thumb|240px|Het wapen van de familie Beyens Beyens is een Belgische familie van juristen en diplomaten die oorspronkelijk uit het dorp Nazareth (Oost-Vlaanderen) stamt. De familie werd in 1851 in de adel opgenomen.
De familie Beyens uit Nazareth De naam Beyens is ruim verspreid in Nazareth, in Deinze en meer algemeen in het Gentse. In het begin van de zeventiende eeuw behoorden al leden van de familie tot de notabelen. Een Lieven BeyensHet is nog niet mogelijk te bepalen welke Livinus Beyens de burgemeester van Nazareth was. Dat kan zijn Livinus Beyens, getrouwd met Maria Mamond en vermeld op 17 november 1644, of Livinus Beyens, getrouwd met Judoca Tuyck (Buycks) vermeld op 3 août 1647, of nog Livinus Beyens, getrouwd met Joanna Wanseel. was in 1652 burgemeester van Nazareth.Frans De Potter en Jan Broeckaert, Geschiedenis van de gemeenten der Provincie Oost-Vlaenderen, Gent, 1864-1870, deel V, p. 45.
In het eerste kwart van de achttiende eeuw trouwde Franciscus Beyens, geboren in Nazareth op 7 augustus 1691 met Josine (Judoca) Van Acker. Franciscus was de zoon van Paulus Beyens, geboren in Nazareth op 29 oktober 1659, en van Joanna Vermeersch en de kleinzoon van Laurentius BeyensDe geboorte van Laurentius in Nazareth op 28 maart 1630, ontneemt iedere mogelijkheid van een filiatie vanaf de Jacques-François Beyens die in mei 1644 in Waals Brabant was geboren binnen de adellijke familie Van Beyens de Grambais. en Petronella Wouters. Het gezin Beyens-Van Acker woonde in Wontergem bij Deinze en had vijf kinderen, alle in Wontergem geboren: Petrus Beyens (geboren 21 januari 1721) Jean-François Beyens (geboren 18 januari 1723) Joseph Beyens (geboren 5 januari 1725) Jacobus Beyens (geboren 15 februari 1727) Petrus-Franciscus Beyens (geboren 16 februari 1731). De voornaam doet aannemen dat de eerste Petrus ondertussen overleden was.
Over het beroep van Franciscus Beyens-Van Acker is vooralsnog geen volledige zekerheid, maar waarschijnlijk was hij landbouwer (herenboer?) op de hoeve Ter Linden.K. SMITH, Over de hoeven van Deinze, in: Bijdragen tot de geschiedenis der stad Deinze en van het land aan Leie en Schelde, LIII, 1986, blz. 106-109.
Anno 2017 leefden er nog drie mannelijke telgen, de laatste geboren in 1968; in de jongste generatie zijn er geen mannelijke telgen waardoor het geslacht op uitsterven staat.
Pierre François Beyens en zoons Pierre-François Beyens (Wontergem, 16 februari 1731<ref>Soms vindt men de geboortedatum van de oudste broer Petrus, nl. 1721. De accurate auteur Guy Schrans geeft 1731, net als René De Clerck die opzoekingen heeft gedaan in de parochieboeken. Gedoopt op 17 februari (die 17 februarii Baptizavi Petrum Franciscum Beyens'''), maar geboren daags tevoren op 16 februari ("natum pridie").</ref> - Deinze 24 augustus 1794), bijgenaamd 'de Rijke Deinzenaar', was getrouwd met de Gentse Marie-Jeanne Camberlyn (1724-1801). Zij was een dochter van Egide Camberlyn, die zich de heerlijkheid van Amougies (of Amengijs) had aangeschaft, en van Marie-Jeanne Amelot, en een zus van Egide Guillaume Camberlyn, die pensionaris was van de Keure in Gent.
Woonde Beyens als jongeman op de hoeve Ter Linden, dan bewoonde hij later een herenhuis in 'Tusschenbruggen' (nu Tolpoortstraat), op een eigendom palende aan het kasteel van Deinze. Hij werd notaris in Deinze (1751-1794) en was schepen en vervolgens burgemeester van deze stad over de periode 1777-1784 en 1788-1792.
Onder het ancien régime was hij baljuw van Deurle en Bachte, griffier of ontvanger van een aantal parochies en heerlijkheden zoals Astene, Gottem, Wontergem, Zeveren, alsook ontvanger van het klooster van Melle. Hij was ook vanaf 1769 lid van de Sint-Jorisgilde in Deinze.
