De Harappabeschaving, Harappacultuur of Indusbeschaving was een beschaving uit de bronstijd in het zuiden van Azië (ca. 3200-1900 v.Chr.), die zich kenmerkte door de bouw van strak geplande steden en het Harappaschrift. De belangrijkste vindplaatsen zijn Harappa en Mohenjodaro, terwijl het verspreidingsgebied vooral de vlakte van de Indus en de zijrivieren was, met uitlopers aan de kust en langs de loop van de Ghaggar-Hakra. De Harappabeschaving was samen met die van Mesopotamië en het Oude Egypte een van de eerste hoogontwikkelde beschavingen ter wereld. (2001), p. 35 Mesopotamië en Egypte hadden wel iets eerder steden dan de Harappabeschaving, maar daar staat tegenover dat de Harappabeschaving het grootste verspreidingsgebied had.
Er was een uitgebreid overzees handelsnetwerk met het westen van Azië, planmatige stedenbouw met gemeenschappelijke infrastructuur als riolering en watertoevoer. De ruime bakstenen huizen met verdiepingen hadden hun eigen badkamer. Handel en nijverheid waren per bedrijfstak in wijken ingedeeld. Er zijn geen grote monumenten gevonden die op een geestelijke of wereldlijke macht wijzen. Het schrift is vooralsnog niet ontcijferd en ook de taal is nog onbekend. Al even raadselachtig is het verdwijnen van de beschaving gedurende een relatief korte periode, waarin de bewoners de steden achterlieten en veel van de culturele ontwikkeling verloren ging.
Er zijn enkele aanwijzingen dat de late Harappabeschaving overlapte met de komst van de eerste Indo-Ariërs naar het zuiden van Azië, maar mogelijk zaten er enkele eeuwen tussen het verdwijnen van de steden en het ontstaan van de Veda's, de heilige teksten van de Indo-Ariërs. De Harappabeschaving werd pas ontdekt in de jaren 1920 en is vrijwel alleen uit talloze archeologische opgravingen bekend; daarnaast zijn er slechts enkele verwijzingen in Sumerische inscripties, waarin de bewoners van de Indusvallei Meluhha worden genoemd.
Ontdekking, opgravingen en verspreidingsgebied Charles Masson, een deserteur uit de East India Company (EIC), vond in 1826 de heuvels van Harappa, maar was vooral op zoek naar Griekse geschiedenis. Hij was er van overtuigd dat dit Sagala was waar Alexander de Grote in 326. v.Chr. de Slag bij de Hydaspes tegen koning Poros won. (1842): Narrative of Various Journeys in Balochistan, Afghanistan and The Panjab In 1831 bezocht Alexander Burnes de ruïnes, maar hoewel hij de plaats van historisch belang achtte, zag hij niet het bijzondere karakter. De verslagen van Masson en Burnes zijn vooral van belang omdat ze onder ogen kwamen van Alexander Cunningham die Harappa in 1853 en 1856 bezocht in zijn zoektocht naar steden die door Xuanzang genoemd waren, maar hij was niet onder de indruk. In 1861 richtte Cunningham de Archaeological Survey of India (ASI) op nadat de Britse kroon in 1858 het gezag over India over had genomen van de EIC.
