Gerrit Jäger (Amsterdam, 7 juni 1863 – Den Haag, 27 augustus 1894) was een Nederlandse journalist en toneelschrijver.Zie voor zijn geboorte en dood: Stadsarchief Amsterdam (geboorten 1863, register 4, folio 80v) en Gemeentearchief Den Haag (overlijden 1894, akte 2195). Volgens zijn geboorteakte werd hij geboren: "des namiddags ten tien ure" in het huis staande "Rokin Buurt A No. 387". Zijn overlijdensakte bevat onjuiste gegevens: de leeftijd ("vijf en dertig jaren") klopt niet en de naam van zijn vader ("Johann Gottlieb Jäger") is verkeerd geschreven. De leeftijd van 31 jaar wordt genoemd in zijn overlijdensbericht in Het nieuws van den dag van 31-8-1894 (p. 10, kolom 1 onderaan). Het bericht staat op naam van zijn stiefmoeder en zijn drie zussen, zwager en broer die in 1894 nog in leven waren. Hij werkte als redacteur bij de Haagse krant Het Vaderland. Hij was bevriend met de schrijver Louis Couperus. In 1890 droeg Couperus de tweede druk van zijn roman Eline Vere aan hem op. In 1892 bewerkte hij de roman Noodlot van Couperus tot toneelstuk.

Ouderlijk gezin Gerrit Jäger was het vierde kind van Johannes Godtlieb Jäger (Amsterdam, 18 juli 1829 – Dinant, 31 juli 1884) en Cornelia Johanna van der Jagt (Den Haag, 2 november 1833 – Amsterdam 25 november 1874). Zijn vader was notaris en gemeenteraadslid in Amsterdam.Johannes Godtlieb Jäger was in juli 1851 mede-oprichter (en van 1851-1860 bestuurslid) van de Amsterdamse N.V. Duinwatermaatschappij. Zie de Nederlandsche Staatscourant nr. 187 (09-08-1851, p. 4) en nr. 191 (14-08-1851, p. 4-6). Hij liet tevens als particulier een nieuw plan ontwerpen voor het Noordzeekanaal en was in 1863-1864 enige tijd de concessiehouder voor de aanleg en de exploitatie van het kanaal. Zie Gerard van de Ven, De Nieuwe Waterweg en het Noordzeekanaal. Deltacommissie 2008, blz. 12-17. Online: Achtergrondrapporten (website Deltacommissie). Gearchiveerd op 20 december 2022. Zijn moeder was een dochter van de procureur mr. Gerrit van der Jagt (1807-1857), die plaatsvervangend rechter en gemeenteraadslid in Den Haag was.De familie Van der Jagt is opgenomen in Nederland's Patriciaat 41 (1955: 194-202; 197 voor het huwelijk). Cornelia Johanna van der Jagt en Johannes Godtlieb Jäger zijn op 27 juni 1855 getrouwd in Den Haag. Terzijde: volgens NP 41 is Johannes Godtlieb op 30 juni 1884 overleden, maar in zijn overlijdensakte staat 31 juli ("l'an mil huit cent quatre-vingt-quatre, le trente-unième jour du mois de juillet est décédé à Dinant Johannes Godtlieb Jäger"). De akte vermeldt dat hij woonachtig ("domicilié") was in Amsterdam en verblijvende ("demeurant") in Dinant. Gerrit had drie zussen en drie broers:

