De Compagnie belge d'actualités (veelal afgekort tot C.B.A. of CBA) was een Belgisch filmbedrijf. Het bedrijf werd opgericht in 1937 door Paul Nagant als studio voor nieuws uitgezonden in de bioscoop. Het werd vooral bekend om zijn tekenfilmstudio waar bekende striptekenaars als Eddy Paape, André Franquin, Morris en Peyo hun carrière begonnen.
Geschiedenis Van nieuws naar tekenfilms In de periode voor de Tweede Wereldoorlog was het nieuws dat in de bioscoopzalen werd uitgezonden vooral afkomstig van buitenlandse bedrijven. Nagant richtte in 1937 C.B.A. op met de bedoeling een Belgisch alternatief te vormen. Het bedrijf slaagde daar echter nooit in: de nieuwsfilms die C.B.A. maakte, waren vooral korte films over sportieve evenementen. Deze films werden dan opgekocht door buitenlandse bedrijven als Pathé en Fox Movietone, die de stukjes integreerden in hun eigen nieuwsprogramma's voor de Belgische markt.
In de zomer van 1940 was het enige nieuws dat verspreid werd afkomstig van het propaganda-apparaat van de nazi's. C.B.A. moest noodgedwongen hervormen om te overleven. Een logische stap was er een richting het neutralere fictieve genre, wat in België door praktische beperkingen neerkwam op het maken van kortverhalen. Met het verbod op Amerikaanse films zag Nagant een gat in de markt van de animatiefilms: C.B.A. werd een tekenfilmstudio. In zijn woning in Luik installeerde Nagant zijn filmmateriaal en hij trok zijn eerste tekenaar aan. Voorheen was die markt volledig weggelegd voor Amerikaanse bedrijven en filmmakers zoals Disney, Pat Sullivan, Paul Terry en de broers Max en Dave Fleischer. Nagant had slechts weinig kennis over het maken van tekenfilms, terwijl de Amerikaanse tekenfilm op dat moment al lang niet meer in de kinderschoenen stond.
Voor de eerste film van C.B.A. werd in 1942 de 26-jarige tekenaar Albert Fromenteau aangeworven. Die had op dat moment bij Chagor, de uitgeverij van een zekere Charles Gordinne, een eerste stripverhaal uitgebracht, maar had nauwelijks kennis over het maken van animatiefilms. Fromenteau bracht Nagant, die op zoek was naar geld via partnerschappen, in contact met die uitgever. Chagor kreeg bij de overeenkomst de exclusiviteit op "geïllustreerde albums" die na het uitbrengen van de films zouden verschijnen. Uiteindelijk omringde Fromenteau zich met drie of vier andere tekenaars.
De techniek van het maken van tekenfilms leerden ze bij C.B.A. door een fragment van een Amerikaanse tekenfilm te bestuderen. Hoewel Amerikaanse films tijdens de oorlog verboden waren, konden plaatselijke tekenfilmbedrijven ze wel bemachtigen. De Duitse bezetter zag in animatiestudio's een manier om op termijn met de Amerikaanse tekenfilm te kunnen rivaliseren. De nazi's maakten het de talrijke nieuwe, lokale studio's dan ook gemakkelijk, waardoor C.B.A. met Duitse goedkeuring Amerikaanse filmrollen kon bestuderen om zo de techniek te begrijpen. Het proces via een ander bedrijf leren was destijds verboden.
Ongeveer in de periode waarin Fromenteau en zijn collega's aan het maken van de eerste beelden toe waren, brandde een deel van de studio af. De oorzaak van de brand is onduidelijk: mogelijk een ongeluk, mogelijk aangestoken. Dat laatste kwam tijdens de bezetting wel vaker voor; de banden die Nagant met de bezetters ambtshalve onderhield (hij hielp echter ook het Verzet), speelden daar dan mogelijk een rol in. Na de brand slaagde het team van Fromenteau er alsnog in een eerste korte tekenfilm uit te brengen: Un mauvais rêve de Bobino, verschenen in de zomer van 1942. De film is intussen onvindbaar geworden. Waarschijnlijk ging het om een film in de stijl rubber hose animation, aangezien ook de latere films van Fromenteau in die stijl waren. Deze stijl was in de jaren 20 en 30 van de twintigste eeuw populair in de Verenigde Staten. Hij wordt gekenmerkt door animatie waarbij de personages zeer flexibel zijn (vandaar "rubber") en weinig rekening wordt gehouden met de reële fysieke kenmerken van het menselijk lichaam. De kwaliteit van deze eerste film was vermoedelijk niet bijzonder hoog: in 1945 liet Fromenteau optekenen dat er vooral lessen voor de toekomst getrokken kunnen worden uit zijn werk tot dan.
