Kameleons (Chamaeleonidae) zijn een familie van hagedissen die behoren tot de leguaanachtigen (Iguania). Kameleons bezitten enkele karakteristieke eigenschappen die uniek zijn in de dierenwereld. Door de lange, gespierde tong, de gespecialiseerde ogen, de tangachtige poten en het vermogen sterk van kleur te veranderen, zijn ze eenvoudig te onderscheiden van andere hagedissen. Kameleons zijn hierdoor een van de weinige families van reptielen die bij het grote publiek bekend zijn.
De familie telt ongeveer 240 soorten, die vrijwel exclusief leven in subtropische en tropische gebieden, vaak met een dichte vegetatie. Kameleons komen oorspronkelijk uit Afrika en hebben zich verspreid naar het Arabisch Schiereiland, delen van oostelijk Azië en zuidelijk Europa, rond het Middellandse Zeegebied.
Soorten waarover veel bekend is zijn de gewone kameleon, Hoehnel's kameleon en de Oost-Afrikaanse driehoornkameleon of jacksonkameleon. De informatie over de levenswijze en de verspreiding is van een groot aantal soorten echter nog zeer summier. De meeste kameleons hebben geen Nederlandstalige naam.
Verspreiding en habitat Kameleons komen alleen voor in de Oude Wereld. Ze leven in Afrika, Zuid-Europa, het Midden-Oosten en een deel van de Aziatische kuststreek van de Indische Oceaan (zie kaartje).
In het Middellandse Zeegebied worden de kameleons door één soort vertegenwoordigd: de gewone kameleon (Chamaeleo chamaeleon). Deze soort komt voor in Portugal, Spanje, zuidelijk Griekenland (inclusief de eilanden Kreta, Chios, Samos en de Egeïsche eilanden), Cyprus en delen van Turkije. Het voorkomen op het eiland Sicilië is onzeker maar zeker op Malta.De pagina Chamaeleo chamaeleon op de website van The Reptile Database vermeldt dat die soort niet op Sicilië voorkomt maar dat sommige bronnen het tegendeel beweren, zonder dat overigens die bronnen bij name genoemd worden.
In de zuidwestelijke en zuidelijke kuststrook van het Arabisch Schiereiland, grofweg van Mekka in Saoedi-Arabië tot Masqat in Oman, komen verschillende soorten voor. Jemen telt vier soorten, in Oman komt alleen de soort Chamaeleo arabicus voor.
Het meest oostelijke deel van het verspreidingsgebied is de westelijke kuststrook van het Indisch subcontinent. Hier komt in India, Pakistan en Sri Lanka de soort Chamaeleo zeylanicus voor.Zeylanicus betekent "van Ceylon", de oude naam van Sri Lanka.
Verreweg de meeste soorten komen voor in Afrika. Alleen in een groot gebied rond de Sahara komen geen kameleons voor, maar verder zijn ze overal in Afrika te vinden, vooral in tropische bossen ten zuiden van de Sahara. Met name het eiland Madagaskar is rijk aan soorten, waarvan een groot deel endemisch is. Waarschijnlijk ontstond de kameleonfamilie op het Afrikaanse vasteland en ontwikkelde de groep zich apart in Madagaskar toen dat eiland zich losmaakte van het vasteland, waar de talrijke soorten ontstonden.
Kameleons zijn op sommige plaatsen door de mens uitgezet, zoals op het eiland Hawaï (Verenigde Staten), waar de Oost-Afrikaanse driehoornkameleon is geïntroduceerd. De jemenkameleon is ingevoerd in de Amerikaanse staat Florida. Het verspreidingspatroon van de kameleons, in het bijzonder dat van Chamaeleo zeylanicus, werd vroeger gebruikt als bewijs voor de verschuiving van de aardplaten maar dit is nu achterhaald. Uit een studie in 2008 bleek dat deze soort via Afrika en het Arabisch Schiereiland in zuidelijk Azië is beland. Ook een alternatieve theorie, die veronderstelde dat de soort middels drijvende vegetatie op het continent was terechtgekomen, werd in die studie ontkracht.
Vrijwel alle kameleons leven boven de bodem in bomen en struiken, in warme, vochtige, beboste gebieden. Veel soorten leven in tropische regenwouden of bergbossen. Slechts enkele soorten leven in droge, kale omgevingen zoals woestijnen. Enkele soorten zijn te vinden tot aan de sneeuwgrens in berggebieden. De enige Europese soort, de al genoemde gewone kameleon (Chamaeleo chamaeleon), leeft onder andere in halfwoestijnen en graslanden. De gewone kameleon is ook een van de weinige echte kameleons die regelmatig op de bodem komt.
