Nicola Vicentino (Vicenza, ca. 1511 – Milaan, ca. 1576) was een Italiaans componist, muziektheoreticus en geestelijke uit de renaissance. Hij is vooral bekend door zijn traktaat L'antica musica ridotta alla moderna prattica uit 1555 en door zijn experimenten met chromatische en enharmonische muziek.
Vicentino probeerde de muziektheorie van de Oud-Griekse muziek te verbinden met de praktijk van de zestiende-eeuwse muziek. Hij ontwierp daarvoor bijzondere toetsinstrumenten, waaronder het archicembalo en het arciorgano, waarmee kleinere intervallen dan de gewone halve toon konden worden gespeeld. Door deze experimenten wordt hij beschouwd als een van de opvallendste theoretici van de Italiaanse renaissance.
Leven Vicentino werd waarschijnlijk geboren in Vicenza rond 1511. Volgens Treccani was hij mogelijk een leerling van Adrian Willaert, de invloedrijke kapelmeester van de San Marco in Venetië.
In de jaren 1530 kwam Vicentino in contact met het hof van de Este in Ferrara. Ferrara was in de zestiende eeuw een belangrijk centrum van muzikale vernieuwing. Vooral de belangstelling voor verfijnde madrigalen, chromatiek en experimentele toonstelsels maakte het hof tot een vruchtbare omgeving voor Vicentino's ideeën.
Later werkte hij in Rome in de omgeving van kardinaal Ippolito II d'Este. In 1563 werd hij maestro di cappella aan de kathedraal van Vicenza. Daarna werkte hij in Milaan, waar hij rond 1570 rector werd van de kerk San Tommaso. Hij overleed waarschijnlijk in Milaan tijdens de pestepidemie van 1575-1576.
Muziektheorie Vicentino's belangrijkste werk is L'antica musica ridotta alla moderna prattica, dat in 1555 in Rome werd gepubliceerd. De titel kan worden vertaald als "De oude muziek teruggebracht tot de moderne praktijk". In dit traktaat verdedigde Vicentino het idee dat de muzikale genera uit de Oud-Griekse theorie – het diatonische, chromatische en enharmonische genus – ook betekenis konden hebben voor de muziek van zijn eigen tijd.
Zijn theorie was een reactie op de toenemende belangstelling voor chromatiek in de Italiaanse madrigaalkunst. Vicentino wilde aantonen dat moderne composities niet alleen vanuit het diatonische toonstelsel konden worden begrepen, maar ook vanuit chromatische en enharmonische principes.
Een belangrijk moment in zijn loopbaan was het debat met de Portugese muziektheoreticus Vicente Lusitano in Rome in 1551. De discussie ging over de vraag of de muziek van hun tijd uitsluitend diatonisch was, zoals Lusitano stelde, of dat zij ook chromatische en enharmonische elementen bevatte, zoals Vicentino verdedigde. De jury gaf Lusitano gelijk, maar Vicentino werkte zijn standpunt later uitvoerig uit in zijn traktaat uit 1555.
Archicembalo en arciorgano Vicentino ontwierp bijzondere toetsinstrumenten om zijn theoretische ideeën hoorbaar te maken. Het bekendste daarvan is het archicembalo, een uitgebreid klavecimbelachtig instrument met veel meer toetsen per octaaf dan een gewoon klavecimbel.
Met dit instrument wilde Vicentino tonen dat men chromatische en enharmonische intervallen nauwkeuriger kon uitvoeren. In zijn traktaat beschreef hij een systeem met 31 toonplaatsen per octaaf, waardoor zeer kleine toonverschillen mogelijk werden.
Naast het archicembalo ontwierp Vicentino ook een arciorgano, een orgelachtig instrument dat voor vergelijkbare microtonale experimenten bedoeld was. Deze instrumenten waren geen gewone concertinstrumenten, maar experimentele middelen om de mogelijkheden van chromatische en enharmonische muziek te onderzoeken.
Composities Hoewel Vicentino tegenwoordig vooral als theoreticus bekend is, was hij ook actief als componist. Hij schreef onder meer madrigalen en motetten. Zijn composities hangen nauw samen met zijn theoretische ideeën: vooral in zijn madrigalen experimenteerde hij met chromatische wendingen, ongebruikelijke harmonieën en expressieve tekstuitbeelding.
Zijn muziek past binnen de bredere zestiende-eeuwse ontwikkeling waarin componisten steeds sterker zochten naar manieren om tekst, affect en harmonie met elkaar te verbinden. In dat opzicht staat Vicentino dicht bij de experimentele madrigaalcultuur van Ferrara, die later ook invloed zou hebben op componisten als Luzzasco Luzzaschi en Carlo Gesualdo.
Betekenis Vicentino was een van de meest originele muziektheoretici van de zestiende eeuw. Zijn belang ligt vooral in de manier waarop hij oude Griekse theorie, renaissancemadrigaal en praktische instrumentbouw met elkaar verbond.
Zijn ideeën waren in zijn eigen tijd omstreden en moeilijk uitvoerbaar, maar ze maken hem bijzonder interessant voor de geschiedenis van microtonale muziek. Het archicembalo en zijn 31-toons theorie tonen dat de discussie over kleine intervallen, alternatieve stemmingen en uitgebreide toonstelsels al in de renaissance een hoog niveau had bereikt.
Vicentino's werk wordt daarom vaak gezien als een vroeg en uitzonderlijk voorbeeld van experimentele muziektheorie. Hij was geen voorloper van de moderne gelijkzwevende stemming in strikte zin, maar wel een belangrijke figuur in de geschiedenis van chromatiek, enharmoniek en microtonaal denken.
Werken Tot Vicentino's bekendste werken behoren:
L'antica musica ridotta alla moderna prattica (1555), zijn belangrijkste muziektheoretische traktaat madrigalen voor vijf stemmen motetten theoretische en muzikale voorbeelden voor chromatische en enharmonische praktijk
Zie ook
Archicembalo Muziektheorie Renaissancemuziek Chromatiek Enharmoniek Microtonale muziek Adrian Willaert Vicente Lusitano
Referenties
Externe links L'antica musica ridotta alla moderna prattica bij IMSLP Nicola Vicentino bij Treccani
Categorie:Italiaans componist Categorie:Renaissancecomponist Categorie:Muziektheoreticus