Un mauvais rêve de Bobino was een muzikale film, gebaseerd op de trend uit de vooroorlogse Amerikaanse tekenfilms. De partituren van de film, composities van Emile Van Herck, waren zelfs al voor het afwerken van de film te koop. Later verschenen nog meer partituren waarvan gedacht wordt dat ze voor andere films rond Bobino bedoeld waren. Die films (Bobino au Tyrol, Bobino Step en Bobino-Fox) kwamen er echter nooit, hoewel Nagant hard in het personage Bobino leek te geloven.
Er kwam echter een breuk tussen Fromenteau, uitgeverij Chagor en Nagant. Fromenteau stapte over naar Chagor, waar een tekenfilmstudio werd opgericht. Volgens Nagant had Fromenteau bedrijfsspionage gepleegd; Fromenteau had het echter over een vertrouwensbreuk: volgens hem heeft Nagant extra fondsen proberen vast te krijgen van Chagor door hen te bedriegen. Nagant zou Chagor een filmpje hebben toegestuurd waarvan hij beweerde dat het van zijn studio's kwam. Het betrof echter het Amerikaanse voorbeeldfilmpje. Verbitterd door het bedrog zou Fromenteau daarna zijn diensten hebben aangeboden bij Chagor. Nagant spande een rechtszaak aan, maar kreeg geen gelijk. Uiteindelijk stapten al zijn animatoren over naar Chagor, waardoor Nagant een te duchten concurrent kreeg.
Jackeddy Nadat de wegen van Nagant en Fromenteau uiteengingen, wierf Nagant twee jonge tekenaars aan: Eddy Paape en Jacques Eggermont. Beide mannen waren net afgestuurd aan het Sint-Lucasinstituut te Sint-Gillis, waar ze animatielessen hadden gevolgd bij Carlo Queeckers. Hun eindwerk was een kleine tekenfilm met als naam Peinture animée (letterlijk: geanimeerd schilderij), waarin ze een landschap op doek telkens een beetje veranderden om de seizoenen uit te beelden. Zo ontstond uiteindelijk een filmpje dat door de jury - onder meer met Henri Storck - gewaardeerd werd. Een vriend van Nagant, Jacques Nols, merkte het filmpje op bij een bezoek aan de tentoonstelling van Sint-Lucas op het einde van het schooljaar. Paape en Eggermont boden echter eerst hun diensten aan bij de Franse animatiefilmmaker Jean Image, maar door de oorlog kon hij hen niet aannemen. Terug in Brussel kregen ze een voorstel van Nagant, waar ze op ingingen.
Paape en Eggermont hadden een aparte visie op de tekenfilmkunst. Voor Eggermont waren tekenfilms een passie; Paape hield meer van schilderen en beschouwde de tekenfilm als een broodwinning. In de studio zou Paape zo eerder de grafische meester en snelle uitvoerder worden, Eggermont werd dan weer het creatieve brein. Paape en Eggermont waren behoorlijk negatief over het werk van hun voorgangers bij C.B.A. Nochtans hadden ze zelf nauwelijks meer technische bagage dan het team van Fromenteau. Net als dat team moesten Paape en Eggermont het vak leren door fragmenten van Amerikaanse tekenfilms te bestuderen.
Het procedé dat het team van Paape en Eggermont volgde bij het maken van een tekenfilm, ging als volgt: Het maken van een storyboard. Het tekenen van de decors en animaties op calqueerpapier. Reproductie van de tekeningen op cellofaan. Inkleuring, meer in het bijzonder met gewassen grijze tinten. Dit werd gedaan door inkleursters. Filmen, een taak van Nagant zelf, met assistentie van diens cameraman. Ontwikkelen van de negatieven. De montage, een tweede taak die Nagant voor zichzelf reserveerde.
Na het filmen werd het cellofaan gewist en hergebruikt - een gevolg van de oorlog. Om te vermijden dat krasjes veroorzaakt door vroegere tekeningen zouden blijven staan op het cellofaan, werd op den duur beslist dat er enkel met penselen mocht worden gewerkt. De beelden op cellofaan werden soms ook langs twee kanten gefilmd; oorspronkelijk per ongeluk, maar later ook als techniek om met één beeld twee scènes in tegengestelde richtingen te kunnen maken. Deze techniek werd na de eerste film van het team ingevoerd. Ook het hergebruik van hele scènes was gebruikelijk - net een van de punten waar Paape en Eggermont kritiek op hadden bij hun voorganger Fromenteau.