De soorten die behoren tot de onderfamilie Brookesiinae, de korststaart- of bladkameleons, hebben in de regel een bodembewonende levenswijze. Ze zijn bruin en lijken op bladeren. Ze beklimmen geen bomen maar houden zich in de strooisellaag op.
Uiterlijke kenmerken miniatuur|400px|Schematische anatomie van een kameleon Kameleons zijn direct te herkennen als hagedissen maar zijn ook in één oogopslag van alle andere groepen van reptielen te onderscheiden. Alle soorten hebben een karakteristieke bouw met de volgende kenmerken: Een zijwaarts afgeplat lichaam Poten die een tangachtige bouw hebben Meestal een dikke, oprolbare grijpstaart Een opmerkelijk gebouwde kop met grote, uitpuilende ogen Een tong die snel en ver naar buiten kan schieten.
De eerste drie kenmerken maken een leven in takken op enige hoogte in bomen en struiken mogelijk. Door de goed ontwikkelde ogen en de gespierde schiettong kan de kameleon, terwijl het lichaam met de tangachtige klauwen wordt stilgehouden, op voorbijkomende prooien jagen. Kameleons verschillen ook van andere hagedissen door het ontbreken van een halskraag, een plooi achter de kop die bij veel andere groepen voorkomt. Ook hebben kameleons geen femorale poriën. Deze vergrote poriën aan de onderzijde van de dijen komen bij de meeste andere hagedissen wel voor en dienen daar om in de paartijd lokstoffen af te geven op de ondergrond.
De grootte van kameleons varieert van ongeveer 3,5 centimeter, de maximale lengte die enkele kortstaartkameleons uit het geslacht Brookesia bereiken, tot meer dan 65 centimeter voor de grootste soorten. Voorbeelden daarvan zijn Parsons kameleon (Calumma parsonii) en de reuzenkameleon (Furcifer oustaleti).
Alle kameleons hebben een zijdelings afgeplat lichaam, vooral aan de bovenzijde. Een dergelijke lichaamsvorm is handig voor dieren die tussen de bladeren leven, omdat ze zich gemakkelijker door de takken en bladeren kunnen bewegen. Ook zijn ze zo van voren en van boven minder goed zichtbaar voor roofdieren.
Kop thumb|De positie van de ogen bij Chamaeleo zeylanicus thumb|De kop van de panterkameleon (Furcifer pardalis) Kameleons hebben een kenmerkende kop, waarbij met name de uitpuilende, individueel draaibare, ogen opvallen. De sterk gespecialiseerde tong valt pas echt op als een kameleon een prooi verschalkt. Bij veel soorten draagt de kop kammen, kragen of stekelrijen. Bij sommige soorten draagt de schedel een verbeende hoge kam, zoals bij Hoehnel's kameleon. Dergelijke kenmerken zijn in de dierenwereld verder alleen bekend van de dinosauriërs. Enkele soorten, waaronder de Oost-Afrikaanse driehoornkameleon, dragen hoorns, die gevormd zijn uit bot. Deze hoorns worden niet gebruikt om te vechten maar dienen om te imponeren.
De ogen van een kameleon zijn opvallend groot, sterk gespierd, en veel beter ontwikkeld dan de ogen van andere hagedissen. Ze zijn aan de basis verstevigd door een benen ring. De eigenlijke oogballen zijn grotendeels bedekt door de oogleden zodat de iris niet te zien is en alleen de pupil onbedekt blijft. De ogen staan aan de zijkant van de kop, puilen ver uit, en kunnen onafhankelijk van elkaar alle kanten op draaien, zodat een kameleon een zichthoek van 360 graden heeft zonder de kop te bewegen. Een kameleon kan hierdoor aan de voorzijde een prooi bekijken terwijl hij tegelijkertijd de omgeving aan de achterzijde in de gaten houdt en zo vijanden kan zien aankomen. Doordat de ogen zo ver uitpuilen kan een kameleon, hoewel de ogen aan de zijkant van de kop staan, toch met twee ogen naar voren kijken voor stereoscopisch zicht, dit in tegenstelling tot alle andere hagedissen. Kameleons zijn de enige groep van dieren die de ogen zowel kunnen focussen op eenzelfde voorwerp als onafhankelijk kunnen bewegen voor een zicht van 360 graden.
