thumb|Kind wordt gezoogd

Borstvoeding is het geven van moedermelk, door een zuigeling aan te leggen aan de borst. Moedermelk wordt aangemaakt in de melkklieren in de borsten van een vrouw, en wordt uitgescheiden via de tepel. Moedermelk bevat van nature vrijwel alle benodigde voedingstoffen die een zuigeling nodig heeft. Daarom raden gezondheidsorganisaties waaronder het WHO, aan om borstvoeding te geven tot het kind minstens twee jaar is. De zuigeling wordt dan gespeend.

Uit onderzoek blijkt dat 53 procent van de vrouwen in Nederland start met het uitsluitend geven van borstvoeding na de geboorte van hun baby. Er is een flinke toename te zien van het aantal vrouwen dat (tijdelijk) fles- en borstvoeding combineert. Het percentage vrouwen dat na 6 maanden nog uitsluitend borstvoeding geeft is 31 procent. Na zes maanden wordt door het consultatiebureau aangeraden om te starten met een combinatie van moedermelk of flesvoeding met vaste babyvoeding.

Borstvoeding gaat gepaard met intiem lichamelijk contact tussen moeder en kind, en bevordert zo de hechting. Borstvoeding geven is echter niet de enige manier om hechting te bevorderen. Alle vormen van huid-op-huidcontact dragen bij aan een de hechting. Ook komen er tijdens de borstvoeding bij beiden hormonen vrij, die invloed hebben op hun stemming.

Melkproductie of lactatie De productie van melk in het moederlichaam wordt lactatie genoemd. Gedurende de zwangerschap worden er in het lichaam van de moeder hormonen geproduceerd, die de groei van de melkklieren in de borst stimuleren. De samenwerking van hormonen uit hypothalamus en hypofyse, de hypothalamus-hypofyse-as, is noodzakelijk om de lactatie op gang te brengen en in stand te houden. Bij deze samenwerking wordt er een evenwicht gehandhaafd tussen de verschillende werkzame hormonen.

Wanneer een andere vrouw dan de barende moeder borstvoeding wil geven, kunnen medicijnen gebruikt worden om de melkproductie op gang te brengen. Dit opwekken van de melkproductie wordt relacteren genoemd, als de niet barende vrouw al wel borstvoeding heeft gegeven na een zwangerschap. Men spreekt van induceren wanneer de persoon nooit eerder melkproductie had.https://www.volkskrant.nl/mensen/melk-van-allebei-je-moeders-dat-kan-dus-ook-voor-de-helft-groeit-ze-van-mij-die-gedachte-is-heel-bijzonder~b512f42b. Gearchiveerd op 25 juni 2020.

Lactatie kent drie stadia, achtereenvolgens de: mammogenese: groei en ontwikkeling van de melkklieren lactogenese: begin van melk-secretie galactopoëse: instandhouding van melksecretie

Tijdens ieder van deze drie stadia is er steeds een verschillende verhouding van de volgende hormonen in het bloed van de moeder aanwezig: Mammogenese Lactogenese Galactopoëse oestrogenen progesteron prolactine groeihormoon glucocorticoïden epidermalegroeifactor (EGF) prolactine oestrogeen verlaagd progesteron verlaagd humaan placentaal lactogeen (hPL) verlaagd glucocorticoïden insuline oestrogenen verlaagd progesteron verlaagd oxytocine (a.g.v. toeschietreflex) prolactine (a.g.v. toeschietreflex) groeihormoon glucocorticoïden insuline thyroxine parathyreoïdhormoon

Mammogenese miniatuur|Anatomie van de borst (schematisch). Oestrogenen zorgen voor de ontwikkeling van de melkklieren. In elke borst zijn 15 tot 20 afzonderlijke melkklieren aanwezig. Een melkklier bestaat uit kleine eenheden, de alveoli (enkelvoud: alveolus). Alveoli die melk produceren vormen een soort van druiventrosjes. Tijdens de groei van de melkklieren ontstaat een verdeling in verschillende 'lobben'. Een zo'n lob bestaat uit de verzameling alveoli van één melkklier, en heeft één melkgang die uitmondt in, of vlak voor de tepel.

Progesteron is nodig voor de optimale ontwikkeling van de melkklieren. De stamcellen in de borst, de glandulaire stamcellen, differentiëren zich in secretoire en myo-epitheel-cellen. De secretoire cellen zorgen voor de productie van melk. De myoepitheelcellen stuwen de melk de borst uit doordat ze samentrekken. Onder invloed van prolactine, groeihormoon, insuline, cortisol en EGF trekken deze spiercellen samen.

