thumb|Bij het lidmaatschap behorende penning

De Raad van Verzet, voluit Raad van Verzet in het Koninkrijk der Nederlanden (RVV), was een Nederlandse koepel van verzetsorganisaties in de Tweede Wereldoorlog.

Ontstaan Tegen het einde van april 1943, kort voor de April-meistakingen, nam de elektrotechnicus Jan Thijssen — hoofd van de Radiodienst van de Ordedienst (OD) — met zes in het verzet actieve geestverwanten het initiatief tot de oprichting van een nieuwe landelijke illegale organisatie die de bestaande actieve verzetsgroeperingen moest overkoepelen. Deze organisatie kreeg de naam Raad van Verzet (RVV), voluit Raad van Verzet in het Koninkrijk der Nederlanden. Als oprichtingsdatum werd 1 mei 1943 aangehouden.

De RVV werd opgericht in de woning van Henk van Beek te Amersfoort. De zeven medeoprichters waren Jan Brouwer, Johan Doorn, Andries Graafhuis, Gerrit Kleinveld, Dick van der Meer, Willem Santema en Johan Engel. Dick van der Meer trok zich een maand later terug en werd opgevolgd door Gerben Wagenaar, een van de kopstukken van het Militair Contact, de verzetsorganisatie van de Communistische Partij van Nederland (CPN). In het najaar van 1943 trad ook de beeldhouwer Gerrit Jan van der Veen toe, waardoor binnen de RVV ook het kunstenaarsverzet vertegenwoordigd was en de RVV contact kreeg met de Persoonsbewijzencentrale (PBC). Via Paul Guermonprez onderhield men contact met de 'Je Maintiendrai-groep' in Limburg.

Officieel zetelde de Raad in Amsterdam. Jan Thijssen en zijn stafleden vergaderden tot eind december 1943 doorgaans in Laren, waar Thijssen en zijn vrouw toen ondergedoken zaten. Nadat Eduard H.M. Hoogeweegen tot de RVV was toegetreden werd in Maarn in het huis van Hoogeweegen enige tijd het Operatiecentrum van de RVV gevestigd. Vanaf begin 1944 vonden de vergaderingen in de regel in Maarsbergen en in Maarn plaats. Thijssen was de belangrijke initiator en stuwende kracht van de RVV. Ook onder de latere aanhang van deze organisatie werd hij in het algemeen gezien als de leider.

Doel Het doel van de Raad van Verzet was de coördinatie van het daadwerkelijke verzet in Nederland door centrale vastlegging van de tijd, de plaats, de methode en de aard van het verzet. Onder dit daadwerkelijke verzet verstond de RVV in hoofdzaak sabotage (inclusief stakingen) en gewapend verzet. De bestaande verzetsgroepen die op dit gebied actief waren en zich bij de RVV hadden aangesloten bleven hun eigen identiteit behouden en verloren geenszins hun zelfstandigheid. De RVV wilde de bij hun aangesloten verzetsorganisaties helpen hun landelijke operaties beter te doen slagen, door deze te coördineren en door bijvoorbeeld bij storing van het telefoonverkeer de faciliteiten van de RVV in te schakelen. Een van deze faciliteiten was het binnenlands zendernet van de OD. Jan Thijssen was behalve de belangrijkste man binnen de RVV bovendien het hoofd van de Radiodienst van de OD. Als zodanig beschikte hij over een binnenlands zendernet, dat hij zelf had opgebouwd en dat hij ongeveer als zijn eigendom beschouwde.

Conflict De chef-staf van de OD jhr. Pieter Jacob Six had Jan Thijssen bevolen met het gebruik van het binnenlands zendernet te wachten tot Nederland bevrijd en de Duitse aftocht een feit was. Op dat moment zou de OD pas in actie komen en kon het binnenlands zendernet gebruikt worden als back-up verbindingssysteem voor het geval de Duitsers de telefoon- en de telegrafieverbindingen tussen de grote bevolkingscentra zouden vernielen. De radiotechnicus Thijssen was het volledig oneens met de zienswijze van Six. Thijssen vond het zinloos om de Radiodienst niet onmiddellijk te laten functioneren als een hulporgaan voor de gehele illegaliteit met inbegrip van de OD. Een scherp conflict met Six was het gevolg.

