thumb|De Mainzer Dom vanuit het zuidwesten De middeleeuwenSpelling: eventueel Middeleeuwen (met hoofdletter) in gespecialiseerde teksten. (letterlijk tussenliggende eeuwen) (van ca. 500 tot ca. 1500) vormen, in de historiografische indeling of periodisering van de geschiedenis van Europa, de periode tussen de klassieke oudheid en de vroegmoderne tijd. Traditioneel situeert men dit – door Italiaanse humanisten geïntroduceerde – tijdvak, tussen de val van het West-Romeinse rijk in de 5e eeuw, en de Italiaanse renaissance die in de 14e eeuw begon.Encyclopædia Britannica 15th Edition: 'Middle Ages' Afhankelijk van de focus die historici hanteren bestaat er echter nogal wat variatie in de afbakening van deze periode.De periode van de middeleeuwen zoals gezien door de Franse historicus Jacques Le Goff loopt bijvoorbeeld vanaf de dood van Justinianus I (565) en de opkomst van de islam (622) tot aan de vooravond van de Franse Revolutie en de industriële revolutie. De middeleeuwse periode wordt zelf weer onderverdeeld in de vroege, hoge en late middeleeuwen.
De middeleeuwse maatschappij en beschaving zijn ontstaan uit drie duidelijk te onderscheiden bronnen: de Grieks-Romeinse beschaving, het christelijk geloof – die beide op het grondgebied van het Romeinse rijk ontstonden of zich daar verder ontwikkelden – en Germaanse tradities, die binnenvallende volkeren later meebrachten.
Kenmerkend voor deze lange periode in de westerse geschiedenis zijn een fragmentatie van het politieke gezag, een overwegend agrarische economie, een samenleving verdeeld tussen een militaire adel (die eigenaar is van het land) en een horig gemaakte boerenklasse, en ten slotte een op religie gebaseerde denkwijze, bepaald door de christelijke kerk.
Periodisering
Gewoonlijk wordt de teloorgang van het West-Romeinse rijk in de 4e en 5e eeuw n.Chr., en de daarmee samenvallende Grote Volksverhuizing, aangenomen als de overgang van de oudheid naar de middeleeuwen. In de loop van de tijd hebben individuele historici verschillende jaartallen aangewezen als beginpunt van de middeleeuwen:
284, het beginjaar van de regering van keizer Diocletianus, vormt een duidelijke breuk in de geschiedenis van het Romeinse rijk. Diocletianus verdeelt het rijk in een westelijk, Latijnssprekend en een oostelijk, Griekssprekend deel. De door hem vastgestelde grens volgt de taalgrens, dwars over de Balkan. Rome verliest zijn status als hoofdstad en bestuurlijk centrum. Zie verder tetrarchie (Romeinse rijk).
313, wanneer het christendom een toegestane godsdienst wordt in het Romeinse rijk (Edict van Milaan), is zowel politiek als cultureel van belang. 358, de Franken worden foederati van het Romeinse rijk en vestigen zich in de Nederlanden. Hieruit groeit later het Frankische rijk. 375, het jaar dat vanuit economisch en sociaal standpunt wordt genomen als het begin van de Grote Volksverhuizing, die voedseltekorten in de steden veroorzaakt. 378, het jaar waarin het christendom staatsgodsdienst wordt in het Romeinse rijk. 395, wanneer definitief een einde komt aan de politieke eenheid van het Romeinse rijk. 406, waarin Stilicho het bevel geeft aan de keizerlijke troepen om de limes aan de Rijn te verlaten; het jaar erna wordt ook Britannië door de Romeinse legereenheden ontruimd. 410, waarin de Visigoten, onder leiding van Alarik I, Rome plunderen. 476, waarin de laatste West-Romeinse keizer, Romulus Augustulus, wordt afgezet door de Germaan Odoaker, wat het einde van het West-Romeinse rijk betekent. 610, Herakleios volgt Phocas op, einde van het Latijn als staatstaal in het Oost-Romeinse rijk dat het Griekstalig Byzantijnse rijk wordt. 732, waarin de Arabische veroveringen in Europa een halt wordt toegeroepen, in de Slag bij Poitiers. De verbreking van de culturele eenheid rond de Middellandse Zee, als gevolg van de islamitische veroveringen, zou de beslissende gebeurtenis zijn, die het begin van de middeleeuwen inluidde. Dit idee werd door Henri Pirenne gepubliceerd in zijn postuum in 1937 verschenen boek Mahomet et Charlemagne. Deze Pirenne-these heeft tot grote internationale debatten geleid, maar vindt tegenwoordig vrijwel geen aanhang meer.
