Edgar Marcel Wind (Berlijn, 14 mei 1900 – Londen, 12 september 1971) was een Duits-Engelse kunsthistoricus en filosoof en de eerste hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Oxford. In zijn werken paste hij de brede cultuurhistorische en iconografische benadering van Aby Warburg en Erwin Panofsky toe op de kunst van de Italiaanse renaissance en de 18e eeuw in Engeland. Zijn bekendste werken zijn Pagan mysteries in the renaissance (1958) en Art and anarchy (1960).
Biografie Jeugd Edgar Wind werd geboren als de zoon van een joodse handelaar in optische instrumenten van Russisch-Argentijnse komaf. Al op jonge leeftijd leerde hij van zijn gouvernantes Frans en Engels en op een humanistisches Gymnasium dat hij vanaf 1906 bezocht, kwamen daar nog de klassieke talen bij. In eerste instantie was hij alleen geïnteresseerd in moderne kunst – in het bijzonder de impressionisten en de Berliner Secession – maar tijdens een bezoek aan Schwerin zag hij Carel Fabritius' Schildwacht (1654), waardoor hij zich sterk ging interesseren voor oude kunst.Lloyd-Jones 1983: p. xiii.
Studiejaren en filosofiedocent (1918-1927) thumb|Het hoofdgebouw van de Universiteit van Hamburg. Het plotselinge overlijden van Winds vader in 1914 voorkwam dat hij, zoals zijn vader had gewild, aan een Engelse universiteit ging studeren en in 1918 ging Wind voor drie semesters kunstgeschiedenis studeren bij Adolf Goldschmidt aan de Universiteit van Berlijn. Vervolgens studeerde hij zowel kunstgeschiedenis als filosofie aan de universiteiten van Freiburg en Wenen bij onder andere Ernst Cassirer, Edmund Husserl, Julius von Schlosser en Max Dvořák. Ten slotte besloot Wind, die naar eigen zeggen 'genoeg had van de regerende soevereinen' om aan de pas opgerichte Universiteit van Hamburg te gaan studeren bij Erwin Panofsky, die op het punt stond daar privaatdocent te worden. Sears 2000: p. xix. Via een regeling wist Wind het voor elkaar te krijgen dat de nog niet gehabiliteerde Panofsky samen met Ernst Cassirer Winds proefschrift mocht begeleiden. In juli 1922 verdedigde Wind Aesthetischer und kunstwissenschaftlicher Gegenstand: ein Beitrag zur Methodologie der Kunstgechichte. Hierin probeerde hij een concrete studie van de kunstgeschiedenis te onderscheiden van de esthetiek. Sears 2000: p. xxii. Aangezien een kunstwerk met een reden is gemaakt, zal deze reden begrepen moeten worden om een volledige waardering van het werk mogelijk te maken.Lloyd-Jones 1983: p. xv.
Van 1922 tot 1924 werkte hij in Berlijn aan zijn Habilitationsschrift waarna hij voor enkele jaren naar de Verenigde Staten vertrok. In eerste instantie doceerde hij Frans en wiskunde aan highschools in New York, maar in 1925 werd hij voor twee jaar filosofiedocent aan de Universiteit van North Carolina. In de Verenigde Staten raakte Wind bijzonder geïnteresseerd in de pragmatische filosofie van denkers als Charles Sanders Peirce.Lloyd-Jones 1983: p. xvi; Sears 2000: p. xx.
Hamburgse jaren (1927-1933) In 1927 keerde hij terug naar Hamburg en voltooide daar in 1929 onder Cassirer zijn Habilitationsschrift Das Experiment und die Metaphysik: Zur auflösung der kosmologischen Antinomien. Hierin betoogde Wind dat de experimentele methode in staat is om zelfs onoplosbare Kantiaanse antinomieën op te lossen. Hij was van mening dat ‘symbolen alleen echt zijn tot zoverre zij belichaamd kunnen worden in een cruciaal experiment waarvan de uitkomst direct waarneembaar is’.Wind 1958: p. 297. '...symbols are "real" only to the extent in which they can be embodied in an experimentum crucis whose outcome is directly observable...' Deze opvatting leidde tot een breuk met Cassirer en toen het boek in 1934 verscheen, viel het volgens Wind ‘doodgeboren van de pers’ in het neokantiaanse Hamburg.Wind 1958: p. 297; Lloyd-Jones 1983: p. xvii. Tussen 1930 en 1933 doceerde Wind als privaatdocent in filosofie en kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Hamburg. Tot zijn studenten behoorde de latere Utrechtse hoogleraar William Heckscher.
