Cornelis Buddingh' (roepnaam: Kees) was een Nederlands dichter, prozaïst en vertaler. Ook hertaalde hij Leendert Burgersdijks 19e-eeuwse vertaling van de toneelspelen van William Shakespeare, alsmede enkele andere klassieke werken. Hij dankt zijn bekendheid vooral aan zijn gedichten, waaronder 'De blauwbilgorgel' (1942) en 'Pluk de dag' (1966), het verhaal 'Daar ga je, Deibel!' (1975) en zijn gepubliceerde verzamelingen citaten en aforismen.

Naam Buddingh' maakte zelf altijd onderscheid tussen de persoonsnaam Cornelis (Kees) Buddingh' en de auteursnaam C. Buddingh'. Zijn roepnaam was Kees, geschreven met een K. Over de verwarring rondom diens naam schreef Buddingh':

"Een heleboel mensen kunnen, vreemd genoeg, niet tegen initialen in schrijversnamen. Dat je als C. Buddingh' publiceert nemen ze – bewust of onbewust – ergens niet: die 'C' moet en zal een naam worden. En zo prijk je – zonder dat je het zelf wilt – op de meest uiteenlopende plaatsen als 'Cees', een voornaam die ik zelf wel als laatste zou uitkiezen."uit: C. Buddingh', En in een mum is het avond, Amsterdam 1975.

Toch is Buddingh' ook zelf niet altijd consequent met zijn benaming omgegaan: hij moet diverse drukproeven met de naam Cees hebben geaccordeerd. Opmerkelijk genoeg prijkt zelfs op de grafsteen van Buddingh' de naam 'Cees'.

Biografie C. Buddingh' werd geboren op 7 augustus 1918 in Dordrecht in een typische 'lower middle class' straat, zoals hij de Dordtse Riouwstraat later beschreef. Het gezin Buddingh' bestond verder uit zijn jongere broer en zus, Wim en Nienke. Er heerste een sfeer van harmonie en respect. Zijn vader werkte op het Dordtse architectenbureau Bernardus van Bilderbeek en Hendrik Reus. De jonge Kees bezocht de lagere school, eerst in het Kasperspad, later in het Stek. In 1930 ging hij naar de Hogereburgerschool ( HBS) aan het Oranjepark, waar hij in 1935 het examen HBS-A deed. Drie jaar later haalde hij zijn acte MO-A Engels in Den Haag. Al vanaf 1933 voetbalde hij bij D.F.C., waar hij uitgroeide tot een bijzonder getalenteerd speler.

Van 1938 tot 1940 was hij in militaire dienst, eerst in Breda, later bij de regimenten wielrijders in 's-Hertogenbosch en Apeldoorn. De mobilisatie bracht hij door bij het depot in Gouda. Na de capitulatie keerde hij terug naar Dordrecht waar hij in de openbare leeszaal ging werken. In de eerste oorlogsjaren ontwikkelde zich zijn schrijverschap, daarin gestimuleerd door een kring van literaire vrienden die zich ontpopte als de 'Dordtse School'. Nadat bij hem tbc was geconstateerd, werd hij van 1942 tot 1943, en later nog van 1947 tot 1949, verpleegd in Sanatorium Zonnegloren in Soest. In 1950 trouwde hij met Christina (Stientje) van Vuren. Zij kregen twee zoons, Sacha en Wiebe.

C. Buddingh' debuteerde, na enkele publicaties in Den Gulden Winckel en Criterium, in 1941 met de bundel Het geïrriteerde lied. Daarna volgden onder andere de clandestiene bundel De laarzen der Mohicanen (1943), Twintig sonnetten (1945) en Water en Vuur (1951). In het sanatorium begon hij met het schrijven van gorgelrijmen, waarvan De blauwbilgorgel het beroemde oerrijm is. De eerste uitgave van de gorgelrijmen, inclusief de Blauwbilgorgel, vond plaats in het baldadige en surrealistische tijdschrift De Schone Zakdoek. De Gorgelrijmen zijn later in verschillende uitgaven gepubliceerd, waaronder 10 Gorgelrijmen, gedrukt in een oplage van slechts tien exemplaren, met illustraties van Wim van Stek (1953). Nieuwe poëzie schreef hij met de bundel Lateraal (1957). West Coast (1959) en Zo is het dan ook nog weer eens een keer (1963). Een belangrijke bundel werd Deze kant boven (1965), waarin hij voor het eerst een haarscherp beeld gaf van zijn dagelijks leven. Hij werkte mee aan de tijdschriften Gard Sivik en Barbarber.

