Namen (Frans: Namur; Waals: Nameur) is een stad in België, gelegen waar de rivier de Samber in de Maas vloeit. Het is de hoofdstad van het Waals Gewest (Wallonië) en de hoofdstad van de provincie Namen.

De stad ligt ongeveer 65 km ten zuiden van Brussel, aan de samenvloeiing van Samber en Maas en aan de grenzen van Haspengouw, de Condroz en de streek tussen Samber en Maas. Het huidige stadscentrum bevindt zich op de linkeroever van de Samber. De stad telt ruim 115.000 inwoners wat ongeveer een kwart van alle inwoners van de provincie vertegenwoordigt.

In Namen zetelen de regering en het parlement van Wallonië. In Jambes liggen belangrijke gebouwen van het Waals Gewest, waaronder ook het Elysette, de ambtswoning van de minister-president van Wallonië. Met een groot aantal onderwijsinstellingen op alle niveaus – waaronder de Université de Namur (UNamur) – en grote ziekenhuizen vervult Namen een belangrijke verzorgingsfunctie voor de hele Condroz en het Ardense achterland.

Geschiedenis thumb|left| Het belfort (14e eeuw), oorspronkelijk deel van de middeleeuwse omwalling.

Etymologie Volgens een legende zou de stad in de eerste eeuw "Sedrochia" hebben geheten, naar de Tongerse koning Sedroch, die een versterking op de rots van Champeau boven de Samber en de Maas had gebouwd. Daar was een heidense tempel in een grot waar een afgod "Nam" orakelde. Bij de komst van Sint Maternus viel de hogepriester van Nam, die een mensenoffer voorbereidde, dood. Maternus legde aldus de legende de afgod het zwijgen op met de woorden Nam mutum (Nam stom). Uit deze woorden werd vervolgens de nieuwe naam van de stad afgeleid. Anderen hebben gesuggereerd dat Namur zou zijn afgeleid van Namor, welk het omgekeerde is van Roman, oftewel "Romeins". Ten slotte is er nog de verklaring dat -uco een Keltisch achtervoegsel betreft in de betekenis van eigendom, en de eigenaar was dan een zekere Namo .

De vroegste geschiedenis De eerste menselijke sporen in Namen dateren al van de oude steentijd en zijn gevonden op het Grognon, het stadsdeel aan de voet van de rotspunt, waar vandaag de citadel op prijkt. Uit de periode van omstreeks 8000 v.C. zijn heel wat meer sporen teruggevonden, maar een echt sedentaire bevolking zou er maar vanaf 2500 v.C. zijn geweest. Dit betekent evenwel niet de oorsprong van de huidige stad, want in de volgende eeuwen lijkt de plek van het huidige Namen verlaten. Omstreeks het begin van de tijdrekening bestaat er wel een eerder burgerlijke dan militaire nederzetting op de linker Samberoever. Later ontwikkelt zich daar een vicus volgens een dambordpatroon.

Vanaf het einde van de 3e eeuw plooit de stad zich (ten gevolge van migraties en invallen) terug op het Grognon, onder de rotspunt waarop in deze periode een eerste fort zou zijn gebouwd. Van de 6e tot de 8e eeuw blijft Namen een kleine nederzetting van beperkt belang. Wel breidt Namen zich nu opnieuw uit naar de andere Samberoever.

Hoofdplaats van een middeleeuws graafschap Stadsuitbreiding en omwallingen Vooral de rechten van de Luikse prins-bisschop zullen voor eeuwen elke uitbreiding van de grafelijke stad naar de andere Maasoever (het huidige Jambes) verhinderen. Wanneer dan ook omstreeks 1000 de bevolking aandikt, zoekt de stad verder zijn weg op de linker Samberoever. Hier wordt een kapel ter ere van Saint-Rémy opgericht en wordt markt gehouden. Volgens sommigen wordt de stad daardoor eerder een ville sambrienne dan een ville mosane.Onder meer (ondanks de titel Namur, ville mosane) bij (1948), p. 50. Aan het eind van de 10e eeuw wordt deze nederzetting op grafelijk initiatief beschermd door een stenen omwalling. Verder naar het oosten ontstaat in 1047 het kapittel van Saint-Aubain, waarrond zich een nieuwe kern ontwikkelt. De graaf verzekert zich daarmee van een eigen kapittel, gezien dat van Notre-Dame op het Grognon gecontroleerd wordt door de prins-bisschop. Deze en andere nieuwe stadsdelen op de linker Samberoever worden gedurende de 11e en 12e eeuw in een nieuwe omwalling opgenomen.