Aby Warburg thumb|Aby Warburg rond 1900. Na zijn terugkomst uit de Verenigde Staten, in 1927, had Wind in Hamburg Aby Warburg ontmoet en er ontstond direct een vriendschap tussen de twee geleerden. Warburg had een cultuurhistorische visie op de kunstgeschiedenis ontwikkeld – deels geïnspireerd op het werk van Jacob Burckhardt – waarmee hij zich afzette tegen enerzijds het kennerschap van Bernard Berenson en anderzijds het formalisme van Alois Riegl en Heinrich Wölfflin. Door zich te richten op de context van de samenleving waarin een kunstwerk gemaakt is, probeerde Warburg de dieperliggende symbolische betekenis van kunstwerken te ontdekken. Op dat punt sloot hij aan bij Erwin Panofsky en het is dan ook niet vreemd dat Wind, Panofsky’s eerste student, zich tot Warburgs ideeën aangetrokken voelde. Slechts enkele maanden na hun ontmoeting werd Wind een assistent in de bibliotheek die Warburg had opgericht om daar het nachleben van de Oudheid te bestuderen. Daar bewerkte hij voor een belangrijk deel de bijdragen aan de grote bibliografie van Das Nachleben der Antike en schreef daarnaast veertig recensies en een uitgebreide inleiding. Uiteindelijk zouden slechts twee delen van de bibliografie gereed komen.
Warburg Institute (1933-1939) In juli 1933 werd de Joodse Wind door de nieuwe nationaalsocialistische regering ontslagen bij de universiteit en hij vertrok naar Londen om daar te onderhandelen over de verhuizing van Warburgs bibliotheek. Nog in december van datzelfde jaar verhuisde de complete bibliotheek, inclusief meubilair, naar Londen en werd daar het Warburg Institute. Samen met Rudolf Wittkower richtte Wind het Journal of the Warburg Institute op en in de eerste vier nummers publiceerde hij zeven lange en achttien korte artikelen. In eerste instantie over Engelse kunst van de achttiende eeuw – waar hij al in Hamburg over had gedoceerd – maar later ook over de Italiaanse renaissance. In de periode 1935-1936 werkte Wind aan een boek over het beeldprogramma van Michelangelo in de Sixtijnse Kapel. In dit onvoltooide boek, het laatste dat hij in het Duits schreef, wilde Wind het plafond van de Sixtijnse kapel interpreteren als een groots programma waarin alle afzonderlijke delen met elkaar in relatie staan volgens een uitgereid theologisch idee. Sears 2000: p. xxiv. Tijdens verschillende bezoeken aan Italië deed Wind zijn onderzoek naar Michelangelo en begon aan een uitgebreide studie van renaissancetheologie. Wind geloofde dat het boek bijna klaar was toen hij van University College London – waar hij sinds 1934 als filosofiedocent doceerde – een periode verlof kreeg om in Annapolis in de Verenigde Staten te doceren, waar Winds vriend Scott Buchanan decaan was. Eind augustus 1939 arriveerde hij in New York voor wat een periode van vijf maanden had moeten zijn.
