Het behaviorisme (afgeleid van Engels: behavior = gedrag) is een stroming gericht op de verklaring van gedrag van mensen en dieren. Het wordt zowel gezien als een stroming binnen de psychologie als de filosofie achter de psychologie. Zo zei de bekende psycholoog B.F. Skinner in 1974: Binnen het behaviorisme bestaan verschillende stromingen. Een aantal uitgangspunten zijn echter gemeenschappelijk: Het onderzoeksdomein van de psychologie is het gedrag van mensen en dieren. Niet alleen uiterlijk gedrag, maar ook innerlijke gebeurtenissen (gedachten, gevoelens) kunnen benaderd worden als gedrag. Het onderzoekssubject is het organisme in zijn omgeving. De onderzoeksmethode van de psychologie is die van de natuurwetenschappen: experimenteel en ander empirisch wetenschappelijk onderzoek. Introspectie hoort daar niet bij. De psychologie gaat hierbij op zoek naar functionele verbanden tussen gedrag en omgeving, niet naar structuren en andere mentalistische zaken. Daarbij wordt gezocht naar hoe gedrag en gewoonten tot stand komen, geleerd worden. De doelen van de psychologie zijn voorspellen en controleren (of beïnvloeden) van gedrag. Dit staat in tegenstelling tot het beschrijven en verklaren van mentale of psychische toestanden door andere stromingen.

Psychologie wordt door het behaviorisme dan ook kortweg gedefinieerd als de wetenschappelijke studie van gedrag.

Geschiedenis Eerste generatie: het klassieke behaviorisme Het officiële, symbolische geboortejaar van het behaviorisme is 1913. Toen publiceerde John Watson zijn manifest Psychology as the behaviorist views it. Hiermee zette hij zich af tegen de psychologie van die tijd die grotendeels steunde op introspectie en zich richtte op de studie van het bewustzijn en het mentale leven. In de plaats kwamen gedrag en experimenteel onderzoek, met nadruk op observeerbaarheid en objectiviteit. Het klassieke behaviorisme was gegroeid uit het functionalisme - dat zich afzette tegen het structuralisme, maar zich toch bleef richten op mentale processen - en uit de opkomende vergelijkende psychologie, waarbij dieronderzoek belangrijk werd. De eerste behavioristen wijdden zich dan ook grotendeels aan dieronderzoek. Het klassieke behaviorisme wordt S-R-behaviorisme genoemd (S = stimulus = prikkel; R = respons = reactie). Het was een erg mechanistisch behaviorisme dat op zoek ging naar hoe stimuli gedrag konden uitlokken en hoe dat beïnvloed kon worden. De leerprocessen werden conditionering genoemd. Deze visie werd zeer sterk beïnvloed door de reflexfysiologie van Ivan Pavlov (die zichzelf nooit een behaviorist heeft genoemd) en anderen. Naast Watson was onder meer Edward Thorndike een belangrijke vroege behaviorist, zelfs vroeger dan Watson.

Tweede generatie: het neobehaviorisme Het klassieke behaviorisme worstelde met het probleem dat stimuli en responsen dikwijls niet zo correleerden als verwacht. Er was te veel variatie in gedrag. Verder worstelde het met niet-observeerbare inwendige toestanden (binnen het lichaam). Vanaf de jaren 1930 spreekt men over een tweede generatie behavioristen. Deze zoeken antwoorden op de knelpunten en worden dikwijls allemaal neobehavioristen in brede zin genoemd, hoewel daarbinnen meestal twee groepen worden onderscheiden. Gemeenschappelijk aan de tweede generatie is dat ze beïnvloed werd door het logisch positivisme en op zoek ging naar leerprocessen.: A history of psychology: original sources and contemporary research. New York: McGraw-Hill, 1988, . Hoofdstuk over het neobehaviorisme, aangevuld met teksten van Tolman, Hull en Skinner.: Behaviorism tutorial. Athabasca University, 2005.