Met Marie Jeanne Camberlyn had hij vijf dochters en vijf zoons (zie genealogische schets hierna).
Hierna volgen de zoons die de volwassen leeftijd bereikten en alle vier studeerden aan de universiteit van Leuven. Ze werden in Leuven ingeschreven als volgt: Constantin op 14 januari 1778, Albert op 23 januari 1781, Eugène op 7 januari 1783, Jean-Baptiste op 12 januari 1786.
Ze werden niet als 'nobiles' maar als burgers vermeld op het inschrijvingsregister.
Constantin Beyens Constantin Beyens (Deinze, 15 september 1758 - Gent, 12 december 1808) was het vierde kind van het echtpaar Beyens-Camberlyn en de eerste die in leven bleef. Hij deed rechtenstudies in Leuven en begon in 1784 te werken als co-notaris, naast zijn vader. Hij was ook griffier van Zeveren. In 1790 werd Beyens een actieve patriot en na eerst in Brussel betrokken te zijn bij de opstandelingen, trok hij mee naar Namen met het leger van generaal Jan Andries vander Mersch.
In 1791 kwam hij voor als een rijk en populair advocaat en notaris. Hij stond klaar om zich achter de revolutionaire ideeën te scharen. Na de eerste Franse inval werd op 11 december 1792 een gemeenteraad voor Deinze verkozen, met twaalf 'provisionele representanten', waar Constant Beyens deel van uitmaakte. Na de definitieve aanwezigheid van de Fransen, vanaf juni 1794, werd hij hoofdsecretaris van de kantonregering. Hij bleef dit vier jaar, maar bleef tevens notaris. Wanneer in 1797 de gemeente Deinze werd opgericht, bleef Constant lid van het bestuur. Hij richtte ook een 'Cercle Constitutionnel' op, die vergaderingen hield in de Tempel van de Wet. In 1798 zorgde hij ervoor dat de 'Tempel' weer de Onze-Lieve-Vrouwekerk werd.
In april 1800 werd hij sous-préfet in Oudenaarde.Poplimont vermeldde hem onterecht als 'préfet'. In 1803 werd hij, zoals twee van zijn broers, lid van de loge Les Amis Philantropes in Brussel. Hij had wellicht geen al te goede reputatie. In een confidentieel verslag van Binnenlandse zaken gericht aan Napoleon in voorbereiding op zijn bezoek aan de Zuidelijke Nederlanden in 1803, werd hij beschreven als 'de enige sous-préfet over wie ongunstig wordt gerapporteerd'. Hij stierf in Gent in de woning van zijn broer Albert in 1808, als gevolg van wat werd gemeld als een 'bloedspuwing'.
Albert Guillaume Marie Beyens Albert Guillaume Marie Beyens (Deinze, 8 november 1760 - Brussel, 7 november 1827), die een tweelingzus had, Isabelle Beyens (gestorven voor 1767), was de tweede zoon van Pierre-François Beyens die in leven bleef . Hij studeerde aan de universiteit van Leuven, waar hij in 1781 werd ingeschreven in 'De Valk' (in tegenstelling tot zijn broers werd hij vermeld als 'Kortrijkzaan') en behaalde er het licentiaat in de rechten. Vanaf 1787 was hij advocaat bij de Raad van Vlaanderen in Gent. Hij ontplooide ook enige politieke activiteit en werd in 1792 schepen van de Burggravije van Gent. Hij schreef in die periode drie juridische werken die in handschrift bewaard zijn gebleven: Commentaire sur la Coutume d'Alost Notulen op de Costuymen van Gent Reflexiones ad Consuetudines Gandavenses.
In de Franse tijd, na 1794, bleef hij advocaat in Gent. Hij was al 39 toen hij in 1800 trouwde met de 22-jarige Suzanne Mouriau (1778-1814). In datzelfde jaar werd hij benoemd tot voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in Gent (1800-1810). De rapporten over hem waren lovend. Prefect Faipoult schreef: Instruit, intelligent, connaît la jurisprudence flamande en de regeringscommissaris: aucun juge n'est capable de le remplacer.