thumb|left|Harappa volgens Alexander Cunningham thumb|Zegel H-1048 van Clarke In 1872 keerde Cunningham terug, maar zag dat de ruïnes gebruikt waren bij de aanleg van de Punjab Railway tussen Multan en Lahore. Hij deed er enkele opgravingen en verkreeg er van majoor-generaal Clarke, een commissioner van Oudh, een stempelzegel (H-1048) met een afbeelding van een stier en een vreemd schrift. Aangezien een bult ontbrak bij de stier, ging Cunningham ervan uit dat het zegel niet uit India afkomstig was en ontging ook hem de bijzondere betekenis van Harappa. In 1884 verkreeg J. Harvey via een lokale boer een zegel uit Harappa en in 1886 vond T.A. O'Connor een zegel van een eenhoorn. De drie zegels kwamen terecht in het British Museum waar John Marshall ze onderzocht in 1906. Marshall was in 1902 aangesteld als directeur-generaal van ASI en stuurde in 1909 Hiranand Sastri naar Harappa voor verder onderzoek. Sastri achtte het echter niet de moeite waard om verdere opgravingen te doen. D.R. Bhandarkar bezocht in 1911-12 zowel Harappa als Mohenjodaro, maar dacht dat het moderne bakstenen betrof en daarom niet ouder dan 200 jaar kon zijn. In 1912 publiceerde John Faithfull Fleet zijn onderzoek naar het zegel van Clarke en twee zegels die daarna gevonden waren. (1912): 'Seals from Harappa' in Journal of the Royal Asiatic Society, Volume 44, Issue 3, p. 699-701 In 1914 stuurde Marshall Harold Hargreaves naar Harappa, maar ook deze was weinig enthousiast. In 1916-17 volgde Daya Ram Sahni die een plan maakte voor opgravingen die begonnen in 1920. Ondanks de vondsten was het vooralsnog niet duidelijk dat dit een oude beschaving betrof. Dit inzicht kwam vanuit Mohenjodaro waar R.D. Banerji in 1919 tot de conclusie kwam dat opgravingen de moeite waard waren. Deze begonnen in 1922 en brachten Marshall tot het inzicht dat dit een tot dan toe onbekende oude beschaving betrof. Hij publiceerde zijn bevindingen in The Illustrated London News in de hoop dat anderen de vondsten konden duiden. Dit had het gewenste resultaat, want Archibald Sayce herkende proto-Elamitische elementen zoals Jacques de Morgan die gevonden had in Susa. Hier sloten Sydney Smith en Cyril John Gadd zich bij aan aangezien zij tekens uit Mesopotamië herkenden. Ernest J.H. Mackay zag op zijn beurt overeenkomsten met Kisj. Hoewel zij niet suggereerden dat Harappa een afgeleide cultuur was van het oude Nabije Oosten, bracht de analogie met het Nabije Oosten en Egypte het begin van de Indische beschaving wel zo'n 2000-2500 jaar terug.
Tegen 1931 was er al een groot deel van Mohenjodaro blootgelegd; er volgden nog kleinere campagnes zoals die van Mortimer Wheeler in 1950. Na de opsplitsing van Brits-India in 1947 raakte het gebied van de Indusbeschaving verdeeld over Pakistan en India. De invloed van Britse archeologen duurde nog even voort onder Aurel Stein, maar werd spoedig gedeeld met de Indiase archeoloog Nani Gopal Majumdar en de Duitse archeoloog Michael Jansen.
Harappa en Mohenjodaro kregen lange tijd de meeste aandacht, maar gaandeweg bleek dat andere steden net zo groot of groter waren, zoals Lurewala, Ganweriwala, Rakhigarhi en Dholavira. Ook kleine dorpen als Allahdino en Balu worden in toenemende mate onderzocht. Ook deze vertonen de kenmerken van de Harappabeschaving, als zijn er duidelijk regionale verschillen. Zo bestaat in Allahdino maar 1% van het aardewerk uit het kenmerkende zwart-en-rood aardewerk (BRW). De platforms van leemsteen in Kalibangan die als vuuraltaar zijn geïnterpreteerd, ontbreken in de meeste andere nederzettingen. Ook verschillen de grafrituelen. Gezien de variatie heeft de beschaving onderverdeeld in domeinen. De kust in het westen is het Kullidomein, met ten oosten daarvan het Sindhi-domein aan de benedenloop van de Indus. Ten zuiden hiervan bevindt zich op een schiereiland het Sorath-domein met ten noordoosten daarvan het Anartachalcolithicum. De bovenloop van de Indus is het Harappa-domein met ten westen daarvan de noordwestelijke grenslanden, ten zuiden het Cholistandomein en ten oosten het oostelijke domein. (2002)
Vergeleken met het Egypte en Mesopotamië van die tijd besloeg de Harappabeschaving een veel groter gebied. De kern was de vallei van de rivier de Indus, maar de beschaving strekte zich uit langs de kust van de Arabische Zee van Sutkagan-dor in het westen tot Lothal en Malwan in het zuiden die zo toegang gaven tot de handel met de Perzische Golf. In het oosten bevonden zich nederzettingen aan de oevers van de Ghaggar-Hakra. Deze rivier had volgens sommige hypothesen vroeger het hele jaar door water en wordt wel gezien als mogelijke kandidaat van de Sarasvati uit de Rig Veda. De meest oostelijke nederzetting was Alamgirpur, terwijl Manda de meest noordelijke was, afgezien van de dicht bij lapis lazulimijnen gelegen handelskolonie Shortugai.