Annapolis en Chicago (1939-1944) In Annapolis gaf Wind lezingen aan verschillende Amerikaanse universiteiten over iconografie uit de renaissance. Na de val van Frankrijk in juni 1940 werd hij door de directie van het Warburg Institute gevraagd om in de Verenigde Staten te blijven en te onderhandelen over een eventuele verhuizing van het Institute daarnaartoe.Lloyd-Jones 1983: p. xxix. Hoewel er een aanbod kwam van de National Gallery in Washington en de Library of Congress, werd dit afgeslagen en bleef het Institute in Londen. In 1942 werd Wind door de Columbia-universiteit gevraagd om daar aan het filosofiefaculteit te komen doceren. Wind sloeg het aanbod af maar accepteerde datzelfde jaar wel een hoogleraarschap aan de Universiteit van Chicago bij de faculteit kunstgeschiedenis. Daar kreeg hij te maken met de controversiële hervormingen van decaan Robert Hutchins, die vond dat intellectuele vorming alleen moest plaatsvinden op basis van ‘Great Books’. Wind nam deel aan Hutchins’ pogingen om interfacultaire studie te promoten, maar zijn eigen interdisciplinaire onderzoek leverde hem vijanden op.
Hoogleraar aan Smith College (1944-1955) thumb|Smith College in Northampton (Massachusetts) thumb|Giovanni Bellini. Het feest van de goden. 1514. National Gallery of Art, Washington D.C. Gezien het klimaat aan de Universiteit van Chicago, was Wind er niet rouwig om toen hij in 1944 vertrok naar het particuliere vrouwencollege Smith College in Northampton. Wind was van plan om spoedig terug te keren naar het Warburg Institute maar een discussie over de toekomst van het Institute met directeur Fritz Saxl leidde tot een definitieve breuk. Zodoende bleef Wind, die in 1948 Amerikaans staatsburger werd, tot 1955 bij Smith College als hoogleraar kunst en filosofie.Thomas 2004
Wind bleef lezingen geven door het hele land over kunst uit allerlei perioden. Zo gaf hij in 1942 lezingen over Engelse kunst uit de zestiende eeuw waarop hij door het Museum of Modern Art in New York werd uitgenodigd om zijn methoden ook toe te passen op moderne kunst. In 1944 gaf hij voor de National Gallery of Art een lezing over Bellini’s Het feest van de goden (1514) dat hij uitwerkte tot een boek dat in 1948 werd gepubliceerd. In 1949 gaf hij voor het eerst een lezing over ‘heidense mysteriën in de renaissance’ en het jaar daarop bracht hij voor een groot deel in Rome door met een Guggenheim Fellowship. Daar werkte Wind aan een nieuw boek over Michelangelo (The religious symbolism of Michelangelo), dat evenals zijn eerste boek nooit voltooid is. Wel publiceerde hij in de periode 1948-1952 een aantal artikelen over de Sixtijnse kapel die gebaseerd waren op onderzoek voor dat boek. Wind betoogde dat Michelangelo het plafond samen met een geleerde adviseur moet hebben bedacht, gezien de uitgebreide verwijzingen naar vele Latijnse en Hebreeuwse bronnen die Wind in het plafond ontdekte. Daarnaast maakte hij ook een voorzichtig begin met een wederom nooit voltooid boek over Rafaëls School van Athene.Lloyd-Jones 1983: p. xxiii.
Hoogleraar aan Oxford (1955-1967) thumb|Het auditorium van het Oxford Playhouse, de locatie waar veel van Winds colleges werden gehouden. In 1955 kreeg de Universiteit van Oxford voor het eerst een leerstoel kunstgeschiedenis en Wind werd benoemd tot hoogleraar. Aan Oxford moest hij deze hele nieuwe discipline vorm geven en ondertussen een duidelijke relatie met de reeds gevestigde disciplines en het Ashmolean Museum vormen. Hij begon aan de vorming van een bibliotheek voor kunstgeschiedenis, los van de interesses van het Ashmolean Museum. In 1957 hield Wind zijn inaugurele rede met als titel The fallacy of pure art. Hierin verkondigde hij dat kunsthistorici esthetisch relevante observaties moeten doen zonder dat dit esthetische observaties worden. Wind benadrukte verder het belang van kunstgeschiedenis als een interdisciplinair vakgebied.Lloyd-Jones 1983: p. xxx.