De millenniumdoelstellingen, Verenigde Naties Millennium Development Goals, richten zich op het uitbannen van wereldwijde armoede.

Regeringsleiders van 189 landenmillenniumdoelen.nl hebben in september 2000 de United Nations Millennium Declaration ondertekend. Daarmee verbonden zij zich aan het behalen van de doelstellingen.

De millenniumdoelstellingen waren vertaald in acht concrete doelen, die – tenzij anders vermeld - in 2015 moesten worden behaald. Per doel waren prestatie-indicatoren vastgesteld, die apart te meten zijn. De voortgang zou worden gemeten ten opzichte van de situatie in 1990. Vanaf 2016 zijn deze doelstellingen vervangen door de duurzameontwikkelingsdoelen.

Doelen Het uitbannen van extreme armoede en honger Tussen 1990 en 2015 is het aantal mensen dat leeft van minder dan 1 dollar per dag gehalveerd. In 2015 hebben alle mensen aanvaardbaar werk, inclusief vrouwen en jongeren. Tussen 1990 en 2015 is het aantal mensen dat honger lijdt gehalveerd. Het bereiken van een universele basiseducatie In 2015 volgen alle kinderen, jongens en meisjes, volledig basisonderwijs Het bevorderen van gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen; het versterken van de positie van vrouwen In 2005 volgen evenveel meisjes als jongens primair en secundair onderwijs In 2015 hebben mannen en vrouwen dezelfde rechten Het verminderen van kindersterfte In 2015 is de sterfte van kinderen jonger dan vijf jaar met twee derde teruggedrongen Het verbeteren van gezondheid van moeders In 2015 is de moedersterfte met driekwart afgenomen In 2015 hebben alle vrouwen toegang tot reproductieve gezondheidszorg Het bestrijden van hiv/aids, malaria en andere ziekten In 2015 is de verspreiding van hiv/aids gestopt en teruggedrongen In 2010 heeft iedereen die het nodig heeft toegang tot behandeling van hiv/aids In 2015 is de verspreiding van malaria en andere ernstige ziekten gestopt en teruggedrongen De bescherming van een duurzaam leefmilieu In 2015 hebben landen de principes van duurzame ontwikkeling in hun overheidsbeleid en -programma's geïntegreerd; het verlies van natuurlijke bronnen wordt tegengaan In 2010 is het verlies aan biodiversiteit significant verminderd In 2010 is het aantal mensen zonder duurzame toegang tot schoon drinkwater en sanitair gehalveerd In 2020 is het leven van minstens 100 miljoen mensen in sloppenwijken significant verbeterd Het ontwikkelen van een wereldwijde samenwerking voor ontwikkeling Ontwikkel een open, voorspelbaar, niet-discriminerend en op regels gebaseerd handels- en financieel systeem Besteed aandacht aan de speciale behoeften van de minst ontwikkelde landen Besteed aandacht aan de speciale behoeften van door land omgeven ontwikkelingslanden en eilandstaatjes. Besteed aandacht aan de schuldenlast van ontwikkelingslanden door middel van nationale en internationale maatregelen om, op de lange termijn, tot een beheersbare schuld te komen. Garandeer, in samenwerking met de farmaceutische industrie, toegang tot betaalbare en noodzakelijke medicatie in ontwikkelingslanden Vergroot, in samenwerking met de private sector, de beschikbaarheid van nieuwe technologieën, vooral voor informatie en communicatie

Voortgang en stand van zaken Elk jaar publiceerde de Verenigde Naties een rapport met daarin de voortgang van de millenniumdoelstellingen. De onderstaande gegevens zijn, tenzij anders vermeld, gebaseerd op 2008.United Nations (2008), The Millennium Development Goals Report 2008. New York, 2008

1. Het uitbannen van extreme armoede en honger Minder armoede Het aantal mensen dat in extreme armoede leeft, daalde van 1,8 miljard in 1990 naar 1,4 miljard in 2005. In dezelfde periode daalde het percentage mensen dat leeft onder de absolute armoedegrens van 1,25 dollar per dag van 41,7 procent naar 25,7 procent. Wanneer de daling van de armoede in dit tempo doorgaat, dan wordt het millenniumdoel voor het halveren van armoede in 2015 gehaald voor de wereld als geheel.

