De Filipijnen (of FilippijnenDe schrijfwijze met één p wordt door de adviseurs van de Taalunie aanbevolen omdat die spelling het best aansluit bij de uitspraak. Zie Taalunie. Gearchiveerd op 16 april 2021.) (uitspraak: [filiˈpɛɪnə(n)]), officieel de Republiek der Filipijnen (Filipijns: Republika ng Pilipinas, Engels: Republic of the Philippines), is een republiek in Zuidoost-Azië. De archipel bestaat uit 7641 eilanden, waarvan de grootste twee Luzon en Mindanao zijn. Deze beide eilanden beslaan samen zo'n twee derde van de oppervlakte van het land, dat met ongeveer 300.000 km² ruim zeven maal zo groot is als Nederland en ruim negen maal zo groot als België. De Filipijnen hadden bij de laatste officiële census in 2015 bijna 101 miljoen inwoners.

Door de locatie van de Filipijnen nabij de Pacifische Ring van Vuur en de evenaar zijn de Filipijnen gevoelig voor aardbevingen en tyfoons. Deze locatie zorgt echter ook voor relatief veel natuurlijke hulpbronnen en een grote biodiversiteit.

Ruy López de Villalobos noemde tijdens zijn mislukte expeditie in 1543 de eilandengroep naar de toenmalige kroonprins van Spanje, Filips II. Daarna waren de Filipijnen ruim 300 jaar lang een Spaanse kolonie, tot de archipel in 1898 aan het eind van de Spaans-Amerikaanse Oorlog in Amerikaanse handen kwam. Hoewel de Filipijnse revolutionaire beweging onder leiding van Emilio Aguinaldo op 12 juni 1898 de onafhankelijkheid uitriep, zou het nog tot 4 juli 1946 duren voor het daadwerkelijk zover was. De Filipijnen hebben door de langdurige kolonisatie door Spanje en de Verenigde Staten veel westerse kenmerken. Zo is een groot deel van de bevolking katholiek, het is na Brazilië en Mexico het grootste katholieke land ter wereld.http://www.countryranker.com/which-countries-have-the-most-catholics-now/. Gearchiveerd op 6 maart 2023.

De Filipijnen kennen een scherpe tegenstelling tussen arm en rijk. Er is sprake van een kleine, rijke elite en een groot arm deel van de bevolking dat veelal onder het bestaansminimum leeft. De elite heeft zowel op economisch als op politiek gebied de touwtjes in handen. In de jaren 70 werd het land op dictatoriale wijze geregeerd door president Ferdinand Marcos. Diens opvolger Corazon Aquino, de eerste vrouwelijke president van het land, herstelde de democratie weer, maar een economische opleving bleef uit. Ook werden problemen, zoals de corruptie, de ongelijke verdeling van rijkdom en het grondbezit tijdens haar regeerperiode en die van haar opvolgers niet aangepakt. De huidige president is Ferdinand Marcos jr.

Geschiedenis

Vroege geschiedenis De eerste menselijke bewoning van de Filipijnen dateert van minimaal 50.000 jaar geleden. De oudste fossiele resten van mensen in de Filipijnen werden gevonden in de Tabongrot in Palawan en zijn gedateerd op een leeftijd van zo'n 24.000 jaar. Andere archeologische vondsten wijzen er echter op dat deze Tabonmens al 30- tot 50.000 jaar geleden gebruikmaakte van deze grot. Veel later, vanaf ongeveer 4000 voor Christus, arriveerden andere mensen vanuit de Indonesische eilanden en het vasteland van Azië. De mensen op de Filipijnen leefden lange tijd zeer geïsoleerd en zonder veel contact met de mensen uit andere delen van de regio. Er waren geen koninkrijken of soortgelijke samenlevingsvormen. De mensen leefden daarentegen in kleine gemeenschappen - de zogenaamde barangays - van enkele tientallen families, met aan het hoofd een datu. Slechts op enkele locaties waren de gemeenschappen wat groter.

Vanaf de dertiende eeuw was er meer contact met de buitenwereld. Zo werd er in die tijd door de gemeenschappen langs de Filipijnse kusten handel gedreven met Chinese handelaren. Niet veel later kwamen met name de bewoners van de zuidelijk gelegen Sulu-eilanden en Mindanao in contact met de islam. In de 15e eeuw werd het Sultanaat van Sulu gesticht en tegen het eind van de 16e eeuw volgde het Sultanaat van Maguindanao.