Deze zaak verergerde toen Thijssen in maart en april 1943 de hand wist te leggen op enkele zend-ontvangers, zendschema’s en codegegevens die een direct zendcontact met Engeland mogelijk maakten. Thijssen besloot deze zend-ontvangers buiten de OD om te gebruiken voor zijn eigen doeleinden. Zodoende was hij in staat de Nederlandse regering in Londen te informeren over de RVV en de April-meistakingen van 1943. In Londen vatte aldus de mening post dat de RVV een zeer belangrijke organisatie was. Het gevolg daarvan was dat de RVV de voorkeur kreeg bij de wapendroppings.

Deze eigenzinnige acties van Thijssen deden Six constateren dat zijn hoofd Radiodienst een geheel zelfstandige koers ging varen. Voor Six was het onaanvaardbaar dat Thijssen met verbindingsmiddelen van de OD op eigen houtje aan de gang ging bij het vormen van een nieuwe organisatie. Hij eiste van Thijssen dat deze zich geheel op de Radiodienst van de OD zou concentreren en de RVV zou laten schieten. De eigenlijke kern van het conflict tussen Thijssen en Six was dat Thijssen een actievere bestrijding van de vijand voorstond en dat hij de OD passiviteit verweet. Thijssen weigerde op de eisen van Six in te gaan. In oktober 1943 besloot Six om Thijssen het commando over de Radiodienst van de OD te ontnemen. Toen het conflict verder escaleerde besloot Six om Thijssen op 31 december 1943 wegens eigengereid optreden uit de OD te zetten. De verwijdering die er als gevolg van het conflict tussen Thijssen en Six was ontstaan heeft tot aan het einde van de oorlog een goede samenwerking tussen de RVV en de OD in de weg gestaan. Met taaie vasthoudendheid begon Jan Thijssen meteen aan de opbouw van een nieuw binnenlands zendernet. Het nieuwe zendernet werd gelieerd aan de RVV. De Radiodienst van de Raad van Verzet werd in de zomer van 1944 operationeel.

Ontwikkelingen Uiteindelijk zou er van het overkoepelen en het coördineren van het actieve verzet weinig terechtkomen. Omstreeks maart 1944 liet de Raad deze doelstelling los. De RVV ontwikkelde zich als een nieuwe verzetsorganisatie naast de bestaande groeperingen. De landelijke organisatie begon pas vanaf medio 1944 uit te groeien en gestalte te krijgen. In feite was de RVV een conglomeraat van verspreide zelfstandige verzetsgroepen die vanaf september 1944 tot brigades werden geformeerd. Tot medio 1944 ontvingen deze groepen af en toe instructies en soms ook explosieven van de centrale Verzetsleiding. Verder moesten zij hun zaken zelf maar zien te regelen. Pas nadat deze Verzetsleiding was vervangen door een actiever orgaan, het Operatiecentrum, had er een intensievere instructie plaats, al bleven de RVV-groepen en -brigades uiteindelijk in hoge mate zelfstandig opereren. Vanaf de oprichting van het Operatiecentrum was er in feite een soort personele unie tot stand gekomen tussen de RVV en de Radiodienst. De beide organisaties werden geleid door Jan Thijssen. Hij had het Operatiecentrum bemand met kopstukken uit zijn Radiodienst. De leden die deel uitmaakten van het Operatiecentrum waren Jan Thijssen, Willem Johan van Hoorn Alkema en Eduard H.M. Hoogeweegen. In het Operatiecentrum werden de leiding van de RVV-verzetsgroepen en de Radiodienst van de Raad van Verzet verenigd. In maart 1944 kwam er de RVV-Inlichtingendienst bij.

Londen Na de April-meistakingen van 1943 was door de RVV in de loop van het jaar diverse malen telegrafisch om hulp van de Nederlandse regering in Londen verzocht. Reacties hierop waren uitgebleven. In september 1943 besloot de RVV om een boodschapper naar Londen te sturen. Thijssen besloot zijn vriend Andreas Wilhelmus Maria Ausems naar Engeland te sturen en aan hem Het Verslag Ervaringen Hoofd Radiodienst mee te geven. In het verslag stonden de doelstellingen beschreven die Thijssen met de RVV en de Radiodienst nastreefde.