In 1803 trad hij in Brussel als leerling toe tot de vrijmetselaarsloge Les Amis Philantropes. Het jaar daarop en tot in 1807 stond hij op de ledenlijst als meester, waarna hij als honorair lid stond ingeschreven. In 1808 werd hij docent aan de pas opgerichte École spéciale de droit.
Hij had een uitgebreide bibliotheek waarvan in 1804 de Gentse drukker-boekhandelaar De Goesin een inventaris opmaakte. De catalogus werd in vijf boekdelen gedrukt. Hij stond trouwens in hoog aanzien in de rechterlijke wereld. Procureur-generaal Frans Jozef Beyts schreef onder meer over hem, na 1810, toen Beyens al in ongenade was: “Ik heb zijn zittingen bijgewoond. Niets overtreft zijn behendigheid, zijn gemak om zaken op te lossen, zijn trefzekere kijk. Hij is van een erkende eerlijkheid, identificeert zich met het Burgerlijk wetboek en het Wetboek van burgerlijke procedure, hij past ze toe en bestudeert ze met passie, ze liggen op zijn tafel bij het ontbijt en op zijn nachttafel, hij heeft buitengewone talenten.”
Het jaar 1809 werd dramatisch voor Beyens. Om zijn aankopen van nationale goederen te financieren (hij had circa 66 ha grond aangekocht) had hij wissels ondertekend ten gunste van de bankier Josse Bernard Goethals. Deze ging failliet en sleurde Beyens hierin mee. Niet alleen eisten de schuldeisers van Beyens de betaling van de ontleende gelden, maar Goethals had blijkbaar ook valse wissels gemaakt op naam van Beyens, die failliet werd verklaard hoewel hij geen handelaar was. Na verzet van zijn kant werd dit door de Gentse rechtbank omgezet in staat van kennelijk onvermogen, maar het Beroepshof in Brussel bevestigde het faillissement.
De belagers van Beyens publiceerden een naamloos pamflet dat met scherp schoot op de voorzitter. Er kwam ook een drukwerkje in omloop onder de titel Prophétie tirée d'un vieux manuscrit, waarin zelfs gesuggereerd werd dat hij meer wist over de dood van zijn broer. Beyts deed hem bij zich komen en verplichtte hem zijn ontslagbrief te ondertekenen. Vanwege zijn goede reputatie werd hij echter niet in de steek gelaten door de overheid. Hij mocht naar Amsterdam verhuizen, waar hij docent werd aan de School voor Recht en tegelijk schreef hij zich in aan de Balie. Hij schreef in Amsterdam weer juridische werken: Projet d'une loi relative à la procédure civile (1811) Projet de code pour le royaume de Hollande (1812). Ook deze twee werken bleven in handschrift bewaard.
In 1817 kwam de weduwnaar Beyens, die in Amsterdam niet alleen zijn vrouw maar ook een dochter verloren had, samen met zijn andere dochter naar de Zuidelijke Nederlanden terug. Dochter Henriette trouwde met de uit Roeselare afkomstige advocaat Jean-Bernard Dubois, die zich in Gent vestigde, waar hij onder meer actief was binnen de liberale partij. Albert Beyens vestigde zich in Brussel en schreef er zich in bij de Balie. Op korte tijd verwierf hij een aanzienlijke reputatie en werd vooral aangesteld door burgers die de Nederlandse staat of zelfs koning Willem I aanvielen. In 1818 trad hij op voor de heren Donny en Crawford die vergoedingen eisten van de Staat, en die van een persdelict beschuldigd werden omdat ze hun eisen door krantenartikels kracht hadden bijgezet. In 1820 verdedigde hij samen met zijn broer en nog vijf andere advocaten de schrijver Van der Straeten die tegen het Verenigd Koninkrijk opkwam. Hun verdediging viel zodanig in slechte aarde bij de overheid dat de zeven advocaten geschorst werden en in beschuldiging gesteld. Dit veroorzaakte zoveel politieke oproer dat de Kamer van inbeschuldigingstelling zich beperkte tot het opleggen van een disciplinaire straf, zonder verdere vervolging.
Eugène-Frans Beyens Eugène-Frans Beyens (Deinze, 25 mei 1762 - Gent, 10 oktober 1793) werd doctor in de godgeleerdheid in Leuven (ingeschreven in 1783, studeerde tot in 1790) en werd op 8 september 1787 in Gent tot priester gewijd. Hij was pas vooraan in de dertig toen hij stierf.
Jean-Baptiste Justin Beyens