Zazou chez les Nègres De eerste film van dit nieuwe team werd Zazou chez les Nègres, die in 1943 na zes maanden werd voltooid. In dezelfde periode kwam ook de eerste film van Fromenteau voor Chagor uit. C.B.A. wisselde in zijn nieuwe film het personage Bobino in voor een ander: Zazou. Net als in de film rond Bobino speelde de muziek, wederom van Emile Van Herck, een grote rol in deze film. De muziek werd niet gemaakt in functie van de animaties, maar andersom: de animatoren moesten zorgen dat de bewegingen klopten met de muziek. Het verhaal van de film gaat over een zazou die een swingende Afrikaanse stam ontmoet. Zazous vormden rond de Tweede Wereldoorlog een Franse subcultuur van jongeren die zich Brits of Amerikaans kleedden en naar jazz luisterden. Door hun levensstijl werden ze door de bezetter als het tegenovergestelde van de nieuwe mens beschouwd. Het verhaal steekt dan ook wat de draak met deze subcultuur.
In de openingstitels is een beeld te zien met een cartoonversie van Paape en Eggermont, met daarop het opschrift "Animé par l'équipe Jackeddy" (letterlijk: geanimeerd door de ploeg Jackeddy). "Jackeddy" is een verengelste samentrekking van Eddy en Jacques.
Problemen in Luik Na de eerste film begon het team al snel met een nieuwe film: Zazou scaphandrier, later omgedoopt tot Zazou gardien de phare. Tijdens het maken van deze film brak opnieuw brand uit in het gebouw waar onder meer C.B.A. was ondergebracht. De gevolgen waren dramatischer: er viel een dode en C.B.A.-medewerkers Roger Bonfond en Paape belandden in het ziekenhuis. De schade aan het gebouw noopte de studio tot verhuizen.
Waarschijnlijk werd door de brand ook afgezien van de nieuwe Zazou-film. Eggermont begon daarna namelijk met het animeren van drie populaire liedjes: Un mètre vingt... une brute !, La Petite Brosse à Rimmel's en Y'a des zazous dans le quartier, die vervolgens werden samengevoegd tot de film Image par image. De filmpjes getuigen van een vooruitgang bij C.B.A.: animatie, gezichtsuitdrukkingen en decors zijn van een hoger niveau dan van de eerdere films. Er werd ook gebruikgemaakt van typische stripkenmerken zoals gedachtewolkjes, uitroeptekens, vraagtekens etc. De films waren bedoeld voor volwassenen, wat te merken is aan de vaak schunnige humor.
Daarna begon Eggermont aan Il était... un petit navire en Le Chat d' la Mèr' Michel, opnieuw een film op twee populaire liedjes, samengevoegd onder de titel Il était une fois... Om de houdingen beter in beeld te brengen, gebruikte het team voor deze films een techniek die bij Disney gebruikelijk was: Paape en Eggermont kropen zelf in de huid van de personages, legden dit op film vast en baseerden zich vervolgens bij het animeren op de houdingen uit de film. De productie liep echter weer vertraging op door het nakende einde van de oorlog omstreeks juni 1944. Luik werd voortdurend gebombardeerd en C.B.A. bevond zich nabij een van de strategische punten die vaak getroffen werden. Nagant besloot daarom om zijn hele zaak te verhuizen naar Brussel. Een keuze die waarschijnlijk mee werd bepaald door de aanwezigheid daar van studio Cibelson, waar de geluidsmontage voor C.B.A. werd gedaan.
Brussel Nieuwe medewerkers In augustus 1944 verhuisde C.B.A. naar Brussel. Paape en Eggermont stelden Nagant voor vier nieuwe medewerkers aan te trekken. Zo werd de 21-jarige Maurice De Bevere, later bekend als Morris, aangeworven. De Bevere had al enige ervaring in het animeren opgedaan uit interesse en door studie, maar werd niettemin voor een andere functie aangeworven. Hij moest de potloodtekeningen van Paape en Eggermont op cellofaan overtrekken met inkt met behulp van een penseel. Daarnaast verkocht De Bevere ook nog eigen werk, onder meer sinds 1944 aan Dupuis, met name voor het blad Le Moustique.