thumb|Rechterbeuk met hoofdaltaar De Kapucijnenkerk is een kerk in het centrum van de Belgische plaats Oostende, aan de Kapucijnenstraat, te midden van het voormalig schipperskwartier. Het kerkje, gebouwd in 1618, is het op een na oudste gebouw van Oostende, na de Sint-Pieterstoren (de Peperbusse). Oorspronkelijk had het gebouw één beuk en was het verbonden met een klooster. Later werd het uitgebreid met een tweede beuk. Het klooster werd verkocht in 1798 en afgebroken. Het kerkje werd in de loop der tijden herhaaldelijk zwaar beschadigd en weer hersteld. De Kapucijnenkerk werd op 23 juni 1960 geklasseerd als beschermd monument.
Geschiedenis Zeventiende eeuw Na het Beleg van Oostende (1601-1604) was de stad volledig verwoest. Reeds in 1604 werd een plan gemaakt voor de herbouw van de stad door Wenceslas Cobergher (1561-1634), hofarchitect van aartshertog Albrecht. In dat plan was een plein opgenomen ten zuidwesten van de Grote Markt aangeduid met 'l'héritage pour les cappucins' (erfenis voor de Kapucijnen).
De paters kapucijnen kregen op 26 november 1615 toestemming voor de bouw van een klooster en een kerk. Dit was het resultaat van een overeenkomst tussen de burgemeester van Oostende en pater Simon François van Oudenaarde, de provinciale overste van de kapucijnen. Daarbij werd vastgelegd dat het stadsbestuur voor een groot gedeelte in de noodzakelijke financiële middelen voor de bouw zou voorzien en dat er geen andere kloostergemeenschappen aanvaard mochten worden in de stad zonder toestemming van de kapucijnen. De paters wilden daarmee voorkomen dat ze de financiële steun van de stad moesten delen met andere orden. De berooide stad kon immers geen twee gemeenschappen onderhouden. Vanaf 17 december 1615 gingen de eerste kapucijnen in Oostende wonen, onder leiding van pater Anastasius Vierendeel van Hazebroek.
Op 1 juli 1618 werd de eerste steen voor de kapucijnenkerk gelegd door Jan Maximiliaan d'Enghien, de abt van een klooster in Oudenburg. De architect was de kapucijn Hilduardus van Dendermonde. Het ontwerp van de kerk bevatte slechte één beuk. De kerk kreeg een kleine klokkentoren. De eerste mis werd opgedragen op 4 oktober 1619. De kerk werd op 9 juli 1620 ingewijd door Mgr. Antonius Triest, bisschop van Brugge. Hij wijdde de kerk aan Sint-Franciscus.
thumb|left|250px|Oostende, anno 1700; de kapucijnenkerk is ingekleurd; ernaast liggen het klooster en de kloostertuin
In 1621 werd naast het kerkje een vrij groot klooster gebouwd. Het grondplan van het gebouw had de vorm van een U volgens het plan van de kapucijn Archangelus Verhel van Amersfoort. De eerste steen voor het klooster werd gelegd door Christiaen Druve. Het klooster werd aanzienlijk uitgebreid in zuidelijke richting in 1631 en 1642, zodat een vroegere stadswijk werd omgevormd tot een kloostertuin. Het klooster bestaat inmiddels niet meer, maar het lag, inclusief de kloostertuin op de locatie van het huidige Mijnplein. Bij de herinrichting op het einde van de 20e eeuw van dit Mijnplein tot een ondergrondse parkeergarage werden nog enkele muurresten teruggevonden.
Hoewel Oostende in de 17e eeuw nog geen badplaats was, bestaan er bronnen waaruit blijkt dat de kapucijnen in zee ging baden. Dit werd hen in 1623 door de overste verboden, en mocht vanaf 1625 alleen op doktersvoorschrift.
De kapucijnenkerk werd in 1643-1644 uitgebreid met een tweede beuk. Op 7 juli 1643 werd hiervoor de eerste steen gelegd door de toenmalige bisschop van Brugge Nicolaas de Haudion. De kerk werd opnieuw ingewijd op 22 mei 1644.
In de 17e en 18e eeuw leefden er in het klooster ongeveer 25 kapucijnenpaters. Zij zetten zich vooral in voor de vissers en waren daardoor zeer geliefd. Onder andere stonden zij ook schipbreukelingen bij. Daarmee werd de kapucijnenkerk, die ligt in het Schipperskwartier, vooral een kerk van de zeelieden. De paters verkregen van het stadsbestuur geldelijke steun. Tijdens de pestepidemie van 1666 zetten zij zich volledig in om de zieken in stervensnood bij te staan.