Spaanse kolonie In 1521 arriveerde de Spaanse expeditie onder leiding van Magellaan op de archipel. Hij probeerde de lokale bevolking tot het christendom te bekeren, wat hem uiteindelijk tijdens een veldslag met Lapu-Lapu op het eiland Mactan vlak bij Cebu fataal werd. De Spaanse interesse in het gebied bleef echter aanhouden en enkele tientallen jaren later, in 1565, werd een begin gemaakt met de kolonisatie van de Filipijnen door een expeditie onder leiding van Miguel López de Legazpi. In 1571 werd Maynilad (het tegenwoordige Manilla) veroverd. Na het aanvoeren van nieuwe troepen uit Nieuw-Spanje werd het land stap voor stap verder onder controle van de Spanjaarden gebracht. De Filipijnen zouden echter voor de Spanjaarden bij lange na niet zo lucratief blijken te zijn als de Spaanse kolonies in Amerika. De handel met de Manillagaljoenen, waarbij tweemaal per jaar handelswaar vanuit China en India naar Nieuw-Spanje werd vervoerd, domineerde het beleid van de Spanjaarden. De economie van het land werd tot aan het begin van de 19e eeuw nauwelijks ontwikkeld. Een belangrijk ander doel van de Spanjaarden was de bekering van de Filipino's tot het katholicisme. Hierbij was een grote rol weggelegd voor de missionarissen van de grote katholieke kloosterordes: de franciscanen, de augustijnen, de dominicanen en de jezuïeten. De controle over Mindanao zou tot de 19e eeuw echter marginaal blijven, hetgeen een reden was voor de Moro's te betwisten dat ze deel van de Filipijnen uitmaakten. Ook was er zo nu en dan sprake van Mindanao aan een andere koloniale mogendheid te laten, bijvoorbeeld het naar koloniën zoekende België. Zo ver kwam het niet en in de 19e eeuw werd ook Mindanao stevig onder Spaanse controle gebracht.

Filipijnse revolutie thumb|Een cartoon over de beslissing van de Amerikaanse president McKinley omtrent het behouden van de Filipijnen. Na ruim driehonderd jaar kwam er een eind aan de Spaanse aanwezigheid op de Filipijnen. In augustus 1896 brak de Filipijnse revolutie uit. De aanleiding was de ontdekking van de ondergrondse verzetsbeweging Katipunan door de Spanjaarden. De revolutionairen besloten daarop vervroegd een gewapende opstand te beginnen met als doel de onafhankelijkheid te bewerkstelligen. In de eerste fase van de revolutie wonnen de Filipino's diverse veldslagen. Er werd een revolutionaire regering gevormd en er werd zelfs een aanval op Manilla uitgevoerd. Deze faalde echter. Op 30 december 1896 werd José Rizal geëxecuteerd. Rizal, een van de belangrijkste inspirators voor de revolutionaire beweging, was kort na het uitbreken van de Filipijnse revolutie gearresteerd vanwege vermeende betrokkenheid en had een tijd in ballingschap geleefd. Door zijn executie werd Rizal voor de Filipino's een martelaar en nationale held.

In 1897 leidde een interne machtsstrijd uiteindelijk tot de berechting en executie van de oorspronkelijke leider van de Katipunan, Andrés Bonifacio. De nieuwe leider was generaal Emilio Aguinaldo. Datzelfde jaar werd onder zijn leiding het Pact van Biak-na-Bato gesloten. De leiders van de revolutie vertrokken daarbij op vrijwillige basis in ballingschap naar Hongkong in ruil voor een grote som geld. Daarnaast zouden de opstandelingen hun wapens inleveren en beloofde de Spaanse gouverneur-generaal dat er hervormingen zouden worden doorgevoerd. De laatste twee afspraken werden echter nooit nagekomen. Toen in 1898 de Spaans-Amerikaanse Oorlog uitbrak zagen Aguinaldo en de andere leiders hierin dan ook aanleiding om de revolutie voort te zetten. Met hulp van de Amerikanen keerden zij terug in de Filipijnen en rond juni 1898 hadden de opstandelingen een groot deel van de Filipijnen, met uitzondering van Manilla onder controle. Aguinaldo riep daarop op 12 juni 1898 de onafhankelijkheid uit. Zowel de Spanjaarden als de Amerikanen weigerden deze onafhankelijkheid echter te erkennen. Manilla werd uiteindelijk door de Amerikaanse troepen ingenomen. In december 1898 werd middels het Verdrag van Parijs het einde van de oorlog formeel vastgelegd. Spanje deed daarbij afstand van de Filipijnen, Cuba, Guam en Puerto Rico in ruil voor 20 miljoen dollar.