Buddingh' verwierf een grote populariteit op poëzieavonden. Bekend werd zijn voordracht van het gedicht Pluk de dag tijdens de Poëzie in Carré-bijeenkomst in 1966, een initiatief van Simon Vinkenoog. Ook werd hij een bekende Nederlander dankzij zijn optreden als presentator van het televisieprogramma Poets. In 1967 begon hij met het schrijven van wat uiteindelijk vijf delen dagboeknotities zouden worden. In 1976 kreeg hij de Jan Campert-prijs voor de bundel oden en elegieën: Het houdt op met zachtjes regenen. Daarna volgden nog meer autobiografische verzen in De eerste zestig (1978), De tweede zestig (1979) en Verzen van een Dordtse Chinees (1980).

Buddingh' werkte rond deze tijd als 'literator', en hij vertaalde veel, onder andere de The Forsyte Saga van John Galsworthy en, samen met zijn zoon Wiebe, A Clockwork Orange. Daarnaast schreef hij poëzie en enkele prozawerken: Misbruik wordt gestraft (1967), De avonturen van Bazip Zeehok (1969) en Daar ga je, Deibel! (1975), een toneelstuk (geschreven samen met Bert Schierbeek), een serie strips in dagbladen samen met Otto Dicke, kritieken, columns, aforismen en verschillende essaybundels, waaronder het Lexicon der Poëzie (1968). Ook stelde hij een groot aantal bloemlezingen samen. Begin jaren 70 ontpopte Buddingh' zich nog een periode als beeldend kunstenaar. Hij maakte een groot aantal kastjes en collages met surrealistische voorstellingen. Er volgden exposities in Brussel, Dordrecht, Franeker en Amsterdam.

Buddingh' bekleedde naast zijn schrijverschap een deeltijdbaan aan het Instituut voor Vertaalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Ook was hij gedurende tien jaar bestuursvoorzitter van de coöperatieve uitgeverij De Bezige Bij. Op zijn zestigste verjaardag werd hij benoemd tot ereburger van Dordrecht.

Na de onverwachte en felle aanval van Willem Frederik Hermans in NRC Handelsblad (september 1978) stagneerde zijn literaire productie. Hij schreef nog wel een groot aantal miniaturen (prozagedichten) die werden gebundeld in onder andere Een rookwolkje voor God (1982). In 1983 ontving hij de Cestoda-prijs. Kort voor zijn overlijden verscheen een nieuwe reeks gorgelrijmen in de bundel Nieuwe gorgelrijmen (1985). Op 24 november 1985 overleed C. Buddingh' in het Gemeentelijk Ziekenhuis in Dordrecht, terwijl hij herstelde van een operatie.

Leven en dood in het werk van C. Buddingh' thumb|De jarenzestig-hertaling door Kees Buddingh' van de Burgersdijk-vertaling van Shakespeare, uitgegeven in de Zwarte Beertjes-reeks.

"Sinds Buddingh", zo dichtte Remco Campert, "verwachten veel mensen van poëzie een avondje lachen".Remco Campert, Mijn leven's liederen, Amsterdam, 1968. En zo was het ook. C. Buddingh' stond bij zijn leven voor veel mensen te boek als een vrolijke dichter, als iemand wiens opmerkelijke, maar tegelijk alledaagse poëzie bij herhaling tot ware lachsalvo's aanleiding gaf. Wat dat betreft is het beroemde televisiefragment van de dichtersmanifestatie Poëzie in Carré uit 1966 – waarin Buddingh' zijn gedicht Pluk de dag voorlas en daarbij herhaaldelijk door het rumoerige gelach uit de zaal onderbroken werd – lange tijd in de herinnering van het grote publiek gebleven. Maar het was niet alleen het potje marmiet dat in het geheugen van mensen bleef hangen, ook het elastiekje dat eerst leek op een schaartje en daarna op het brilletje van Bernlef, en de gedichtencyclus Kachel I t/m XIII, om er maar enkele te noemen. Hoewel deze gedichten niet tot dat genre gerekend kunnen worden, werd zijn poëzie vaak als light verse getypeerd. Want iedereen wist dat Buddingh' ook die schrijver van De Blauwbilgorgel en andere gorgelrijmen was.

Buddingh' vond dat niet erg, maar verwonderde zich er wel vaak over dat mensen niet zagen dat humor en ernst zo dicht tegen elkaar aan lagen, zelfs door elkaar heen liepen. Zo beschouwde hij de strofe uit de kachelgedichten: Hoeveel men ook van elkaar houdt, op den duur kan men niet zonder kachel, zelf als een diepe existentiële waarheid. Maar het weerhield geen mens ervan om er onbedaarlijk om te lachen.