Alle kameleons hebben een gespecialiseerde tong die razendsnel uit de bek kan schieten en waarmee ze prooien vangen. De tong van kameleons is uniek binnen de dierenwereld. De enige andere dieren met een tong die er wat op lijkt zijn een aantal amfibieën zoals kikkers en salamanders. De tong van een kameleon is echter verder gespecialiseerd. Hij is sterk elastisch en kan bij volledig uitstrekken zes keer langer worden dan in rust, waarbij hij een lengte kan bereiken die tweemaal zo groot is als de lichaamslengte (de staart niet meegeteld). In rust ligt de tong ingetrokken in de bek.
Als een kameleon een mogelijke prooi ziet, wordt eerst de kop zo gedraaid dat de prooi nauwkeurig gelokaliseerd wordt door er beide ogen op te richten. Doordat kameleons stereoscopisch kunnen waarnemen, kunnen ze diepte zien en zo de afstand en positie van een prooi bepalen. Ze zijn hiermee in staat om de schiettong nauwkeurig op een prooi te richten. De prooi wordt benaderd door wiegende bewegingen te maken. De kameleon doet dit niet alleen om onopvallend te naderen maar ook om de afstand tot de prooi nog beter te bepalen. Vervolgens wordt de bek geopend en worden sterke spieren samengetrokken die de tong krachtig ontvouwen waarna deze de bek verlaat. Deze spieren worden de acceleratiespieren genoemd. Het zijn kringspieren die vlak voor het einde van de tong liggen. De tong ontleent zijn elasticiteit aan de aanwezigheid van elastinevezels. Aan het uiteinde van de tong zit een zuignapachtige structuur die de prooi vastzuigt. De werking van de tong berust dus niet op kleverigheid. Zodra de tong helemaal is uitgestrekt, wordt deze door het samentrekken van een in de lengte gelegen spier, de musculus hyoglossus, weer in de bek getrokken. De tong kan alleen worden gebruikt als hij vochtig is. Als de tong op een vochtig oppervlak gericht wordt glijdt het uiteinde hier gemakkelijk vanaf. De tong kan geen natte prooien zoals regenwormen grijpen.
Er zijn slechts enkele andere dieren die met hulp van stereoscopisch zicht hun prooien beschieten. Een voorbeeld zijn de schuttersvissen die hun prooien met een waterstraal beschieten.Een bijzonderheid hierbij is dat de vissen van onder het wateroppervlak naar hun prooi boven water kijken en daarom bij het richten ook nog moeten corrigeren voor de lichtbreking die ontstaat op het grensvlak van lucht en water.
Kameleons hebben geen functioneel orgaan van Jacobson waarmee de meeste andere hagedissen en alle slangen geuren waarnemen. Het orgaan van Jacobson is bij kameleons wel in aanleg aanwezig maar het is gedegenereerd en heeft z'n functie verloren. Andere hagedissen gebruiken hun tong om geurdeeltjes op te vangen door deze uit de bek te steken en heen en weer te bewegen. Vervolgens wordt de tong weer teruggetrokken en langs het orgaan van Jacobson gestreken waar de geurdeeltjes worden gedetecteerd. Van een aantal kameleons is beschreven dat ze in een vreemde omgeving aan takken likken om zich zo te oriënteren.
Kameleons hebben noch een uitwendig gehoororgaan, noch een middenoor. Ze zijn echter niet "doof". Trillingen van 200 tot 600 Hz kunnen ze waarnemen.: The Chameleon Handbook. Barron's Educational Series. Ed. 3, 2009. Veel soorten kameleons kunnen trillingen produceren door het lichaam te vibreren. Dit wordt waarschijnlijk gebruikt voor de communicatie.
Lichaamskleur thumb|240px|Parsons kameleon in een dierentuin thumb|240px|Panterkameleon Kameleons staan bekend om hun vermogen om van kleur te veranderen. Ze kunnen dat niet alleen vrij snel maar soms vindt een volledige kleuromslag plaats: van heldere kleuren naar donkere kleuren tot bijna zwart. Om de kleurverandering te bewerkstelligen, worden de pigmenten in de huid herverdeeld tot de gewenste kleur bereikt is.