miniatuur|Een Perzische miniatuur, Cyrus de Grote bouwt, met hulp van djinns, de ijzeren poort om de barbaarse volkeren weg te houden van de beschaafde wereld. Gog en Magog zijn een persoon en een land genoemd in de Hebreeuwse Bijbel in Ezechiël 38. Gog is de heerser van het land Magog die de uiteindelijke strijd zal voeren tegen het volk van God. In de Openbaring van Johannes 20:8 worden Gog en Magog genoemd als twee landen onder de heerschappij van Satan.
Gog en Magog zijn ook twee beelden van reuzen die zich bevinden in de Guildhall in Londen en die teruggaan op de mythische verhalen over het ontstaan van Brittannië.
Etymologie Er zijn pogingen gedaan om Gog en Magog op etymologische basis aan een of ander toe te wijzen. Men heeft gedacht aan een afleiding van het Sumerische Gug, aan een godheid Gaga en daarnaast nog aan enkele andere mogelijkheden die telkens gebaseerd zijn op het voorkomen van gelijkaardige medeklinkers. Volgens Lust Gog, Magog in Dictionary of Deities and Demons in the Bible, ed. K. van der Toorn, B. Becking, P.W. van der Horst, Brill-Leiden 1999, pp.372-373. kan geen enkele van die etymologische afleidingen een ernstig kritisch onderzoek doorstaan. Ook de pogingen om Gog te vereenzelvigen met een historisch persoon zoals Gyges van Lydië of Gâgi uit de annalen van Assurbanipal zijn pure hypotheses. In Ezechiël kan men lezen dat Gog een alliantie had met de Cimmeriërs terwijl Gyges oorlog voerde met dat volk.
Of Gog is afgeleid van Magog of omgekeerd en of er reële of mythologische figuren of landen mee bedoeld werden blijkt dus tot op heden onmogelijk met zekerheid af te leiden. Boe stelt vast dat al vanaf de tweede eeuw v.Chr. Gog en Magog dezelfde lading dekten. Gog and Magog: Ezekiel 38-39 as pre-text for Revelation 19:17-21 and 20:7-10, 2001 Mohr Siebeck, p.157-159.
Teksten die Gog en Magog noemen De Bijbel en de Tenach De eerste vermelding in de Bijbel en de Tenach is te vinden in de genealogie van de volkeren in Genesis 10:2, waar Magog genoemd wordt als een van de zeven zonen van Jafet. Hij wordt genoemd tussen Gomer en Madai, waaruit men afleidt dat het woongebied van zijn nakomelingen ook tussen de gebieden van Gomer en Madai lag. Gomer werd geassocieerd met de Cimmeriërs die ten noorden van de Zwarte Zee tussen Don en Donau geleefd zouden hebben. De Cimmeriërs trokken vanuit de Krim over de Kaukasus naar het zuiden en bedreigden Klein-Azië en Assyrië, maar werden weggedrongen naar het westen. Ze trokken door Klein-Azië en versloegen het Phrygische rijk. De nakomelingen van Madai worden geassocieerd met de Meden en de Ariërs in Indië. Magog werd op die manier geassocieerd met het noordelijkste deel van de toen bekende wereld.
Al voor de Babylonische ballingschap waren er apocalyptische profetieën terug te vinden in het Oude Testament (de Tenach) bij Amos (2:4-6:14), Jesaja (24:1-27:13) en Jeremia (1:14-16 en 4-6) met vijanden die van het noorden kwamen, namelijk Assyrië en Babylonië. In de tijd van de ballingschap neemt dit soort profetieën in aantal toe, vooral met Zacharias en Joel. Het is Ezechiël die, met zijn profetie over het einde der tijden en het gebruik van Gog van Magog als beeld van de vijandige heidense naties, de basis zal leggen voor het latere joodse, christelijke en islamitische eschatologische denken. Het boek van Ezechiël levert al de nodige ingrediënten: een barbaars volk van het verre noorden, vijand van de mensen en van God dat op het einde der tijden zijn rol zal spelen in de vernietiging van de wereld. Het kwam er nu nog vooral op aan die vijand te identificeren. en , Gog and Magog in Early Eastern Christian and Islamic Sources, 2009, Koninklijke Brill NV., Leiden, pp.4-6.