Alida Christina Jäger (Amsterdam, 28 juni 1856 – Zeist, 13 april 1930). Zij is op 21 augustus 1879 in Amsterdam getrouwd met de predikant Pieter Kornelis Bijl (Amsterdam, 24 december 1852 – Assen, 29 mei 1894).Volgens de Global Anabaptist Mennonite Encyclopedia Online was Pieter Kornelis Bijl predikant in Stavoren, Edam, Wormerveer-Zuid en Leeuwarden. Gearchiveerd op 17 april 2013. Cornelia Gerardina Jäger (Amsterdam, 14 juli 1859 – Den Haag, 25 maart 1922). Zij is op 21 juni 1888 in Den Haag getrouwd met de belastingambtenaar Rudolf de Bruyn Ouboter (Rotterdam, 20 december 1861 – Den Haag, 13 juni 1926).De familie (De Bruyn) Ouboter is opgenomen in Nederland's Patriciaat 20 (1931: 175-181; 180 voor het huwelijk). Volgens de huwelijksakte (GA Den Haag, huwelijken 1888, akte 562) was Rudolf "ontvanger der registratie en domeinen". Een van de drie kinderen van Cornelia Gerardina en Rudolf was de kunstschilder Rudolf de Bruyn Ouboter (1894-1983), die door zijn vriend en collega Kees Verwey de "prins der aquarellisten" werd genoemd. Zie Christiaan Jäger (Amsterdam, 31 augustus 1861 – Amsterdam, 4 november 1865). Johannes Godtlieb Jäger (Den Haag, 20 juli 1865 – Amsterdam, 2 juli 1880).Hij werd geboren op H. Duinweide. Zie het geboortebericht in het Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage van 23-07-1865 (p. 3, kolom 1, Advertentien). Cornelia Johanna Jäger (Amsterdam, 24 november 1867 – Den Haag, 31 mei 1907). Zij bleef ongehuwd. Christiaan Jäger (geb. Amsterdam, 9 maart 1870).Van deze Christiaan zijn geen verdere gegevens bekend. Hij was in 1894 in leven (zijn naam staat in het overlijdensbericht van zijn broer Gerrit).

Gerrit Jäger was elf jaar oud toen zijn moeder overleed. Acht dagen vóór haar overlijden was zij bevallen van een doodgeboren dochter.Een kennisgeving van de doodgeboorte stond in Het nieuws van den dag van 19-11-1874 (p. 3, laatste kolom bovenaan, Advertentien). Op 24 maart 1880 is Gerrits vader in Wageningen hertrouwd met de tweeëntwintig jaar jongere Petronella Jacoba Nicolina van der Chijs (Koudekerk, 12 maart 1852 – Den Haag, 30 juni 1926). Dit huwelijk bleef kinderloos. Petronella Jacoba Nicolina van der Chijs was van 1885-1899 directrice van het Ooglijdersgasthuis in Utrecht.Volgens het artikel Arme Blinden in het Het nieuws van den dag van 22-11-1886 (p. 6, kolom 4) werd zij directrice kort na het aantreden (op 27 oktober 1884) van Herman Snellen als geneesheer-directeur. In het Algemeen Handelsblad van 20-02-1899 (p. 1, kolom 5, boven Landmacht) wordt aangekondigd dat zij na 14 jaar op 1 mei haar functie zal neerleggen.

Letterkundig leven Gerrit Jäger werkte als redacteur bij de Haagse krant Het Vaderland. Hij werd daarom door Couperus wel "Gerrit van de pers" genoemd. In zijn vrije tijd schreef hij toneelstukken. Zijn bekendste werk is Familieleven. Het werd in 1888 opgevoerd in Den Haag, Amsterdam en Arnhem. Van een stuk Armoê is het manuscript bewaard gebleven. Van twee werken is alleen de naam overgeleverd: De laatste koning en Een Sint Nicolaas-avond.Zie Van der Linden (2011: 15). De eenakter Een Sint Nicolaas-avond wordt genoemd in de rubriek Kunst en Letteren van het Algemeen Handelsblad van 24-03-1892 (avondeditie, p. 1, kolom 4). Het bericht gaat over de stopzetting van de subsidie aan de Amsterdamse toneelschool en laat weten dat het Haagse toneelgezelschap Utile et Laetum een benefietvoorstelling voor de school gaat geven. Of Jäger nog ander werk geschreven heeft, is onbekend. Mogelijk zijn al zijn geschriften na zijn dood door zijn familie vernietigd.Zie het naschrift van de brief die Couperus op 24 november 1897 heeft geschreven aan zijn uitgever Veen: "Noodlot van Jäger is niet in druk verschenen, maar ik weet niet waar het Ms. is. De familie van mijn overleden vriend heeft weinig égards gehad voor zijn werk en papieren. Misschien zoû U er Mevrouw de Wed. Jäger naar kunnen vragen te Utrecht (directrice van het Ooglijdersgesticht); maar misschien is het tooneelstuk wel ... weg! Wie vroeg U er naar? Jäger had ook een tooneelspel voltooid: De laatste koning, waar veel goeds in was. Ik had het er verleden met Van Nouhuys over. Maar de familie is voor den doode, die voor hen alles was, eenvoudig schandalig onverschillig geweest." Uit Brieven van Louis Couperus aan zijn uitgever (deel I: 136-138, brief 181). Het naschrift wordt geciteerd in Van der Linden (2011: 16). Gearchiveerd op 11 augustus 2016.