In de latere middeleeuwen breidt Namen verder uit, zodat de oppervlakte van de stad vervijfvoudigt. Vanaf de 12e eeuw wordt gestart met de bouw van de zogenaamde ‘derde omwalling’, die in de 14e en 15e eeuw herbouwd wordt, onder meer ten gevolge van de verwoestende overstromingen van 1409. De stad ontwikkelt zich echter ook buiten deze nieuwe omwalling, onder meer met de Neuveville, waar zich vooral ambachtslui vestigen. Vanaf 1357 wordt daarom begonnen met een ‘vierde’ of grote omwalling. Vanwege de dreiging van Luik en de strategische ligging van Namen, worden de werkzaamheden onder de Bourgondische hertogen een versnelling hoger geschakeld. In 1508 geeft keizer Karel (1500-1558) de werken nog een nieuwe impuls zodat de omwalling uiteindelijk omstreeks 1530 – bijna twee eeuwen na het begin van de bouw ervan – voltooid wordt.

Namen en zijn graaf Tijdens de Karolingische periode wordt Namen het centrum van het pagus Lomacensis, de voorloper van het graafschap Namen. In 937 vestigt Béranger (ca. 890-946), de ‘eerste’ graaf van Namen, zich op de rots die uittorent boven de samenvloeiing van Samber en Maas. In de 12e eeuw, de Naamse graaf is dan op het toppunt van zijn macht, wordt het kasteel uitgebreid met de kapittelkerk van Saint-Pierre. Het is pas in de volgende eeuw dat het grootste deel van het kasteel – nu met torens, grachten en heel wat bijgebouwen – wordt opgetrokken.

In 1198 sterft de Naamse grafelijke dynastie uit. In de opvolgingsperikelen valt de stad, die dan zo’n vijf- tot zesduizend inwoners moet geteld hebben, ten prooi aan de vlammen. Voortaan is Namen nog slechts de hoofdplaats van een graafschap van tweede rang. Verschillende huizen regeren de stad en het omliggende platteland tot graaf Jan III van Namen in 1421 het graafschap Namen verkoopt aan de Bourgondische hertog Filips de Goede (1396-1467), die opdracht geeft tot aanpassingen aan het kasteel.

Op bestuurlijk en economisch vlak blijft de rol van de graaf ook na de 12e eeuw voortbestaan, maar tegelijkertijd verwerven de stedelingen ook meer macht. Al gedurende de 12e eeuw is overigens een eerste schepenbank gevormd. Die vestigt zich in de 13e eeuw in een eerste ‘stadhuis’ (cabaret des échevins) met daarvoor een perron te staan, terwijl de toren van de kasteelkerk op de rots dienstdoet als belfort. In de latere middeleeuwen worden in Namen ook enkele nieuwe hospitalen gesticht, vestigen nieuwe religieuze ordes zich in Namen en ontstaan er verschillende begijnhoven.

Economisch groeit Namen uit tot een regionaal economisch centrum, onder meer met de jaarmarkt op de Herbatte, een vlakte ten noordoosten van de stad. Aan het begin van de 15e eeuw telt de stad zo’n 8 000 inwoners, veel minder dan de Vlaamse steden in die tijd. Slagers en bakkers zorgen respectievelijk vanuit hun Vleeshal aan de brug over de Samber (het huidige archeologisch museum) en met hun molens op de Naamse rivieren voor de voedselvoorziening. Daarnaast zijn er langs de Maas enkele steengroeven en is er de leerlooierij en de lakennijverheid. Laatstgenoemde industriële activiteiten voert men meestal uit langs de oevers van de Samber en de Hoyoux (een kleine rivier die in Namen in de Maas uitmondt). 