Neobehaviorisme Het neobehaviorisme in enge zin kende haar hoogtepunt in de jaren 30 tot eind de jaren 50. Het belangrijkste verschil met andere vormen van behaviorisme was dat het neobehaviorisme ging werken met tussenliggende variabelen van het organisme en theoretische constructen (mechanismen, toestanden, processen, ...), die ze operationeel definieerde: cognitieve kaart, drive strength ... Deze factoren van het organisme (O) beïnvloeden de reactie (R) op de stimulus (S) en werden weergegeven als S-O-R. Daarom wordt dit neobehaviorisme ook mediationeel neobehaviorisme genoemd. Een belangrijke vertegenwoordiger was Clark Hull, die een ingewikkeld mathematisch systeem ontwikkelde. Edward Tolman was eveneens een belangrijk neobehaviorist. Hij legde de nadruk op de doelgerichtheid van gedrag en de invloed van cognities. Zijn theorie was veel vager en moeilijker wetenschappelijk te onderzoeken. In de jaren 40 en 50 werd het neobehaviorisme de belangrijkste stroming binnen de wetenschappelijke psychologie.

thumb|Burrhus Frederic Skinner (ca. 1950)

Radicaal behaviorisme Naast het neobehaviorisme in enge zin ontstond een andere stroming onder impuls van B.F. Skinner. Skinner begon met onderzoek begin jaren 30. Zijn eerste belangrijke werk verscheen in 1938, maar verkocht toen nauwelijks.: The behavior of organisms: an experimental analysis. New York: Appleton-Century-Crofts, 1938. Als officiële geboortejaar van het radicale behaviorisme wordt meestal 1945 genoemd. In dat jaar publiceerde Skinner een nog steeds belangrijk artikel, The operational analysis of psychological terms, waarin hij een aantal essentiële elementen van zijn visie uiteenzette. Binnen deze stroming werd een model met drie niveaus opgebouwd: de filosofische onderbouw werd gevormd door het radicale behaviorisme de wetenschappelijke psychologie die erop gebaseerd is, noemde Skinner de gedragsanalyse, specifieker de experimentele gedragsanalyse de toepassingen van de basisbevindingen behoren tot de toegepaste gedragsanalyse (Engels: Applied Behavior Analysis (ABA), ook wel behavioral engineering)

De term 'radicaal' verwijst naar het toepassen van de behavioristische visie op het gedrag van de onderzoekers zelf, evenals op het innerlijke van de mens, zonder daarbij beroep te doen op tussenliggende, mediërende variabelen. Skinner onderscheidde twee vormen van conditionering: respondente conditionering (conform de ideeën van Pavlov) waarbij het ging om vooral fysiologische reflexen operante conditionering

Het onderzoek van Skinner richtte zich volledig op de operante conditionering. Hierbij werd de wisselwerking tussen organisme en omgeving bestudeerd. Gedrag wordt mede beïnvloed door de consequenties (C) die erop volgen: bekrachtiging. Waar het neobehaviorisme uitging van het schema S-O-R (Stimulus-Organisme-Reactie), hanteerde Skinner het schema S-R-C (Stimulus-Reactie-Consequentie), en ook wel A-B-C (Antecedent-Behavior-Consequence; de situatie die aan het gedrag voorafging (de 'antecedent'), het gedrag zelf (behavior) en de consequenties). Ook taal of verbaal gedrag is een vorm van operant gedrag. Om gedrag te voorspellen moet men zicht hebben op het organisme en zijn context. Deze context behelst de biologische kenmerken, de (leer-)geschiedenis en de huidige situatie. Gedragsanalyse (en dus psychologie) wordt beschouwd als een onderdeel van de biologie. Filosofisch evolueerde het radicale behaviorisme naar het pragmatisme en selectionisme, naar analogie met de natuurlijke selectie van Darwin. Dit houdt bijvoorbeeld de opvatting in dat de betekenis van een woord bepaald wordt door de context, door de contingenties waarbinnen het gebruikt wordt.: Skinner: from essentialist to selectionist meaning. Behavior and Philosophy, 1997, 25, 95-119. Gearchiveerd op 21 mei 2022. Tot de jaren 60 bleef het radicale behaviorisme een kleine stroming. Vanaf de jaren 60 begon het cognitivisme op te komen, verschoof het neobehaviorisme in enge zin naar de achtergrond om uiteindelijk zowat helemaal te verdwijnen en werd het radicale behaviorisme de hoofdstroming binnen de wetenschappelijke psychologie. Halverwege de jaren 70 werd de cognitieve psychologie de hoofdstroming binnen de psychologie. Het radicale behaviorisme blijft tot vandaag de belangrijkste stroming binnen het behaviorisme, maar het behaviorisme in zijn geheel verdween naar de achtergrond en werd een kleine stroming.