Halverwege de zwangerschap zijn de melkklieren al in staat om moedermelk te produceren, maar wordt slechts een kleine hoeveelheid uitgescheiden.

Lactogenese Prolactine is noodzakelijk voor de productie van melk, en daarnaast zijn verlaagde oestrogeenspiegels (hoeveelheid in het bloed opgeloste oestrogeen) nodig. De prolactinespiegel van het bloed blijft stijgen tijdens de zwangerschap, maar door de productie en afgifte aan het bloed van steroïdhormonen door de placenta, wordt de uitscheiding van melk, die plaatsvindt onder invloed van prolactine, onderdrukt. Prolactine en steroïdhormonen werken samen tijdens de mammogenese, maar werken elkaar dus tegen in de galactopoëse. De lactatie komt daarom pas op gang wanneer de hoeveelheid in het bloed opgeloste oestrogenen, progesteron en hPL daalt, na de bevalling, door het wegvallen van de placenta.

Tijdens de nageboorte wordt de placenta afgestoten, die zorgde voor de productie, en vervolgens afgifte aan de bloedbaan, van hormonen die de melksecretie remmen. Doordat deze productie wegvalt kan de melksecretie op gang komen. Het hormoon prolactine zorgt na de bevalling voor de uitscheiding van moedermelk, en het hormoon oxytocine voor de samentrekking van spiercellen rond de alveolen. Op deze manier kan de melk uit de tepel stromen: de zogenaamde toeschietreflex. Beide hormonen worden aangemaakt in de hersenen van de moeder, en afgegeven aan de bloedbaan, wanneer de tepels fysiek gestimuleerd worden. Dit kan bijvoorbeeld het zuigen van de baby zijn, of het afkolven met een zogenaamde kolf of afkolfpomp.

De zenuwbanen (de nucleus paraventricularis en nucleus supraopticus) die betrokken zijn bij de toeschietreflex, reguleren de afgifte van oxytocine, door stimulatie of remming van de hypofyse. Positieve prikkels, zoals het huilen van een baby, fysieke stimulatie van de tepel en een positieve houding in de zwangerschap en borstvoeding, kunnen voor een hogere melkproductie zorgen. Seksuele prikkels kunnen melksecretie bevorderen. De verwachting om borstvoeding te geven is genoeg om afgifte van oxytocine op gang te brengen. Voor de secretie van prolactine is echter fysieke stimulatie van de tepel noodzakelijk. Aan de andere kant kunnen negatieve prikkels, zoals pijn, stress, angst, onzekerheid of een negatieve houding (ten opzichte van borstvoeding), voor een remming van de toeschietreflex zorgen. Oxytocine komt ook vrij bij een orgasme.

Galactopoëse Voor de instandhouding van lactatie is perodiek zuigen en leegdrinken van de borst nodig. Met name prolactine is nodig voor galactopoëse, maar hoge basale spiegels zijn niet noodzakelijk. Deze blijven na de bevalling dalen tot ongeveer het niveau van voor de zwangerschap. Als er geen borstvoeding wordt gegeven verloopt dit proces in 2-3 weken en valt de melkproductie stil, maar bij moeders die borstvoeding geven duurt dit proces veel langer. De stimulatie van beide tepels en een hoge frequentie van voeden leidt samen tot verhoogde prolactinespiegels. Als twee kinderen tegelijkertijd worden gevoed, is de stijging van prolactine twee keer zo hoog. Hoe het stimuleren van de tepel precies zorgt voor de afgifte van prolactine is niet bekend. Er wordt vermoed dat het komt door de remming van dopamine, wat vermoedelijk voor de remming van prolactine afgifte zorgt. Stimulatie van de tepel zorgt ook voor afgifte van oxytocine, wat de toeschietreflex verzorgt.