Een versterkte vroegmoderne stad thumb|Het beleg van Namen in 1695. thumb|De barokke Saint-Loupkerk (1621-45). thumb|Gezicht op de Samber en de wijk rond de kathedraal

Een pion in het Europese machtsspel In 1477 erft Maria van Bourgondië het graafschap Namen, maar ze overlijdt al in 1482. In 1488 komt Namen in opstand tegen Maximiliaan van Oostenrijk, Maria’s echtgenoot, die de stad laat beschieten. In een uiteindelijke overeenkomst behoudt Namen al zijn privileges, maar moet men wel opdraaien voor de schade aan het kasteel. Al in de jaren 1490 verblijft Filips de Schone, de zoon van Maria en Maximiliaan, enige tijd in Namen en in 1495 wordt hij er in Saint-Aubain ingehuldigd. Na Filips vroege dood in 1506 treedt zijn zoon Karel V aan. Net als zijn vader wordt ook hij ingehuldigd te Namen (1515): de staten hebben voorzien in een nieuwe residentie voor de heer en er worden feesten georganiseerd. Karel is daarmee de laatste (Spaanse) vorst die zijn intrede maakt in de stad aan Samber en Maas. Het duurt tot 1780 wanneer keizer Jozef II, op dat moment ‘incognito’ op reis door de Oostenrijkse Nederlanden, zich aan de poorten van de stad aankondigt als “le comte de Namur”.

Al omstreeks 1540 stuurt Karel militaire ingenieurs naar Namen om de versterkingen verder uit te bouwen. Tijdens de Opstand maakt Don Juan van het Naamse kasteel de uitvalsbasis voor de herovering van de opstandige Nederlanden. Tussen 1578 en de val van Brussel in 1585 wordt de stad de zetel van het koninklijke bestuur in de Nederlanden.

Vooral in de 17e eeuw wordt Namen strategisch een erg belangrijke plaats. In een eeuw waarin de oorlog bijna endemisch is, wordt ook Namen meegesleept in de internationale twisten. Vanaf de jaren 1630 worden stad en kasteel verder versterkt en komen er kazernes. Omstreeks 1666 beschikt Namen al over een omwalling met negen bastions, en ook na die datum gaan de werkzaamheden voort.

In de jaren 1690 ondergaat Namen twee grote belegeringen. In 1692 neemt Lodewijk XIV van Frankrijk Namen in na vijf weken weerstand vanuit het kasteel. Vauban begint met de bouw van kazernes, een militair hospitaal en een arsenaal aan de Samber (dat nog steeds bestaat). In 1695 wordt de stad echter opnieuw belegerd, ditmaal door de troepen van Willem III, stadhouder van Holland en koning van Engeland. Namen gaat nu een Hollands garnizoen huisvesten en de Hollandse Menno van Coehoorn wordt belast met de werkzaamheden aan de omwalling.

In 1695 neemt Maximiliaan II Emanuel van Beieren nog deel aan de geallieerde inname van Namen, maar luttele jaren later kiest hij in de Spaanse Successieoorlog (1701-1714) de zijde van Filips V (als kleinzoon van Lodewijk XIV de Franse kandidaat voor de Spaanse troon). In 1701 valt Namen daardoor andermaal in Franse handen. Sébastien Le Prestre de Vauban keert terug naar de stad en verkiest uiteindelijk het plan van Georges Prosper van Verboom (die in Spaanse dienst werkt), boven zijn eigen project voor Namen. In 1704 bombarderen troepen van de Republiek de stad opnieuw, maar tot 1711 blijft die onder controle van de Spaanse kroon.

Max Emanuel gaat nu regeren over een kleine en ‘onafhankelijke’ staat gevormd door Namen en Luxemburg. De Beierse keurvorst wordt feestelijk ingehaald in de stad, van waaruit hij nu gaat besturen. Een Raad van State en een Raad van Financiën worden opgericht terwijl Max Emanuel zich vestigt in de oude grafelijke residentie (het huidige gerechtsgebouw). Vanaf 1713 verblijft de Beierse vorst echter niet langer in Namen en met de vrede die een jaar later de Spaanse opvolgingsstrijd beëindigt, gaat Namen deel uitmaken van de Oostenrijkse Nederlanden.

Het Barrièretraktaat (1697) bepaalt intussen wel dat er Nederlandse troepen in de stad zullen worden gelegerd: tussen 1715 en 1782 gaat het om duizenden militairen. In de Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748) wordt Namen andermaal het slachtoffer van een Frans beleg (1746-1748), maar na de Vrede van Aken keert het garnizoen van de Republiek terug. De Nederlanders voeren in de 18e eeuw nog lichte wijzigingen door aan de vesting, maar de toestand blijft grotendeels die van de jaren 1690.

Economie, religie en architectuur