De Russisch-Orthodoxe Kerk in het Buitenland (Russisch: Русская Православная Церковь Заграницей; Roesskaja Pravoslavnaja Tserkov Zagranitsej, Engels: Russian Orthodox Church Outside Russia (ROCOR)), ook wel genoemd de Synodale Kerk (van Karlovici) of Russisch-Orthodoxe Kerk buiten de grenzen, is een semi-autonome migrantenkerk die jurisdictioneel valt onder het Patriarchaat Moskou. Het is een deel van de Russisch-Orthodoxe Kerk wat zich buiten (en tegenwoordig ook binnen) de grenzen van de Russische Federatie bevindt.

Voorgeschiedenis Tot 1921 vormde de Russisch-Orthodoxe Kerk organisatorisch een eenheid. De Russische kerk kent sinds de 18e eeuw een deel in het buitenland. De verkondiging van het evangelie aan de heidense stammen in Azië zorgde ervoor dat er missies gesticht werden, die na verloop van tijd uitgroeiden tot bisdommen in China en Japan. De bekendste daarvan is de Russisch-orthodoxe missie in China die vanaf 1727 tot 1949 heeft gefunctioneerd. De formele reden voor deze missie was pastorale zorg voor een aantal sinds 1683 in Peking gevestigde Russen. Door Chinezen en Mantsjoes werden deze Russen Albaziners genoemd. De Chinese Orthodoxe Kerk werd in 1956 en de Japans Orthodoxe Kerk werd in 1970 autonoom verklaard door het Patriarchaat Moskou.

Er is in Azië ook nog een metropolie van Hongkong en een missie in Taiwan. Beide vallen onder het Oecumenisch patriarchaat van Constantinopel.

De verbreiding van de orthodoxie onder de heidense bevolking van de Aleoeten in Alaska met als gevolg het vestigen van missies en daarop aansluitend van de bisdommen van Noord-Amerika, waren een voortzetting van de verkondiging van het evangelie in Azië. De Russisch-orthodoxe bisdommen van het Patriarchaat Moskou vormden later The Orthodox Church in America, die in 1970 autocefaal werd.

In West-Europa zijn er vanaf de 18e eeuw orthodoxe kerken gebouwd, eerst in de Russische ambassades, in België en Nederland had Anna Paulowna kapellen in o.a. Brussel en Den Haag. En later werden ook in allerlei plaatsen, vooral in Duitse badplaatsen en Frankrijk, die door welgestelde Russen bezocht werden op hun buitenlandse reizen of waar deze zich vestigden kerken gebouwd. Zoals in Nice, Parijs, Potsdam en Darmstadt. Als een Duitse aristocraat trouwde met een Russische vrouw lieten zij grafkerken bouwen, zoals in Wiesbaden en Weimar. Al deze kerken werden beschouwd zich te bevinden in het bisdom van de metropoliet van Sint-Petersburg en in de laatste jaren waren zij rechtstreeks geplaatst onder zijn vicaris, de bisschop van Kronstadt.

Volgens de kerkelijke canons (canon 28 van het Concilie van Chalcedon) en de uitleg van het Oecumenisch patriarchaat vallen de kerken en gelovigen in de diaspora (in barbaris = in de barbarij), die buiten de grenzen van de landskerken wonen automatisch onder de jurisdictie van de Oecumenisch patriarch van Constantinopel. Deze jurisdictionele toekenning aan het Oecumenisch patriarchaat werd in de 19-e eeuw aangetast door de Russische Heiligste Regerende Synode. De huidige visie van het Patriarchaat Moskou is dat de kerkelijke canons ook zeggen dat een periode van 30 jaar voldoende is om een kerk of een plaats te doen toebehoren aan een bisdom, dat er gedurende die tijd de feitelijke jurisdictie over had. Geen van de orthodoxe patriarchen of een hoofd van een Orthodoxe Kerk heeft geprotesteerd tegen deze uitbreiding van de Russisch-Orthodoxe Kerk.