De vooruitgang is echter ongelijk verdeeld over de regio’s. In Oost- en Zuidoost-Azië daalde de armoede sterk, van 56 procent in 1990 naar 18 procent in 2005. Dit is grotendeels te danken aan de snelle economische groei in China, die 475 miljoen mensen uit de armoede heeft getild.

In andere regio’s daalde het aantal armen langzamer dan nodig om dit millenniumdoel te halen. Vooral in Sub-Saharisch Afrika en Zuid-Azië wordt het halen van dit millenniumdoel moeilijk, onder meer door de stijgende kosten voor voedsel en energie. In de meeste onderontwikkelde regio’s steeg het absolute aantal extreem armen. In de Sub-Sahara nam het aantal mensen dat leeft onder de armoedegrens toe met 100 miljoen. India bracht weliswaar het armoedepercentage terug van 51 naar 42 procent, maar door de groei van de bevolking steeg het aantal extreem armen tussen 1990 en 2005 toch met 20 miljoen. Wanneer deze trend doorgaat, dan zullen in 2015 nog altijd 1 miljard mensen in extreme armoede leven, ondanks de sterke relatieve daling van armoede.

Werk voor iedereen In 2007 had 77 procent van de mannen en 49 procent van de vrouwen in ontwikkelingslanden betaald werk. Voor miljoenen mensen zijn de inkomsten uit werk minder dan 1 dollar per dag. Zij behoren tot de ‘werkende armen’. In Sub-Saharisch Afrika valt meer dan de helft van de werkers in deze categorie. Tussen 1997 en 2007 was echter in alle regio’s een daling te zien van het aantal werkende armen. De daling was het sterkst in Zuid-Azië, Oost-Azië en de voormalige Sovjetrepublieken. De belangrijkste oorzaak is de stijging van de productiviteit, waardoor het inkomen omhoog gaat. Daar staat tegenover dat de productiviteit in de Sub-Sahara nauwelijks is gestegen, waardoor het aantal werkende armen in deze regio nauwelijks is gedaald.

Minder honger Tussen 1990 en 2006 is matige vooruitgang geboekt in het bestrijden van honger. Het aantal ondervoede kinderen daalde van 33 naar 26 procent. De vooruitgang staat echter onder druk door de wereldwijde stijging van voedselprijzen. De armen worden het meest door deze prijsstijging getroffen.

In 2006 waren 140 miljoen kinderen in ontwikkelingslanden ondervoed. Meer dan de helft van het aantal ondervoede kinderen woont in Zuid-Azië. China is het meest succesvol in het terugdringen van ondervoeding van kinderen. Tussen 1990 en 2006 is het aandeel ondervoede kinderen in China gehalveerd. In Sub-Sahara Afrika gaat de vooruitgang het langzaamst. Zowel in Afrika als Azië is het aantal ondervoede kinderen op het platteland veel hoger dan in de stedelijke gebieden.

2. Het bereiken van een universele basiseducatie In ontwikkelingslanden gaat 88 procent van de kinderen naar school. In 1991 was dat nog 80 procent. Het aantal kinderen dat niet naar school gaat, daalde van 103 miljoen in 1999 tot 73 miljoen in 2006. Politieke wil van overheden en gerichte steun van donoren droegen bij aan dit succes.

Sub-Sahara Afrika is het percentage schoolgaande kinderen het laagste, met 71 procent. Dat betekent dat 38 miljoen kinderen in deze regio niet naar school gaan. Sinds het begin van deze eeuw stijgt de instroom echter sterk. In Zuid-Azië gaan 18 miljoen kinderen niet naar school. Vooral kinderen uit de armste huishoudens blijven thuis.

Het bereiken van universele basiseducatie houdt meer in dan het vergroten van de instroom in het onderwijs. Ook de kwaliteit van de lessen is van belang, evenals het voltooien van de basisschool. Het aantal kinderen in ontwikkelingslanden dat de basisschool afmaakt, steeg van 79 procent in 1999 naar 85 procent in 2006. In veel ontwikkelingslanden staat de kwaliteit van het onderwijs onder druk, door de snel voller wordende klassen.

Slechts 54 procent van de kinderen in ontwikkelingslanden bezoekt de middelbare school. In Afrika is dat slechts een kwart van de kinderen.

3. Gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen Meisjes in het onderwijs In vrijwel alle regio’s is het aantal meisjes dat naar school gaat gegroeid. De instroom van meisjes in het basisonderwijs steeg tussen 2000 en 2006 verhoudingsgewijs meer dan de instroom van jongens. Twee derde van de ontwikkelingslanden heeft inmiddels het doel van gendergelijkheid in het basisonderwijs bereikt.