Van de 1022 archeologische vindplaatsen zijn er echter maar zo'n 100 opgegraven. Daar ook het schrift nog steeds niet is ontcijferd, is het moeilijk om aan te geven welk gebied het centrum betrof en welk gebied de periferie was. Ook is niet altijd zeker of het inderdaad Harappanederzettingen betreft. Zo worden de nederzettingen aan de Ghaggar-Hakra wel aangehaald om te spreken van de Sarasvaticultuur. Deze zouden dan vooral de periode laat-Harappa betreffen. Volgens S.R. Rao moeten nederzettingen aan enkele voorwaarden voldoen om hiertoe gerekend te kunnen worden: To deserve the term "Late Harappan" it is essential that the inhabitants of the deurbanized phase must have retained the core of Harappan achievements such as writing, use of the Harappan standard of weights and Harappan religious beliefs including the method of the disposal of the dead. (1982): 'New Light on the Post-Urban (Late Harappan) Phase of the Indus Civilization in India' in Harappan Civilization. A Contemporary Perspective, Oxford University Press
Niet alle oostelijke nederzettingen die als Sarasvaticultuur worden aangemerkt, voldoen aan deze criteria. Mogelijk spelen nationalistische sentimenten van Indiase historici daarbij een rol, aangezien het centrum hierbij verplaatst wordt van de Indus in Pakistan naar Ghaggar-Hakra in India. (1992): 'The Indus Valley Civilization: In Search of Those Elusive Centers and Peripheries' in Journal of the Association of Graduates in Near Eastern Studies, Volume 3, No. 1. Gearchiveerd op 16 juni 2021.
Sindhu was de antieke naam voor de Indus en daarom is ook wel voorgesteld om het de Sindhu-Sarasvati-beschaving te noemen. Gebruikelijker is het echter om een archeologische cultuur te noemen naar de typesite, in dit geval Harappa.
Ondanks de vele en opvallende vondsten blijven veel vragen onbeantwoord. Zo is het schrift nog steeds niet ontcijferd, omdat teksten – als het al teksten zijn – slechts in brokken van enkele symbolen tegelijk zijn overgeleverd en is het onbekend of er een verband is met het Brahmischrift, ook al lijkt dit tegenwoordig minder waarschijnlijk. Er zijn wel verhalen te vinden in de Sanskritische literatuur van de Veda's over de Arische invasies tussen circa 1700 en 1300 v.Chr. Hierin wordt verhaald van veldslagen met een oorspronkelijke bevolking, maar er zitten geen aanknopingspunten bij met wat nu bekend is geworden over de Indusbeschaving.
Chronologie en periodisering Sinds de publicatie in The Illustrated London News werd de analogie met Mesopotamië gebruikt om tot een chronologie te komen. Zo ging Marshall nog uit van een bloeiperiode tussen ca. 3250 en 2750 v.Chr., daarbij data vergelijkend met de chronologie van het Nabije Oosten. Nadat deze laatste aan werd gepast, werd ca. 2350-2000/1950 v.Chr. gedacht als de periode van de Harappabeschaving.
Met de opkomst van radiometrische datering werd een nauwkeurigere datering mogelijk en werd ongeveer 2600-1900 v.Chr. aangenomen voor de stedelijke fase van het kerngebied. Dit komt vrij goed overeen met de data uit Mesopotamië. Daarmee werd de chronologie voor vroeg-Harappa tussen 3200 en 2600 v.Chr., de bloei tijdens hoog-Harappa tussen 2600 en 1900 v.Chr., in dezelfde tijd als het Oude Rijk in Egypte en de Vroeg-dynastieke Periode van de Sumeriërs in Mesopotamië. Laat-Harappa tussen 1900 en 1300 v.Chr. was een periode van neergang.
Van grote invloed waren Stuart Piggott met Prehistoric India uit 1950 en vooral Mortimer Wheeler. Beiden waren sterk beïnvloed door het toen geldende vooruitgangsgeloof en een cyclustheorie van opkomst, bloei en ondergang. Taalverandering en verschillen in artefacten zouden dan een nieuwe cyclus zijn die in gang werd gezet door een invasie door een cultureel of technologisch verder gevorderd volk. Marshall ging uit van een autonome culturele evolutie, maar Mackay zocht een diffusionistische verklaring en dacht dat een migratie van Sumeriërs mogelijk had bijgedragen aan het ontstaan van de Harappabeschaving. Ook Douglas Hamilton Gordon en Samuel Noah Kramer hingen deze verklaring aan. Wheeler dacht dat niet de migratie van mensen, maar van ideeën hier aan ten grondslag lag. Zo werd de meest gebruikelijke periodisering die in een vroeg-, hoog- en laat-Harappa.