Amerikaanse kolonie Toen bleek dat de Amerikanen van plan waren om als kolonisator in de Filipijnen te blijven namen de spanningen tussen de revolutionaire beweging en de Amerikanen toe. Kort daarop begon de Filipijns-Amerikaanse Oorlog. In maart 1901 werd Aguinaldo door de Amerikanen gevangengenomen. Kort daarop werd de oorlog officieel beëindigd verklaard, maar sporadisch werd nog tot 1913 gevochten. In juli 1901 werd het militair bewind van de Amerikanen beëindigd en installeerde men een burgerregering. In 1907 werd de macht van de Philippine Commission beperkt, toen deze verder ging als hogerhuis van een tweekamerige wetgevende macht. Het aantal Amerikaanse leden van de Commission werd bovendien in de loop der tijd steeds minder. Het lagerhuis werd vanaf 1907 gevormd door het Filipijns Assemblee dat bestond uit tachtig rechtstreeks door de Filipijnse stemgerechtigden gekozen leden.

In 1916 nam het Amerikaans Congres de Jones Act aan. Deze wet was de eerste stap die de Verenigde Staten zetten in de richting van Filipijnse onafhankelijkheid. Hoewel de Amerikaanse Senaat al graag een datum voor de onafhankelijkheid in de wet had willen opnemen, werd dit door het Huis van Afgevaardigden tegengehouden. Nu stond er in de wet dat het de bedoeling was om de Filipijnen hun onafhankelijkheid te geven, wanneer de situatie in het land er klaar voor was. In 1934 werd een en ander verder geconcretiseerd toen het Amerikaans Congres de Tydings–McDuffie Act aannam. Deze wet bepaalde dat de Filipijnen na een overgangsperiode van 10 jaar onafhankelijk zouden worden. In deze overgangsperiode zouden de Filipino's een veel grotere mate van zelfbestuur krijgen dan tot dan toe. Zo kregen de Filipijnen in 1935 de status van gemenebestland. Hierdoor kon het land een lid zonder stemrecht naar het Amerikaans Congres sturen, zoals dat nu nog gebeurt door Puerto Rico en de Noordelijke Marianen.

De Filipijnse republiek thumbtime=2|thumb|Amerikaanse filmopnamen over de onafhankelijkheidsverklaring in 1946. Kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog, op 4 juli 1946, werden de Filipijnen onafhankelijk. De eerste president van het onafhankelijke land was Manuel Roxas, die bij de verkiezingen van 1946 zittend president Sergio Osmeña had verslagen. Door de oorlog was een groot deel van Manilla verwoest en de economie van het land was er slecht aan toe. De Verenigde Staten boden hulp bij het opbouwen van het land, maar die hulp kwam tegen hoge kosten. Zo mochten de Verenigde Staten nog acht jaar lang vrij handelen met de Filipijnen. Daarna zouden de Filipijnen geleidelijk aan steeds hogere tarieven mogen heffen. Ook kreeg de voormalig kolonisator het recht om 99 jaar lang enkele zeer grote militaire bases in het land te handhaven. Op het grondgebied van deze bases, zoals Clark Air Base en Subic Bay Naval Base lag de zeggenschap bovendien bij de VS. Als laatste kregen Amerikaanse staatsburgers bovendien dezelfde rechten als Filipino's met betrekking tot het exploiteren van de natuurlijke hulpbronnen van de Filipijnen.

Toen Roxas in 1948 door een hartaanval plotseling overleed, werd hij opgevolgd door vicepresident Elpidio Quirino. Zijn termijn werd gekenmerkt door een voortzetting van de wederopbouw van het land en economische vooruitgang. De bestaande sociale problemen in het land werden echter niet aangepakt. Bovendien werd zijn regering net als die van zijn voorganger Roxas geplaagd door grootschalige corruptiepraktijken. De communistische Hukbalahap die ooit was begonnen als verzetsbeweging tegen de Japanners groeide in die tijd uit tot een serieuze bedreiging. Quirino werd in 1953 opgevolgd door Ramon Magsaysay. Magsaysay had nauwe banden met de Verenigde Staten.