Situatie in Rusland In het begin van de 20e eeuw werd in de Russisch-Orthodoxe Kerk steeds vaker gesproken over de wens het patriarchaat te herstellen. Tegenstanders hiervan gebruikten de binnenlandse onrust na de Russisch-Japanse Oorlog als reden om de zaak telkens weer uit te stellen. Na de abdicatie van tsaar Nicolaas II van Rusland op 2 maart 1917 en de afschaffing van de monarchie bleef de Russische kerk haar vroegere rechten uitoefenen, zowel in binnen als buiten Rusland. Tevens kon er een concilie van de Russisch-Orthodoxe Kerk bijeenkomen. Tal van hervormingen werden voorgesteld en aangenomen, waaronder de afschaffing van de synodale bestuursvorm en het herstel van het patriarchaat.

Op 15 augustus 1917 vindt het eerste Russische concilie sinds de afschaffing van het patriarchaat plaats. Voorzitter van het concilie was metropoliet Tichon van Moskou. Er waren 564 afgevaardigden, 80 bisschoppen, 185 priesters en kloosterlingen en 299 leken. De besluiten, om de kerk een meer democratische structuur te geven, die op dit concilie werden genomen, zijn tot op heden bindend voor alle Russische kerken binnen en buiten Rusland. Ook werd er serieus naar de mogelijkheid gekeken om de diensten in het vervolg in de landstaal het Russisch in plaats van het Kerkslavisch te houden. Door de Oktoberrevolutie kwam er van al deze besluiten heel weinig terecht. Het concilie heeft zich voornamelijk beziggehouden met kerkelijke aangelegenheden. Slechts twee documenten hebben betrekking op de politieke toestand. Op 11 november 1917 roept de patriarch-elect het volk op om een einde te maken aan de burgeroorlog en op 19 januari 1918 veroordeelt en excommuniceert patriarch Tichon de communisten en hun aanhangers.

Vervolgingen Ondertussen hadden de bolsjewieken de macht overgenomen en nog voor de beëindiging van het concilie in de zomer van 1918 begonnen de omvangrijke vervolgingen van de religie. De Russisch-Orthodoxe Kerk werd gezien als steunpilaar van het oude bewind en de nieuwe machthebbers benadrukten steeds sterker dat communisme en religie niet samen konden gaan en zij stelden zich ten doel de godsdienst uit te roeien, die volgens de marxistische leer bestaat uit vooroordeel en bijgeloof. De meest heftige vervolgingen waren vooral gericht tegen de Russisch-Orthodoxe Kerk, waartoe de overgrote meerderheid van het Russische volk behoorde. Tijdens en na de revolutie emigreerden duizenden gelovigen naar Amerika en Europa waar zij onafhankelijke kerken stichtten. In Rusland zelf werd de vrijheid van de kerk ingrijpend aan banden gelegd en veel bisschoppen, priesters en gelovigen werden gevangengenomen. In 1921 was al de helft van alle Russische kloosters gesloten en waren ontelbare kerken vernield of als verenigingsgebouw, bioscoop en pakhuis ingericht. Bijna 30 bisschoppen en meer dan duizend priesters waren gearresteerd en naar kampen gestuurd of geëxecuteerd met als doel de kerk volledig uit te roeien. Van binnenuit de kerk kwam er uitholling door het oprichten van de Levende Kerk.

Op 27 december 1921 werd het gehele kerkelijk bezit van de Russisch-Orthodoxe Kerk opgeëist om de hongersnood te bestrijden.