Omstreeks 1888 werd Gerrit Jäger opgenomen in de kleine kring van intimi rond de schrijver Louis Couperus. Tot die kring behoorden Frans Netscher, Jan ten Brink en Johan Ram. Netscher was al op de HBS bevriend geraakt met Couperus. Ten Brink was daar hun leraar Nederlands. Hij werd in 1884 hoogleraar in de Nederlandse letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Leiden en schreef regelmatig artikelen voor Het Vaderland. De vriendschap met Ram is in de jaren 1888-1890 ontstaan. Hij en Couperus waren toen beiden lid van het amateur-toneelgezelschap Utile et Laetum van Marcellus Emants. Waar en wanneer Jäger en Couperus elkaar voor het eerst hebben ontmoet, is niet bekend. Waarschijnlijk is hun vriendschap begonnen in het voorjaar van 1888, toen Couperus werkte aan zijn eerste roman Eline Vere.Zie Bastet (1987) voor het ontstaan van de vriendschappen van Couperus met Netscher (85), Ten Brink (88-91), Ram (126, 129) en Jäger (118-119).

Het Vaderland was de eerste krant in Nederland die een vaste rubriek Kunst en Letteren had.J. van de Plasse, Kroniek van de Nederlandse dagblad- en opiniepers, Otto Cramwinckel, Amsterdam 2005, blz. 29. De rubriek stond onder leiding van dr. J. de Jong.De wis- en natuurkundige Josef Daniel de Jong (1848-1927) werd op 1 april 1876 redacteur buitenland van Het Vaderland. Hij volgde daar al gauw de zieke Jacques van Santen Kolff op als muziekrecensent en creëerde in die hoedanigheid de rubriek Kunst en Letteren. Zie zijn necrologie in Het Vaderland van 31-12-1927 (avondeditie, p. 3, kolom 2) en het Levensbericht van Dr. J.D. de Jong in het Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde van 1928. Gearchiveerd op 4 juni 2023. Eline Vere werd in 1888 als dagelijks feuilleton door Het Vaderland gepubliceerd. De eerste aflevering stond in de krant van 17 en 18 juni, de laatste aflevering verscheen op 4 december.De datum "17 en 18 juni 1888" staat boven de eerste aflevering van Eline Vere in Het Vaderland. Zie foto 34 op blz. 15 van het aan Louis Couperus gewijde Schrijversprentenboek 9 (De Bezige Bij, Amsterdam 1963). Gearchiveerd op 7 september 2021. De Jong zou in 1923 memoreren dat het Gerrit Jäger was geweest, die de redactie met het werk van de nog vrij onbekende Couperus had laten kennismaken en er – door zijn enthousiasme en met steun van Ten Brink – toe had bijgedragen dat het als feuilleton geplaatst werd.De Jong (1923) reageerde op het stuk Allerlei over Couperus in Het Vaderland van 28 juli 1923 (avondeditie, p. 13 onderaan) waarin, onder het kopje "Couperus en het tooneel", niet Gerrit Jäger, maar ene "F.M. Jaeger (Maurits Smit)" was genoemd als de bewerker van Noodlot. F.M. (Frans Maurits) Jaeger (1848-1926) was een leraar wiskunde uit Den Haag, die onder het pseudoniem Maurits Smit zijn literaire aspiraties botvierde. Eline Vere was een succes. De roman werd in maart 1889 als boek uitgegeven en op 12 augustus 1890 bekroond met de D.A. Thiemeprijs. De tweede druk, die in november 1890 op de markt kwam, werd door Couperus aan Jäger opgedragen.De opdracht luidt: "Aan mijn vriend Gerrit Jäger / Luik, 14 Sept. '90". Volgens Bastet (1987: 137) logeerde Couperus in de nazomer van 1890 met zijn nichtjes Guillemine Louise (Minta) en Elisabeth Baud in Luik bij hun tante Marie Taets van Amerongen-Riesz (1832-1908). De tweede druk van Eline Vere bevat geen publicatiegegevens, maar uit berichten in de pers valt af te leiden dat die in november 1890 is verschenen. Zie bijvoorbeeld Het nieuws van den dag van 17-11-1890 (p. 5, kolom 1 onderaan, Leestafel).