Energie voor lactatie De benodigde energie voor lactatie wordt gehaald uit weefsels van de moeder en de voeding die zij binnenkrijgt. Fysiologische vetreserves die in de zwangerschap zijn aangemaakt worden gemobiliseerd tijdens de lactatieperiode, en herstel van het oorspronkelijke gewicht en figuur wordt bevorderd. Op basis van onderzoek wordt borstvoedende moeders aangeraden om 500 kilocalorieën per dag extra in te nemen. Een inname van 2000-2300 kilocalorieën is meestal voldoende. Verder wordt ook aangeraden om boven de normale voedingsadviezen 20 gram eiwit, 20% extra vitaminen en mineralen, 50% extra foliumzuur, 33% calcium, fosfor en magnesium in te nemen. Het is niet bewezen dat extra vochtinname leidt tot hogere melkproductie. Een verlaagde vochtinname heeft ook weinig effect, want de urineproductie zal afnemen voordat de melkproductie afneemt.

Aanbod van moedermelk thumb|Baby's beginnen na de geboorte instinctief naar de borst en tepel te zoeken en aan de tepel te zuigen

Als vuistregel wordt aangehouden dat in de eerste week na de geboorte de melkproductie 60 mL per dag toeneemt. De gemiddelde melkproductie twee dagen post partum is ongeveer 120 mL. Een dag later is dit ongeveer 180 mL en op de vierde dag is het verdubbeld tot ongeveer 240 mL. Dit neemt geleidelijk aan toe tot ongeveer 300 mL per dag. Als alles goed verloopt, ontstaat een continue melkproductie na 10-14 dagen. Vaak wordt er per voeding ongeveer 120-180 mL gemaakt (rond de 1 tot 1,5 liter per dag bij 6-8 voedingen per dag). De productie van melk wordt geregeld aan de hand van de frequentie van het voeden en de hoeveelheid die gedronken wordt. Als de borst niet helemaal leeg wordt gedronken, wordt de productie verlaagd en als de borst wel helemaal wordt leeggedronken, neemt de productie toe.

Frequentie van borstvoeding Als er geen anatomische of medische complicaties aanwezig zijn, bepaalt het tijdstip van de eerste voeding wat de frequentie en duur van de volgende voedingen zal worden en of het geven van borstvoeding zal lukken of niet. Moeders en kinderen die binnen 1-2 uur na de bevalling borstvoeding beginnen, hebben een grotere kans op het slagen hiervan vergeleken met kinderen die pas een paar uren later borstvoeding krijgen. De lactatie komt het beste op gang als het kind bij de moeder kan blijven en gevoed kan worden op verzoek tijdens de eerste 24 uur. Bij de eerste voeding moet uit beide borsten worden gevoed voor ongeveer 5 minuten om de toeschietreflex op gang te brengen. In het begin zal de frequentie vaak onregelmatig zijn (8-10 keer per dag), maar na 1-2 weken ontstaat een vrij regelmatig patroon: elke 2-3 uur voeden.

Meestal drinkt de baby de eerste paar weken minimaal 7 à 8 maal per dag, maar eens in de zoveel tijd kan het voorkomen dat hij een dag lang veel vaker vraagt, zelfs tot een frequentie van elk kwartier, om te worden aangelegd aan de borst. Dit heet 'regeldagen' en deze dienen om een nieuw evenwicht van vraag en aanbod in te stellen. Als de moeder toegeeft aan de vraag van haar baby en dus vaak de borst aanbiedt, dan zal het evenwicht zich binnen een dag tot - in uitzonderlijke gevallen - een week herstellen. Voeden op verzoek maakt regeldagen minder heftig en korter van duur.

Vroege afname van melkproductie komt vaak door onvolledige lediging van de borsten. Dit kan komen door slecht drinken door de baby of door een slechte techniek van de moeder, emotionele problemen (zoals afkeer van borstvoeding geven) of medische complicaties (bv. mastitis). Late afname van melkproductie ontstaat door te veel bijvoeding, emotionele problemen, ziekte of een volgende zwangerschap.

Voldoende rust is noodzakelijk voor goede lactatie. Soms is het moeilijk om voldoende moedermelk te produceren als de moeder buitenshuis werkt. Als het niet mogelijk is om een voedingsschema te maken dat samengaat met werk, kan het nodig zijn om de borst met de hand of met een pomp leeg te kolven.

Het kan nodig zijn om flesvoeding te geven als het aanbod van de moeder blijvend inadequaat is (<50% van de benodigde hoeveelheid) na 3 weken proberen. Als kloven van de tepel of andere verwondingen afkolven onmogelijk maken, de vrouw ziek of zwanger is, kan het ook nodig zijn om borstvoeding te stoppen. Succes op de lange-termijn wordt bevorderd door regelmatige ondersteuning door medisch personeel of ervaren vrijwilligers.

Stoppen van de lactatie