Normale contacten met de synode in Moskou werden door de revolutie steeds lastiger en praktisch onmogelijk voor de Russisch orthodoxen in Rusland en in het buitenland. Er was slechts een beperkt contact mogelijk met de bisschoppen in het door de bolsjewieken bezette gebied. De bisschoppen in de gebieden van de Witten waren totaal geïsoleerd. Hierdoor kwam er kwam een einde aan de organisatorische eenheid. Omdat patriarch Tichon zag dat de mogelijkheid bestond dat het bestuur van de Russische kerk van zijn vrijheid zou worden beroofd en dat het als gevolg van de burgeroorlog voor de verschillende delen van de Russische kerk onmogelijk zou worden om contact ermee op te nemen. Gaf hij toestemming aan zijn bisschoppen in het buitenland, om de bisdommen die van het bestuur waren afgesneden te verenigen onder een op te richten voorlopig kerkelijk bestuur, onder leiding van de oudste bisschop van die bisdommen. En om in een synode bijeen te komen om de nodige maatregelen te treffen voor het normaal functioneren van de Russisch-orthodoxe parochies in het buitenland. In feite waren in de landsdelen van Rusland die door de burgeroorlog geen contact meer hadden met het Patriarchaat Moskou al kerkelijke besturen opgericht vooral in Zuid-Rusland en in Siberië. In november 1919 werd er een bisschoppenconcilie gehouden in Novotsjerkassk, waarbij als oudste in rang metropoliet Antonij (Chaprovitski) van Kiev erevoorzitter was. In Noord-Rusland vormden de bisschoppen een kerkbestuur in Omsk. In Stavropol werd een bisschoppensynode gevormd die in mei 1919 voor het eerst bijeenkwam als “Hoogste Kerkelijk Bestuur voor het Zuiden”. Dit bestuur nam toen al maatregelen die eigenlijk alleen door de patriarch en de synode genomen mochten worden. Het feit dat de besluiten zonder protest geregistreerd zijn in de registers van de synode in Moskou is een bewijs dat de synode de min of meer autonome handelswijze van de Zuid-Russische kerkleiding als canoniek beschouwde. Ondertussen viel ook Kiev in de handen van de bolsjewieken, zodat de terugkeer van metropoliet Antonij onmogelijk was. Het bestuur moest nog verschillende keren van plaats veranderen, waarbij veel gevluchte geestelijken zich bij hen voegden. In oktober 1919 werd in Simferopol de laatste zitting gehouden op Russische bodem. Hier werd o.a. besloten dat aartsbisschop Anafasij (Gribanovskij) van Kisjinev en Khotin te benoemen tot het hoofd van de Russische parochies in Constantinopel. Aartsbisschop Evlogij werd, na een schriftelijk verzoek van hem, de leiding gegeven over de parochies in West-Europa. Dit verzoek is van belang, want het is het bewijs dat aartsbisschop Evlogij het gezag van deze kerkelijke synode erkende. Door de evacuatie naar Constantinopel is deze benoeming toen niet direct in werking getreden. Patriarch Tichon gaf op 7 november 1920 een oekaze uit waarmee hij het bestaan en de besluiten van deze synode bevestigde. Vanwege de burgeroorlog moesten enkele grenzen van bisdommen verlegd worden en enkele vicariaten werden zelfstandig verklaard. Het is onbekend in hoeverre het patriarchaat Moskou op de hoogte was van de toestand in Zuid-Rusland in 1919/1920. Pas nadat het Rode Leger het Wit-Russische gebied in november 1920 had veroverd werd de communicatie iets beter. Op 7/20 november vaardigde patriarch Tichon en de synode een decreet uit (nr. 362) dat beschouwd kan worden als een goedkeuring achteraf van het zelfstandig handelen van de Zuid-Russische bisschoppensynode. Het zal wel niet toevallig zijn geweest dat dit decreet werd uitgevaardigd op het moment dat deze kerkleiders het Russisch grondgebied hadden verlaten. Ze bevonden zich op zee, onderweg naar Constantinopel. De voor de emigranten belangrijkste passage uit dit decreet luidt:

“Wanneer een diocees de verbinding met het hoogste kerkbestuur verliest, of wanneer het hoogste kerkbestuur met de Heilige Patriarch aan het hoofd om een of andere reden zijn werkzaamheid onderbreekt, stelt zich de diocesane bisschop onverwijld in verbinding met de bisschoppen van aangrenzende diocesen, om een hoogste instantie van kerkelijk bestuur te organiseren… Indien dit onmogelijk blijkt, dan neemt de diocesane bisschop zelf de volledige macht in handen.”

Dit document was de erkenning die de emigranten nodig hadden, om ook buiten Rusland, en zich één voelend met de Russische kerk, zich zelfstandig te organiseren.

Vlucht naar Constantinopel Door de grote uittocht die volgde op de nederlaag op 13 november 1920 van de Witten die het bolsjewistische regime bestreden, bevond ook het kerkbestuur van Zuid-Rusland met aan het hoofd daarvan metropoliet Antonij (Khaprovitskij) van Kiev en Wolynië en Galicië, zich in het buitenland. Tussen 13 en 16 november 1920 bereikten meer dan 150.000 Russische vluchtelingen met het Witte leger van generaal Pjotr Wrangel op meer dan 126 (oorlogs)schepen Constantinopel.