-Joodse inwoners. Eerder waren al 250.000 van hen gevlucht of door Joodse milities als Etsel en Palmach van huis en haard verdreven. De dagen daarop vielen Egypte, Irak, Libanon, Syrië en Transjordanië Israël aan, de Palestijnen in hun strijd bijstaand. Deze internationale oorlog staat bekend als de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948, waarbij de Arabische landen en de Palestijnen werden verslagen door Israël, dat door het Westen en de Sovjet-Unie gesteund werd. De Israëliërs beschouwden het als hun onafhankelijkheidsoorlog. Niet alleen dwongen zij hun onafhankelijkheid af, zij veroverden ook nog gebieden die volgens het VN-verdelingsplan bedoeld waren voor de op te richten Arabische staat. De aanvallende Arabische Liga installeerde een Palestijnse regering die heel Palestina claimde. Feitelijk zou die enkel het resterende deel van Palestina kunnen controleren, vanaf dan bekend als de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever. Deze regering werd echter niet erkend door niet-Arabische landen en ook niet door Transjordanië, dat tijdens de oorlog de Westelijke Jordaanoever had bezet en in 1950 annexeerde, waarop het zich hernoemde tot Jordanië. De Palestijnse regering stond in feite onder bestuur van Egypte. Hierdoor bleef er geen land over voor de Palestijnen, die het nieuwe Israël massaal ontvluchtten of verjaagd werden naar de Westelijke Jordaanoever, Jordanië, Syrië, Libanon, Egypte, de Gazastrook of elders, waarmee het Palestijnse vluchtelingenprobleem ontstond. De in Israël overgebleven Palestijnen kwamen onder militair bestuur (tot 1966). Politiek gezien leek dit het einde te zijn van een Arabisch-Palestijnse staat nu er de facto een soort "driestatenoplossing" was ontstaan doordat Jordanië en Egypte (informeel in 1959) de Palestijnse Gebieden hadden ingelijfd.

Jaren 50-60: Suezcrisis, PLO en Zesdaagse Oorlog De Egyptische president Gamal Abdel Nasser, in 1952 door een staatsgreep aan de macht gekomen, wakkerde het Arabisch nationalisme in de regio aan en zinspeelde op het ongedaan maken van de nederlaag van 1948/49, waarbij hij vooral populair werd bij Palestijnse vluchtelingen. Zijn toenadering tot de Sovjet-Unie en steun voor de Algerijnse opstandelingen maakte hem een vijand van het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk. Toen hij ook nog het Suezkanaal nationaliseerde, lieten die Israël de Sinaï binnenvallen. De Gazastrook werd daarbij onder de voet gelopen met veel Palestijnse slachtoffers. Deze Suezcrisis leverde hem een militaire nederlaag maar politieke overwinning op tegen Israël, Frankrijk en Groot-Brittannië en deed zijn populariteit verder toenemen onder Palestijnen, maar voor hun onafhankelijkheid betekende hij niets; de Palestijnse regering werd in 1958 opgeheven en de Gazastrook in 1959 feitelijk onder Egyptisch bestuur geplaatst.

Op 28 mei 1964 werd op initiatief van de Arabische Liga de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (Palestinian Liberation Organization, PLO) opgericht om de Palestijnen te vertegenwoordigen. De PLO stelde zich in haar handvest ten doel een democratische, seculiere staat met de grenzen van het oorspronkelijke mandaatgebied Palestina te vestigen. In september dat jaar werd het Palestijnse Bevrijdingsleger (Palestinian Liberation Army, PLA) opgericht als militaire tak van de PLO.

In juni 1967 begon Israël een oorlog en veroverde daarin de Gazastrook en de Sinaï op Egypte, de Westelijke Jordaanoever op Jordanië (waarna het Oost-Jeruzalem annexeerde) en de Golanhoogten op Syrië. In november 1967 bepaalde Resolutie 242 van de VN-Veiligheidsraad dat Israël zich terug moest trekken uit alle bezette gebieden in ruil voor erkenning van de staat Israël. Encarta, s.v. "Midden-Oosten".§4. De periode 1967–1973.

Jaren 70: Erkenning van Israël, Camp David miniatuur|left|Menachem Begin, Jimmy Carter en Anwar Sadat in Camp David Van de Arabische staatshoofden was alleen Nasser bereid om Israël ten slotte in 1970 te erkennen door Resolutie 242 goed te keuren. Israël eiste daarop wel vredesbesprekingen, maar door Nassers overlijden kwam hier niets van.