thumb|Illustratie op het voorblad van een in 1512 uitgegeven kopie van het Privilegium maius, ontworpen voor keizer Maximiliaan I.|312x312px miniatuur|403x403px|Rudolf IV met zijn aartshertogelijke kroon, geschilderd circa 1365. Het Privilegium maius (Duits: Großer Freiheitsbrief, Nederlands: groter voorrrecht) is een bundeling van vijf pseudepigrafen en vervalste documenten die in de winter van 1358/1359 in opdracht van hertog Rudolf IV van Oostenrijk werd uitgevaardigd. Het Privilegium maius is een aangepaste en aangevulde versie van het Privilegium minus, dat keizer Frederik I Barbarossa in 1156 uitvaardigde om het Markgraafschap Oostenrijk tot het Hertogdom Oostenrijk te verheffen. Met het Privilegium maius werden diverse privileges voor de hertogen van Oostenrijk opgeëist en herbevestigd, waaronder:

het bezit van leengoederen binnen het Hertogdom Oostenrijk; onafhankelijke rechtsspraak en wetgeving, zonder tussenkomst van de Rooms-Duitse keizer; recht op het voeren van soevereiniteitssymbolen (aartshertogelijke kroon en scepter); territoriale onafscheidelijkheid van het Hertogdom Oostenrijk en daaraan verbonden gebieden; het gebruik om de hertog van Oostenrijk bij plechtigheden als aartshertog te beschouwen en rechts van de keizer, direct na de keurvorsten, plaats te laten nemen; erfopvolging volgens het eerstgeboorterecht, later ook geldig voor de vrouwelijke lijn met de Pragmatieke Sanctie van 1713;

Het doel van het Privilegium maius was om de macht van de Habsburgse dynastie te vergroten, zodat zij feitelijk weer dezelfde status als de keurvorsten zouden genieten. Dit was hen enkele jaren eerder door de Gouden Bul van 1356 lastig gemaakt, toen keizer Karel IV besloot om het Hertogdom Oostenrijk en haar heersers expliciet van het keurvorstencollege uit te sluiten.

Voor het Privilegium maius liet Rudolf IV in totaal vijf documenten vervalsen:

Akte van 4 oktober 1058 (door keizer Hendrik IV voor markgraaf Ernst van Oostenrijk): dit zogenaamde Henricianum – in sommige tellingen zijn dit drie documenten – bevat zelfs documenten die terug zouden gaan tot Julius Caesar en keizer Nero. Akte van 17 september 1156 (van keizer Frederik I Barbarossa), de "uitbreiding" van het Privilegium Minus Akte van 24 augustus 1228 (van koning Hendrik (VII) voor hertog Leopold VI van Oostenrijk) Akte van juni 1245 (van keizer Frederik II, waarbij het privilegium maius werd bevestigd en verdere rechten werden toegevoegd) Oorkonde van 11 juni 1283 (door koning Rudolf I voor zijn zonen Albrecht en Rudolf, ter bevestiging van alle voorgaande oorkonden)

Om de privileges van het huis Oostenrijk duidelijk samen te vatten, liet Rudolf IV op 11 juli 1360 een Vidimus uitvaardigen.

Het geheel werd aan keizer Karel IV voorgelegd op de Hofdag in Nürnberg in november 1360. Op advies van Francesco Petrarca was keizer Karel IV niet bereid het Privilegium maius volledig te aanvaarden.

Later werd het Privilegium maius bekrachtigd door de Habsburger Frederik III (als koning in 1442 en als keizer in 1453). Keizer Rudolf II herbevestigde het document in 1599 en keizer Karel VI deed dat nogmaals in 1729.

Het Privilegium maius verloor zijn grondwettelijke betekenis in 1804, toen Napoleon Bonaparte het Heilig Roomse Rijk ontbond en in plaats daarvan zijn Duitse vazallen verenigde in de Rijnbond.

De documenten werden in 1852 ontmaskerd als vervalsingen door Wilhelm Wattenbach.

* Categorie:Heilige Roomse Rijk Categorie:Historische wet Categorie:Geschiedenis van Oostenrijk