Filosofisch behaviorisme

Gelijklopend met de ontwikkelingen in de psychologie ontstond ook in de filosofie een vorm van behaviorisme, namelijk het filosofisch behaviorisme of logisch behaviorisme., "Physicalism", In The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Winter 2005 Edition), Edward N. Zalta (ed.). Gearchiveerd op 25 april 2023. Het behaviorisme zou in de filosofie van de geest gedurende het grootste deel van de 20e eeuw dominant blijven, in het bijzonder de eerste helft., "Mind-Body Problem", Oxford Companion to Philosophy, In: Ted Honderich (ed.). Oxford, Oxford University Press. 1995. Het filosofisch behaviorisme stelt dat psychologische uitspraken geanalyseerd en vertaald kunnen worden in termen van complexe uitspraken over ons actueel en dispositioneel gedrag, zonder dat daarbij enige vorm van betekenis verloren gaat. Dit behaviorisme werd in de filosofie gezien als een mogelijke oplossing van het lichaam-geestprobleem. Het wordt dan ook vooral opgevat als een reactie op het dualisme van René Descartes, de tot dan toe heersende opvatting in de filosofie van de geest. Het filosofisch behaviorisme stelt dat men bij het cartesianisme misleid wordt te denken dat de 'geest' een substantie zou zijn, waarbij dan bijvoorbeeld overtuigingen en pijn eigenschappen of toestanden van die substantie zijn. Volgens filosofische behavioristen is dit een foutief idee, dat voortkomt uit een verkeerd of naïef gebruik van de taal. Als vertegenwoordigers hiervan worden weleens Gilbert Ryle, The Concept of Mind, Chicago: University of Chicago Press, 2002. en Ludwig Wittgenstein genoemd. Daarnaast worden ook Rudolf Carnap, Carl Hempel en W. V. O. Quine, Behaviorism, Internet Encyclopedia of Philosophy, geraadpleegd op 9 februari 2012. "Behaviourism" in (ed.), A Companion to the Philosophy of Mind. Blackwell, 1996. Gearchiveerd op 22 mei 2023. als filosofisch behavioristen beschouwen. Een meer hedendaagse filosofisch behaviorist is Daniel Dennett., "The Message is: There is no Medium", Tufts University. Bezocht 24-01-2012.

Stromingen binnen het behaviorisme Binnen het behaviorisme zijn er steeds verschillende stromingen geweest. Sommige daarvan zijn zeer beperkt, vormden een kleine school rond hun ontwikkelaar en verdwenen daarna. Andere zijn groter. methodologisch behaviorisme: dit is een strikt mechanistische strekking, die historisch zeer belangrijk is geweest, doch aan het begin van de 21ste eeuw nog slechts weinig aanhangers kent. Psychologie moet zich houden aan de studie van gedrag en dit op een empirische, objectieve manier. Ofwel beperkt men zich tot publiek observeerbare stimuli en gedrag, ofwel hanteert men theoretische begrippen (mediërende variabelen) die dan gedefinieerd worden in termen van publiek observeerbare stimuli en responsen (reductionisme). Het klassieke behaviorisme en het neobehaviorisme in enge zin behoren tot het methodologisch behaviorisme. Momenteel zijn er nog weinig onderzoekers die zich in deze stroming situeren. radicaal behaviorisme: de strekking die werd ontwikkeld door B.F. Skinner. Ook processen binnen het organisme (covert gedrag) behoren tot het onderzoeksdomein van de gedragsanalyse. Dit is geen mechanistische strekking, maar een pragmatische. Het radicale behaviorisme is sinds de jaren 1960 de hoofdstroming binnen het behaviorisme en kent nog zeer veel aanhangers. teleologisch behaviorisme: kleinere deelstroming van het radicale behaviorisme (hoewel sommigen deze meer binnen het methodologisch behaviorisme plaatsen), met een uitgesproken 'molaire' visie. Gedrag wordt in een zeer ruime context bekeken. Er wordt gezocht naar patronen in de tijd. Ook interne processen (gedachten, gevoelens) worden beschreven als gedragspatronen. Howard Rachlin is de ontwikkelaar.