Ook de bepaling van 'het eindpunt van de middeleeuwen' is aan discussie onderhevig: 1453, het jaar van de val van het Byzantijnse rijk, kan als politiek einde gelden. Het Ottomaanse rijk zou nog eeuwenlang op de Balkan en rond de Middellandse Zee zijn invloed uitbreiden. Ook komt er in dat jaar een einde aan de Honderdjarige Oorlog. De historiogafische traditie heeft lange tijd een voorkeur gehad voor dit jaartal. 1492, het jaar waarin Columbus Amerika ontdekt en de Spaanse Reconquista wordt voltooid, ten koste van het laatste islamitische rijk in West-Europa. Granada valt daarbij, als laatste islamitisch bolwerk, in handen van de Spaanse koning Ferdinand II van Aragón. de culturele en intellectuele renaissance, waarin een nieuwe visie op de klassieke oudheid, op de mens en op de natuur ontstaan; in Italië begint de Renaissance in de 14e eeuw, met de dichter Petrarca en de schilder Giotto. 1517 is van groot belang op religieus vlak, het jaar van de breuk tussen de hervormde en Rooms-Katholieke Kerk, ingeleid door de stellingen van Maarten Luther. 1566 is voor de Nederlanden een late, maar aanvaardbare grens, als eindpunt van de middeleeuwen. De overgang naar het calvinisme, die gepaard gaat met de Beeldenstorm en die de aanleiding vormt voor de geuzenopstand, zorgt in veel steden op zowel godsdienstig als op politiek vlak voor een breuk. De katholieke kerk raakt haar godsdienstige monopoliepositie kwijt, en de macht van de koning komt ter discussie te staan. De gewesten eisen hun uit de (voor-)Bourgondische tijd stammende traditionele bestuurlijke autonomie op, nu niet alleen met betrekking tot belastingheffing en benoeming van bestuurders, maar ook op religieus terrein.
In de geschiedschrijving werd lange tijd het begin van de renaissance, eind 14e, begin 15e eeuw, gezien als het einde van de middeleeuwen. Sommige historici zien de grote ontdekkingsreizen naar Indië en Amerika in de late vijftiende eeuw als het einde van de middeleeuwen. Men zou kunnen veronderstellen dat de door de Renaissance ingezette mentaliteitsverandering de ontdekkingsreizen mogelijk heeft gemaakt. Deze reizen werden echter vooral ondernomen om het monopolie van het Ottomaanse rijk op de handel tussen Europa en Azië te omzeilen, nadat dit rijk alle landen in het oostelijke Middellandse Zeegebied onder zijn bestuur verenigd had en de specerijen uit Azië letterlijk peperduur werden.
De middeleeuwen worden onderverdeeld in drie periodes: De vroege of donkere middeleeuwen: 4e tot 10e eeuw, worden gekenmerkt door het verval van het Romeinse rijk, toenemende barbarisering en verschillende invasies, zowel van Germaanse stammen als van enkele steppevolkeren. De vroege middeleeuwen eindigen na het uiteenvallen van het rijk van Karel de Grote, die de feodaliteit introduceerde. Er ontstaan kleine lokale vorstendommen. De hoge of volle middeleeuwen: 10e tot 13e eeuw, worden gekenmerkt door de feodale maatschappij. Gaandeweg herstelt het centraal gezag zich. De paus en de Duitse keizer zijn de belangrijkste machten. De Europese staten richten zich buiten Europa voornamelijk op het Midden-Oosten: dit is de tijd van de kruistochten. In economisch en cultureel opzicht is dit een bloeiperiode. De late middeleeuwen: 13e tot 15e eeuw. De kennis, meegebracht uit de kruistochten en opgedaan in de strijd tegen Arabische invallen in Spanje, brengt een langzame overgang naar de nieuwe tijd. De Europese rijken richten hun aandacht buiten Europa op het Oosten. Door de opkomst van de rijke steden vermindert de greep van het feodale systeem. De Zwarte Dood bereikt Europa: hele streken raken ontvolkt door de pest. In Amerika wordt de eerste reis van Christoffel Columbus en Columbusdag op 12 oktober 1492 gezien als het einde van de middeleeuwen. Ziekten uit Europa worden in Amerika verspreid (de columbiaanse uitwisseling).