Jarenlang bleven de kapucijnen de enige kloostergemeenschap in Oostende, zoals bepaald in het contract met het stadsbestuur. Pas in 1653 konden de oratorianen van Scherpenheuvel, na lange onderhandelingen met het stadsbestuur, de Spaanse gouverneur van Oostende en de bisschop van Brugge, zich als tweede geloofsgemeenschap in Oostende vestigen. De doorslaggevende reden was het overlijden van de parochiepriester van de Sint-Pieterskerk in 1652. De oratorianen waren bereid de parochiekerk te bedienen. Bovendien waren zij in staat onderwijs te geven voor de leerynghe van de Latynsche taele. Het verstrekken van onderwijs behoorde niet tot de traditie van de kapucijnen, hoewel ze later wel colleges hebben opgericht in Poperinge (1657), Tielt (1686) en Diksmuide (1758). De oratorianen stichtten in Oostende een college dat later zou uitgroeien tot het huidige Onze-Lieve-Vrouwecollege.
De kapucijnenpaters verzorgden ook de eredienst in de kapel van het fort St. Philippus aan het sluizencomplex van het gehucht Sas-Slijkens. Dit Spaanse fort, opgericht tijdens het Beleg van Oostende, was uitgebreid omdat het sterk aan belang had gewonnen toen Duinkerke in 1662 in Frans bezit was gekomen. Nieuwpoort was evenzeer bedreigd. Oostende was toen de enig overblijvende haven van de Spaanse Nederlanden.De Kapucijnenkerk is een kerk in het centrum van de Belgische plaats Oostende, aan de Kapucijnenstraat, te midden van het voormalig schipperskwartier. Het kerkje, gebouwd in 1618, is het op een na oudste gebouw van Oostende, na de Sint-Pieterstoren (de Peperbusse). Oorspronkelijk had het gebouw één beuk en was het verbonden met een klooster. Later werd het uitgebreid met een tweede beuk. Het klooster werd verkocht in 1798 en afgebroken. Het kerkje werd in de loop der tijden herhaaldelijk zwaar beschadigd en weer hersteld. De Kapucijnenkerk werd op 23 juni 1960 geklasseerd als beschermd monument.
Geschiedenis Zeventiende eeuw Na het Beleg van Oostende (1601-1604) was de stad volledig verwoest. Reeds in 1604 werd een plan gemaakt voor de herbouw van de stad door Wenceslas Cobergher (1561-1634), hofarchitect van aartshertog Albrecht. In dat plan was een plein opgenomen ten zuidwesten van de Grote Markt aangeduid met 'l'héritage pour les cappucins' (erfenis voor de Kapucijnen).
De paters kapucijnen kregen op 26 november 1615 toestemming voor de bouw van een klooster en een kerk. Dit was het resultaat van een overeenkomst tussen de burgemeester van Oostende en pater Simon François van Oudenaarde, de provinciale overste van de kapucijnen. Daarbij werd vastgelegd dat het stadsbestuur voor een groot gedeelte in de noodzakelijke financiële middelen voor de bouw zou voorzien en dat er geen andere kloostergemeenschappen aanvaard mochten worden in de stad zonder toestemming van de kapucijnen. De paters wilden daarmee voorkomen dat ze de financiële steun van de stad moesten delen met andere orden. De berooide stad kon immers geen twee gemeenschappen onderhouden. Vanaf 17 december 1615 gingen de eerste kapucijnen in Oostende wonen, onder leiding van pater Anastasius Vierendeel van Hazebroek.
Op 1 juli 1618 werd de eerste steen voor de kapucijnenkerk gelegd door Jan Maximiliaan d'Enghien, de abt van een klooster in Oudenburg. De architect was de kapucijn Hilduardus van Dendermonde. Het ontwerp van de kerk bevatte slechte één beuk. De kerk kreeg een kleine klokkentoren. De eerste mis werd opgedragen op 4 oktober 1619. De kerk werd op 9 juli 1620 ingewijd door Mgr. Antonius Triest, bisschop van Brugge. Hij wijdde de kerk aan Sint-Franciscus.
thumb|left|250px|Oostende, anno 1700; de kapucijnenkerk is ingekleurd; ernaast liggen het klooster en de kloostertuin
In 1621 werd naast het kerkje een vrij groot klooster gebouwd. Het grondplan van het gebouw had de vorm van een U volgens het plan van de kapucijn Archangelus Verhel van Amersfoort. De eerste steen voor het klooster werd gelegd door Christiaen Druve. Het klooster werd aanzienlijk uitgebreid in zuidelijke richting in 1631 en 1642, zodat een vroegere stadswijk werd omgevormd tot een kloostertuin. Het klooster bestaat inmiddels niet meer, maar het lag, inclusief de kloostertuin op de locatie van het huidige Mijnplein. Bij de herinrichting op het einde van de 20e eeuw van dit Mijnplein tot een ondergrondse parkeergarage werden nog enkele muurresten teruggevonden.