Buddingh' is vaak een stoïcijnse levenshouding toegedicht. In een interview met Vrij Nederland vertelde hij over de beginperiode van zijn dichterschap, waarin hij – om tegen het zich opdringende gevoel van Weltschmerz in te gaan – naar een bepaalde filosofie zocht. En dat hij toen belandde bij het stoïcisme. Er kwam in dat interview een herinnering aan zijn diensttijd naar boven. Hij vertelde dat hij 's nachts op wacht stond aan de rand van een exercitieterrein, een volle twee uur onbeweeglijk in dezelfde houding, de karabijn aan zijn voeten. "Waarom deed je dat toch eigenlijk?" vroeg hij zich af. Waarop zijn antwoord luidde: "Als demonstratie dat je ook a noble roman kon zijn, iemand langs wie verdriet, ellende of lichamelijk ongemak afgleed, als water langs de veren van een eend."Conick, H. de, en P. Piryns, Noem me eens één echt vrolijk gedicht van me. Kees Buddingh', een beetje bejaarde Dordtse jongen. In: Vrij Nederland, 29 juni 1978.

Maar Buddingh' heeft de dood, slechts korte tijd later – en dus nog heel vroeg in zijn leven – al in de ogen moeten kijken. Hij leed als jonge man aan tbc en werd in 1942 – hij was toen 23 jaar – opgenomen in het Sanatorium Zonnegloren in Soest, waar hij begin 1943 het gedicht zou schrijven dat hem zijn leven lang heeft vergezeld: De Blauwbilgorgel. "Ik geloof dat ik daar toch wel een reële kijk op het leven gekregen heb", zei hij later. Buddingh' hoorde er van kameraden die nog met hem bij de wielrijders waren geweest en waren opgepakt en geïnterneerd in Polen, maar ook van de schrijver Ed. Hoornik, die zijn debuutbundel Het geïrriteerde lied (1941) had geredigeerd en die in Dachau zat. Bij dat soort treurige verhalen was zijn gedachte: "Het is natuurlijk niet zo leuk hier in het sanatorium en er gaat hier weleens iemand dood, maar vergeleken bij een concentratiekamp is het hier toch eigenlijk een vakantiekolonie." Lange tijd wist hij zonder zwartgalligheid op die periode in het sanatorium terug te kijken. Zo kon hij vertellen over de ontmoeting met een man na afloop van een première in de Amsterdamse Stadsschouwburg, met wie hij in een heftige discussie verzeild raakte, deels gevoed door een of meer glazen whisky. Ze achtervolgden elkaar daarbij zelfs naar het toilet, waar de man zich telkens op zijn borst sloeg en trots uitriep: "Vijf jaar RAF!". Buddingh' sloeg zich daarop ook op zijn borst en zei: "Zes jaar tbc".

Na de periode van zestig en de stromingen van Gard Sivik, de nieuwe stijl en Barbarber kwam dan halverwege de jaren zeventig Buddinghs meesterwerk in de vorm van de bundel Het houdt op met zachtjes regenen, dat een diepzinnige bundel werd genoemd door critici, hoewel dat woord 'diepzinnig' niet echt bij Buddingh' paste. Vergankelijkheid – altijd slechts onderhuids aanwezig in zijn poëzie – vormde nu het voornaamste onderwerp. Ook de sanatoriumtijd keerde hierin in alle hevigheid terug. Buddingh' wist alle lof voor die bundel – waarvoor hij in 1976 de Jan Campert-prijs ontving – ook direct weer te relativeren: "Natuurlijk kan een gedicht over een vriend die na dertien jaar sanatoriumtijd gestorven is, gemakkelijk meer diepgang krijgen dan een gedicht over een potje jam, maar je moet er toch niet van uitgaan dat het mooier wordt als je maar over de dood schrijft. Da's typisch Nederlands. Als 't maar over de dood gaat, is 't mooi."

Toch was het in deze bundel gedaan met de tot dan toe zo kenmerkende stijl van hem, met dat zo neutraal mogelijk, laconiek-humoristisch, noteren van alledaagse observaties. Vooral de In Memoriam-gedichten brachten daarin verandering. Ook het verdriet sloop langzaam in zijn poëzie, en naast het verdriet ook de woede. Een woedend gevoel van onmacht, onder andere in het gedicht In memoriam Beertje van M. "De dood gaat als een gek tekeer", schreef collega Bernlef naar aanleiding van vooral de zeven elegieën over de zeven mensen die ieder op hun manier iets voor Buddingh' hadden betekend en toen al dood waren: Du Perron, Anthony Bosman, Ton Kloppers, Benjamin Péret, Pablo Neruda, Gerrit M. en Beertje van M.