Herkomst van de benaming De middeleeuwen danken hun naam aan het feit dat humanisten in de renaissance deze tijd als een tussenperiode beschouwden, die was begonnen met de val van het Romeinse rijk en werd opgevolgd door de tijd waarin zij zelf leefden. Deze tussenperiode was er volgens hen een van verval. West-Europa was immers na de ondergang van het Romeinse rijk afgesneden geraakt van de klassieke cultuur, om daar pas weer mee in aanraking te komen tijdens de kruistochten. De Arabieren hadden heel wat geschriften van klassieke schrijvers bewaard. Door de achteruitgang en de bedreiging door de Turken van het Byzantijnse keizerrijk trokken Byzantijnse geleerden naar het veiliger Italië en namen de door hen verzamelde kennis uit de oudheid mee die in Constantinopel bewaard was gebleven. Ook de plundering van Constantinopel door de kruisvaarders in 1204, tijdens de Vierde Kruistocht, bracht naast een aanzienlijke materiële buit ook veel in het Westen verloren gegane kennis, kunst, muziek en cultuur terug naar Europa. Ook in Al-Andalus kwamen westerse geleerden in aanraking met de door de moslims bewaarde en vertaalde klassieke werken. Het weinig genuanceerde negatieve oordeel van de renaissancehumanisten over de middeleeuwen delen moderne historici niet langer.
Door hernieuwde kennismaking met deze antieke literatuur, filosofie, kunst, muziek en cultuur in het algemeen werden het humanisme en de renaissance feitelijk mogelijk gemaakt. Petrarca (ca. 1340) noemde de periode vanaf de 4e eeuw, toen de Romeinse keizers zich tot het christendom hadden bekeerd, de tijden van tenebrae (schaduwen), een "smerige midden-tijd" waarin men alleen maar kon hopen dat er een betere periode zou volgen. Vanaf 1469 werd onder invloed van bisschop Giovanni Andrea Bussi voornamelijk de term media tempestas (tussentijd) gebruikt. Andere namen waren media antiquitas ("midden-oudheid"), media aetas ("midden-tijdperk") en media tempora ("midden-tijden"), alle voor het eerst gebruikt tussen 1514 en 1530.
Pas in de 17e eeuw (Christoph Cellarius en Georgius Hornius) werd de term medium aevum ('middeleeuwen') gemeengoed. Deze kreeg een officiële status met het verschijnen van Glossarium mediæ et infimæ latinitatis van Du Cange in 1678. Tien jaar later verscheen van Christoph Cellarius de eerste geschiedenis van de middeleeuwen, Historia Medii Aevi. & , Eeuwen des onderscheids: Een geschiedenis van middeleeuws Europa (8ste druk; Amsterdam 2016), 10.
Overigens wordt de term 'middeleeuwen' vooral toegepast op de geschiedenis van West-Europa na de val van het Romeinse rijk. In bijvoorbeeld Oost-Europa wordt de term niet gebruikt voor de eigen geschiedenis: men is daar van mening dat het Romeinse rijk pas gevallen is met de inname van Constantinopel in de 15e eeuw. Bijgevolg is er geen periode aan te wijzen als 'middeleeuwen' tussen de ondergang van het keizerrijk en de 'nieuwe tijd'.
In andere delen van de wereld zoals in China, India of de Arabische wereld spreekt men nooit over een 'middeleeuws' tijdperk in de eigen geschiedenis.
Het veranderende landschap