De Sibillijnse orakels De Sibillijnse orakels zijn een serie van geschriften (12 boeken zijn bewaard gebleven) van verschillende auteurs met zeer diverse onderwerpen die ontstaan zijn tussen de 2e eeuw v.Chr. en de 6e eeuw n.Chr. Verschillende delen ervan zijn geschreven door Joodse en Christelijke auteurs. Het totaal is een pastiche van Griekse en Romeinse mythologie, motieven van Homerus en Hesiodus, Bijbelse verhalen, gnostische en vroegchristelijke homilies en eschatologische geschriften. The Sibylline Oracles translated from Greek into English blank Verse, 1899, New York: Eaton & Mains, p.3 Deze boeken moeten niet verward worden met de Sibillijnse boeken die de neerslag zouden zijn geweest van de profetieën van de Sibilles maar die in Rome zouden zijn verbrand in opdracht van Flavius Stilicho.
In boek 3 van de Sibillijnse orakels vinden we twee referenties aan Gog en Magog, namelijk in de verzen 393-397 en in de verzen 646-655. Book III. In de eerste wordt het lot van het land van Gog en van Magog, in het midden van de rivieren van Ethiopië, beklaagd. Hier is men blijkbaar al overgegaan op Gog en Magog in de plaats van Gog van Magog, maar de situering in het gebied van de boven-Nijl stemt niet overeen met de traditie. In de verzen 646-655 worden Gog en Magog beklaagd maar ook de MardianenEen volk dat leefde aan de zuidkust van de Kaspische Zee. en de Dahae.Oud-Iraanse stammen die leefden ten oosten van de Kaspische Zee.
De passages in de Sibillijnse orakels verwijzen wel naar Gog en Magog, maar eerder als een historische naam, de verzen hebben geen apocalyptische of eschatologische betekenis.
Flavius Josephus De Romeins-Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus, actief in de eerste eeuw, stelt Magog gelijk aan de Scythen, nomaden afkomstig van de Centraal-Aziatische steppen. Ze vestigden een rijk ten noorden van de Zwarte Zee dat stand hield van de 8e eeuw v.Chr. tot de 2e eeuw v.Chr. Maar ook bij Josephus worden de Scythen niet verbonden met apocalyptische thema’s, ze zijn gewoon de vijanden die in die periode opdoken. In zijn werk De Bello Iudaico brengt hij het verhaal van Alexander de Grote ter sprake, die een ijzeren poort gebouwd zou hebben tussen twee bergen om Gog en Magog van de beschaafde wereld weg te houden. Maar ook hier verbindt Josephus geen enkele eschatologische betekenis aan dit verhaal, voor hem is het gewoon een militair bouwwerk om een vijand onder controle te houden. Hij is wel de eerste auteur bij wie men het verhaal over de ijzeren poort van Alexander terugvindt.
miniatuur|Ottheinrich-Bijbel, Bayerische Staatsbibliothek, Cgm 8010, fol. 288r de vier ruiters van de Apocalyps
De vroegchristelijke literatuur De belangrijkste vermelding van Gog en Magog in de vroegchristelijke literatuur vinden we terug in de Openbaring van Johannes, waarschijnlijk te dateren op het einde van de eerste eeuw. De geschriften van Johannes staan dicht bij de rabbijnse interpretatie. Johannes kende waarschijnlijk de Sibillijnse orakels en het boek Jubileeën en hij combineerde de Joodse traditie met het thema van het Messiaanse duizendjarige rijk.
Ook de kerkvaders becommentarieerden en interpreteerden het verhaal van Gog en Magog. De eerste kerkvaders geloofden ook in een letterlijke uitleg van Openbaring 20:1-6. Justinus de Martelaar en Ireneüs kwamen bekend te staan als de felste uitdragers van dit idee van het premillennialisme. Maar deze interpretatie werd al vroeg in twijfel getrokken door Marcion en later door Origenes. Hiëronymus noemde ook de Scythen als de nakomelingen van Magog die op het einde van het messiaanse rijk de wereld zouden terroriseren. Ambrosius en Isidorus van Sevilla vereenzelvigden Gog en Magog met de Goten.