De vooruitgang was het grootst in Zuid-Azië. Ook West-Azië, Zuid-Azië en Noord-Afrika boekten goede vooruitgang. In Oceanië daalde de instroom van meisjes verhoudingsgewijs licht. In Sub-Sahara Afrika, West-Azië en Zuid-Azië is de kloof tussen jongens en meisjes het grootst. In Sub-Sahara Afrika staan 80 schoolgaande meisjes tegenover 100 schoolgaande jongens.

Wanneer meisjes eenmaal de lagere school afmaken, gaan zij vaker naar de middelbare school dan jongens. In drie regio’s volgen meer meisjes dan jongens secundair onderwijs. Vooral in Latijns-Amerika en de Cariben blijft de voortgezette opleiding van jongens achter, omdat zij gaan werken.

Vrouwen buiten de landbouw Vrouwen krijgen steeds meer kansen om een inkomen te verdienen. In 2006 had 40 procent van de vrouwen een betaalde baan buiten de landbouw. Dat was 5 procent meer dan in 1990. Vrouwen zijn echter oververtegenwoordigd in parttime werk, seizoenswerk en informele banen. Deze banen bieden weinig inkomen en weinig zekerheid. De arbeidsomstandigheden zijn vaak slecht.

Vrouwelijke parlementariërs In januari 2008 was wereldwijd 18 procent van de parlementariërs vrouw. Rwanda, Zweden, Cuba, Finland en Argentinië telden meer dan 40 procent vrouwelijke parlementariërs. In een derde van de landen is minder dan 10 procent van de parlementariërs vrouw. In Noord-Afrika en West-Azië zijn vrouwen het laagst vertegenwoordigd, in Latijns-Amerika en de Cariben het hoogst. Kiessystemen die quota voor vrouwen hanteren, bevorderen het benoemen van vrouwelijke parlementariërs. Ook training van vrouwelijke kandidaten en actieve campagnevoering draagt bij aan de verkiezing van vrouwen.

4. Kindersterfte tegengaan In 2006 daalde de kindersterfte voor het eerst sinds de cijfers worden bijgehouden tot onder de 10 miljoen. In 1990 stierven nog 13 miljoen kinderen voor hun vijfde levensjaar. Deze daling was voor een belangrijk deel te danken aan grootschalige vaccinatiecampagnes tegen mazelen. Sterfte door mazelen daalde tussen 2000 en 2006 met 68 procent, van 757.000 naar 242.000. In Sub-Sahara Afrika was de daling zelfs 91 procent.

Het kindersterftecijfer in ontwikkelingslanden daalde van 103 per 1000 in 1990 tot 80 per duizend in 2006. In Noord-Afrika was de daling het sterkst, van 82 naar 35 per 1000 kinderen. Ook Zuid-Azië kende een sterke daling, van 120 naar 81 per 1000. De helft van de sterfgevallen vindt plaats in de Sub-Sahara. Daar sterft nog altijd 157 van de duizend kinderen voor de vijfde verjaardag.

De vooruitgang in het terugdringen van kindersterfte gaat te langzaam om dit millenniumdoel wereldwijd te halen. De kindersterfte aan vermijdbare oorzaken blijft onaanvaardbaar hoog. Een kind in een ontwikkelingsland heeft 13 keer zoveel kans om voor het vijfde levensjaar te overlijden dan een kind uit geïndustrialiseerd land. De voornaamste doodsoorzaken zijn longontsteking, diarree, malaria en mazelen. 37 procent van de sterfgevallen vindt plaats in de eerste levensmaand. Belangrijke onderliggende oorzaken zijn gebrekkige voeding en gebrekkige gezondheidszorg. De sterfte is het hoogst bij kinderen op het platteland, in arme gezinnen, en gezinnen met laagopgeleide moeders.

5. Het tegengaan van moedersterfte In 2005 stierven meer dan 500.000 vrouwen tijdens de zwangerschap, de bevalling of de kraamtijd. 86 procent van deze sterfgevallen vond plaats in Sub-Sahara Afrika en zuidelijk Azië. Een vrouw in de Sub-Sahara loopt de kans van 1 op 22 om te sterven aan complicaties tijdens zwangerschap en bevalling. In ontwikkelde landen is dat 1 op de 7.300.