Na de gesprekken met Ausems besloot de leiding van het Bureau Inlichtingen (BI) om vanaf januari 1944 en de daarop volgende maanden een groep agenten boven bezet gebied te parachuteren. De groep bestond uit organisatoren en radiotelegrafisten. Met de radiotelegrafisten wilde het BI een zendgroep oprichten om steun te kunnen verlenen aan de Radiodienst van Jan Thijssen. De organisatoren hadden de taak om de verzetsleiding in bezet gebied te ondersteunen bij de coördinatie en de bundeling van de verzetsorganisaties. Op het moment dat de tijd daar rijp voor was zou het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO) agenten en materiaal boven bezet gebied parachuteren om de RVV met personeel en materieel te ondersteunen. In de nacht van 10 op 11 januari 1944 werden de eerste agenten van het BI in de omgeving van Breda bij Rijsbergen geparachuteerd. Het was het agentenkoppel Harm Steen en Josephus Adriaansen. Vanaf medio januari 1944 stond Jan Thijssen via deze agenten in radiocontact met het Bureau Inlichtingen in Londen.

In juli 1944 kwamen de landelijke leiders van de RVV en de leiders van de RVV-Zuid bijeen op het Groot Kasteel van Deurne, waar Thijssen voorstelde om de RVV-afdelingen om te zetten in sabotagegroepen die een guerrillaoorlog tegen de Duitse bezetter moesten voeren.

Operatiecentrum Voor de sabotageacties werd op 25 augustus 1944 door de Topleiding van de Landelijke Knokploegen (LKP) J.A. van Bijnen tot landelijk sabotagecommandant benoemd. Om reden van militaire efficiëntie verleende de RVV in dezelfde periode aan Thijssen bij besluit van de Raad eenzelfde positie ten aanzien van de RVV-groepen. Thijssen kreeg de bevoegdheid om zelfstandig de maatregelen van organisatie te treffen en de acties te ondernemen die voor de uitvoering van de geallieerde directieven en bevelen noodzakelijk waren. Thijssen kon nu de RVV-groepen zonder overleg met de Raad bevelen geven. Het Operatiecentrum van de RVV trad daarmee in werking en Thijssen werd de operationele leider van de RVV. Bij de RVV verwachtte men dat Rotterdam een cruciale rol zou kunnen gaan spelen in de laatste fase van de oorlog. Men rekende er op dat de geallieerden via de Nieuwe Waterweg Nederland binnen zouden trekken. Vandaar dat Thijssen eind augustus 1944 zijn Operatiecentrum naar Rotterdam verplaatste. Twee leden van het Operatiecentrum, Jan Thijssen en Eduard H.M. Hoogeweegen doken in Rotterdam onder. Willem Johan van Hoorn Alkema bleef in Maarn achter. De officiële zetel van de Raad bleef in Amsterdam gevestigd. Het hoofdkwartier van J.A. van Bijnen, de landelijk sabotagecommandant van de LKP, was eveneens in Rotterdam gevestigd.

Eind augustus kreeg Jan Thijssen rechtstreeks contact met het Bureau Bijzondere Opdrachten, doordat in de nacht van 5 op 6 juli 1944 de boven bezet gebied geparachuteerde agent Leonard George Louk Mulholland met Thijssen en de RVV ging samenwerken. Doordat Mulholland als verbindingsofficier aan het Operatiecentrum werd toegevoegd kreeg het BBO, dat vanuit Engeland de wapendroppings boven bezet Nederland organiseerde, naast het contact dat zij al met de LKP hadden, tevens verbinding met de RVV. Hierdoor kon nu ook de RVV rekenen op de ontvangst van wapens en ander voor het verzet nuttig materiaal. De RVV-brigade Rotterdam moest daartoe in de wijde omtrek van de stad afgelegen landerijen verkennen die eventueel als afwerpterrein in aanmerking kwamen. In Londen, waar men de behoefte had in bezet Nederland slechts met één instantie te maken te hebben, had men besloten om de RVV bij de wapendroppings naar voren te schuiven. Door de agent Mulholland had men bij het BBO kennelijk te horen gekregen dat de RVV een betrouwbare partner was, hoewel men door de agent Bert De Goede, de collega van Mulholland, die als verbindingsofficier voor de LKP werkte, nog onvoldoende was ingelicht.

Werving en reorganisatie september 1944 thumb|Herdenkingsplaat in Wormerland voor Jan Kuijper