Augustinus hing in zijn eerste periode als theoloog het idee aan dat de geschiedenis in twee delen was opgedeeld. Ten eerste de eeuw van de kerk (deze zou zesduizend jaar duren) en daarna het duizendjarig vrederijk. Dit idee was tot die tijd gangbaar binnen het christendom. Augustinus verschoof al snel naar het amillennialisme. Het amillennialisme ziet het duizendjarig rijk van Christus niet als een fysiek rijk maar als een spiritueel rijk. De theologie van Augustinus van het amillennialisme zou toonaangevend blijven tijdens de middeleeuwen. In tegenstelling met de andere kerkvaders zegt Augustinus in zijn De civitate Dei dat het onjuist is om Gog en Magog te associëren met een of ander barbaars volk op basis van gelijkklinkende namen of gelijkaardige initialen.
De Alexanderromans De Alexanderroman was een van de populairste thema’s in de literatuur vanaf de 3e eeuw v.Chr. tot laat in de middeleeuwen, het behandelde het geromantiseerde leven van Alexander met de toevoeging van allerlei fantastische verhalen. De Alexander-literatuur ontstond in de Helleense cultuur, de eerste versie wordt toegeschreven aan een auteur die men de pseudo-Callistenes noemt. Het verhaal was ook zeer populair in het oosten waar er onder meer Armeense, Syrische, Perzische, Arabische, Koptische en Ethiopische versies ontstonden. The Legend of Alexander the Great in the Christian Orient, A revised and expanded version of a public lecture delivered at Harvard University and at the Catholic University of America in April 1990.
Zoals hierboven reeds vermeld, werd door Flavius Josephus (1e eeuw) gewezen naar Alexander de Grote in verband met vreemde barbaarse volkeren die Alexander wilde afsluiten van de beschaafde wereld, hoewel dit verhaal niet is terug te vinden in de oudste Alexanderromans in het Grieks, Latijn, Armeens en Syrisch uit de 3e tot de 7e eeuw.
Dit verhaal komt voor het eerst voor in een Syrische vertelling van een exploot van Alexander, dat beschrijft hoe Alexander naar het eind van de wereld reisde en daar een ijzeren poort bouwde om de Hunnen op te sluiten zodat ze niet meer naar het zuiden konden trekken om te plunderen. Deze Alexandervertelling, de zogenoemde Alexanderlegende, werd geschreven door een Mesopotamische christen, waarschijnlijk in Amid of Edessa omstreeks 629-630. en 2009, pp.17-18. Het verhaal gaat verder met de inscriptie van een profetie die Alexander in de deur laat aanbrengen. Die zegt dat de Hunnen binnen 826 jaar zullen uitbreken en Gog en Magog de wereld zullen onderwerpen. Na 940 jaar zal de laatste christelijke keizer opstaan en dan komt er een einde aan de wereld omdat God de poort zal openen en alles zal vergaan en in bloed worden gesmoord onder de aanvallen van de barbaren. Deze Alexanderlegende is het eerste werk dat het Alexanderverhaal van de ijzeren poort in een apocalyptisch kader plaatst. en 2009, p.22.
Een werk dat ook in de buurt van Amid ontstaat, het zogenoemde Syrische Alexandergedicht, toegeschreven aan Jacobus van Sarug in de manuscripten, Das syrische Alexanderlied, 2 vols. Corpus Scriptorum Christianorum Orientalum, Leuven 1983, pp.454-455. was gebaseerd op de Syrische Alexanderlegende, maar werd geschreven in de 7e eeuw kort voor de moslims de streek bezetten. In deze tekst wordt Alexander opgevoerd als een vrome en godvruchtige koning, een instrument in het grote plan van God. In het gedicht treedt hij naar voor als een profeet van God die de poort bouwt op bevel van God. De poort zal de apocalyptische volkeren insluiten tot God zal beslissen om hem te openen op het einde der tijden. Het gedicht geeft een gedetailleerde omschrijving van zijn reis, het contact met de vieze volkeren, het bouwen van de poort en zijn afmetingen.Voor een uittreksel van de tekst zie: en 2009, pp.22-24.
De Apocalyps van Pseudo-Methodius