Subulo gouazoubira is een zoogdier uit de familie van de hertachtigen (Cervidae). Het is een middelgroot hert van tussen 8 en 25 kg, 82-125 cm kop-romplengte en 50-65 cm schofthoogte met een grijsachtig bruine vacht dat overdag actief is. Het komt voor in Zuid-Amerika ten zuiden van de Amazone en ten oosten van de droge heuvels en vlaktes aan de voet van de Andes. De maximale levensduur in het wild wordt geschat op 13 jaar, maar de meeste dieren worden niet ouder dan 2 jaar. Tot het recente verleden is deze soort verward met andere spiesherten.

Beschrijving Subulo gouazoubira is een middelgroot hert met een bruinachtige, sepia- of grijsbruine vacht op de rug en flanken. De stuit en het bovenste deel van de staart zijn doorgaans voskleurig. Over het algemeen heeft de nek dezelfde kleur als de rug, maar sommige exemplaren vertonen variaties in de vachtkleur, waarbij de rug een oranje zweem heeft. De buik en het middelste deel van de poten kunnen variëren in kleur, van beige, geelachtig of crèmekleurig oranje tot strokleurig wit. De onderkant van de staart is spierwit. De buikvacht heeft vaak duidelijk afgebakende randen aan de flanken. Een driehoekige, donkerbruine pluk lange, stugge vacht bovenop de kop is een veelvoorkomend kenmerk van deze soort. De zijranden van de pluk kunnen oranje getint zijn en bedekken soms de basis van het gewei. Het dier heeft enkele vlekken, variërend van scherp tot vaag, in een variabele kleur (witachtig, geelachtig of beige), op de bovenlip, kin en boven het oog. Daarnaast heeft het oranjebeige of oranjebruine banden van variabele scherpte op de kin en onder en boven de oogkas. De oren zijn groot en rond met een witte of beige voor- en achterkant. Subulo gouazoubira is doorgaans hoger bij de stuit dan de schouder. Volwassen dieren hebben een kop-romplengte van 82-125 cm, een staart van 8 tot 19 cm, een schofthoogte van 50-65 cm, terwijl het oor van 9½-12 cm hoog is en een gewei van 5½-15 cm. Ze wegen tussen de 8 en 25 kg. Verder naar het zuiden zijn de dieren gemiddeld wat groter dan bij de evenaar. In een populatie waren 32% van de individuen jonger dan 1 jaar en 54% was jonger dan 2 jaar. De maximale levensduur in het wild wordt geschat op 13 jaar. Er zijn 35 paar homologe chromosomen (2n=70).

Gewei De aanwezigheid van een gewei bij de bokken is het meest opvallende verschil tussen de geslachten. Het gewei verschijnt in het eerste levensjaar en bereikt een lengte van 5½ tot 15 cm bij volwassenheid. Het gewei is naar achteren gericht en kan cilindrisch of zijdelings afgeplat zijn, recht of licht gebogen in het midden, en parallel of licht uitstaand ten opzichte van elkaar. Er zijn meestal geen vertakkingen, hoewel sommige oudere bokken gepaarde kleine doornen aan de basis van de geweistang hebben. De basis is bezet met langwerpige knobbeltjes van verschillende grootte en vorm. Het oppervlak van de geweistang heeft min of meer duidelijke kastanjebruine kammen in de lengterichting, meestal beperkt tot de onderste helft. De rozet aan de basis van het gewei groeit naarmate het gewei langer wordt. Het gewei heeft geen opvallende parelmoerglans zoals bij sommige andere soorten. Er geen vaste cyclus van groei en afstoting, en geweien kunnen op elk moment van het jaar afvallen en weer aangroeien. In Argentinië verliezen mannetjes hun gewei tussen augustus en december. Een paar dagen nadat het litteken is gevormd, begint er een nieuw gewei te groeien totdat het na ongeveer 4 maanden verhardt. Bokken met verharde geweien zijn in Brazilië van mei tot december waargenomen, terwijl in Argentinië geweien in maart en april te vinden zijn, en het hele jaar door in Paraguay. Soms blijven geweien langer dan 2 jaar zitten, maar vaker worden ze na de paringscyclus afgeworpen.

Anatomie thumb De schedel is 16-19¾ cm, heeft een lange snuit die bijna 50% van de totale lengte van de schedel beslaat en dat is minder omvangrijk dan bij andere spiesherten. De oogkas is rond of licht vierkantig. De tandformule van het volwassen dier is vaak identiek aan die van het ree, maar een deel van de volwassen dieren heeft kleine maar opvallende bovenste hoektanden, die bij het ree nooit aanwezig zijn. De tandformule is daarmee , dat wil zeggen geen snijtanden, een of geen hoektand, drie valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, drie snijtanden, een hoektand, drie valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de onderkaak. De wervelkolom bestaat uit 7 nekwervels, 13 borstwervels, 6 lendenwervels, 5 heiligbeenwervels en 11 staartwervels, in totaal 42. Het schouderblad is breed en plat, met een klein schouderdak en een heel klein ravenbekuitsteeksel. Het opperarmbeen is langwerpig met een afgeronde dwarsdoorsnede en duidelijke uitsteeksels buiten de gewrichten. Het spaakbeen en de ellepijp vormen een lange en smalle, aan de zijde van het lichaam gelegen ruimte zonder groeve om het bloedvat te verzinken. De middenhandsbeentjes III en IV van de voorpoot zijn goed ontwikkeld en vergroeid, terwijl de middenhandsbeentjes II en V rudimentair zijn. Het dier heeft aan de achterpoten vier tenen met elk drie vingerkootjes, waarbij het gewicht rust op de middelste twee (III en IV) en beide andere rudimentair zijn (II en V). De maten van de voorpoot die bij een vrouwtje gemeten zijn, waren voor de hoogte van het schouderblad zo'n 12 cm, de grootste lengte van het opperarmbeen was ruim 14 cm en van het spaakbeen bijna 14 cm, terwijl de grootste lengte van de ellepijp bijna 17 cm was. Het ruggenmerg van het grijze spieshert is cilindrisch, zijdelings verbreed, met een lengte van 60-72 cm en heeft twee verdikkingen die overeenkomen met de verruimingen in de hals (C4-T1) en het heiligbeen (L3-L6). Er zijn 32 paar ruggenmergzenuwen. De plexus brachialis ontstaat door verbindingen tussen de takken van de laatste drie halszenuwen, C6, C7, C8, en de eerste borstzenuw. De klieren op het voorhoofd en onder de ogen zijn niet goed ontwikkeld, terwijl talgklieren prominent aanwezig zijn in de neus en onder de voorhuid. Zweetklieren en talgklieren zijn goed ontwikkeld in de pluk langere haren midden op de wreef. Klieren bevinden zich tussen de tenen van zowel de voor- als achterpoten. De staart heeft een unieke structuur van zweetklieren in compartimenten van collageenvezels. Sommige haren, met name die op de wreef en tussen de tenen, slaan geurige talg op en scheiden deze af, maar dit geldt niet voor de plukjes op het voorhoofd of in de staart. Het oog heeft een ronde pupil en een bruine iris.

Taxonomie thumb|kleurenets van Coassus superciliaris uit 1850 afgebeeld in Proceedings of the Zoological Society of London (vol. 1850, plate XXV)