Hoewel Oostende in de 17e eeuw nog geen badplaats was, bestaan er bronnen waaruit blijkt dat de kapucijnen in zee ging baden. Dit werd hen in 1623 door de overste verboden, en mocht vanaf 1625 alleen op doktersvoorschrift.
De kapucijnenkerk werd in 1643-1644 uitgebreid met een tweede beuk. Op 7 juli 1643 werd hiervoor de eerste steen gelegd door de toenmalige bisschop van Brugge Nicolaas de Haudion. De kerk werd opnieuw ingewijd op 22 mei 1644.
In de 17e en 18e eeuw leefden er in het klooster ongeveer 25 kapucijnenpaters. Zij zetten zich vooral in voor de vissers en waren daardoor zeer geliefd. Onder andere stonden zij ook schipbreukelingen bij. Daarmee werd de kapucijnenkerk, die ligt in het Schipperskwartier, vooral een kerk van de zeelieden. De paters verkregen van het stadsbestuur geldelijke steun. Tijdens de pestepidemie van 1666 zetten zij zich volledig in om de zieken in stervensnood bij te staan.
Jarenlang bleven de kapucijnen de enige kloostergemeenschap in Oostende, zoals bepaald in het contract met het stadsbestuur. Pas in 1653 konden de oratorianen van Scherpenheuvel, na lange onderhandelingen met het stadsbestuur, de Spaanse gouverneur van Oostende en de bisschop van Brugge, zich als tweede geloofsgemeenschap in Oostende vestigen. De doorslaggevende reden was het overlijden van de parochiepriester van de Sint-Pieterskerk in 1652. De oratorianen waren bereid de parochiekerk te bedienen. Bovendien waren zij in staat onderwijs te geven voor de leerynghe van de Latynsche taele. Het verstrekken van onderwijs behoorde niet tot de traditie van de kapucijnen, hoewel ze later wel colleges hebben opgericht in Poperinge (1657), Tielt (1686) en Diksmuide (1758). De oratorianen stichtten in Oostende een college dat later zou uitgroeien tot het huidige Onze-Lieve-Vrouwecollege.
De kapucijnenpaters verzorgden ook de eredienst in de kapel van het fort St. Philippus aan het sluizencomplex van het gehucht Sas-Slijkens. Dit Spaanse fort, opgericht tijdens het Beleg van Oostende, was uitgebreid omdat het sterk aan belang had gewonnen toen Duinkerke in 1662 in Frans bezit was gekomen. Nieuwpoort was evenzeer bedreigd. Oostende was toen de enig overblijvende haven van de Spaanse Nederlanden.
Achttiende eeuw Ten tijde van de Spaanse Successieoorlog werden de kerk en het bijbehorende klooster in juli 1706 zwaar beschadigd als gevolg van dagenlange beschietingen van de stad door de Engelse vloot onder leiding van admiraal Fairburn. thumb|Bevelschrift tot verbanning van de paters kapucijnen uit Oostende tijdens de Franse Revolutie op 14 Brumaire An VII (4 november 1796) De Franse Revolutie bracht een grote crisis met zich mee voor veel katholieke kerken. Op 7 juni 1797 werden het klooster en de kerk in beslag genomen door de Franse bezetter. De kerk bleef als bidplaats bewaard, doordat een aantal burgers in december 1797 de kerk aankochten, inclusief de inboedel en de bijbehorende tuin. Het domein van het klooster werd in 1798 verkaveld en openbaar verkocht. Op 10 februari 1798 verlieten de kapucijnen Oostende voorgoed, nadat de dertien paters en drie broeders kapucijnen uit het klooster waren gezet. Zij hadden anderhalve eeuw een stabiel element gevormd voor de zielzorg van de Oostendenaars. De laatst overgebleven pater was Josephus van Doorselaere (pater Januarius) (1754-1833) die verder in het geheim de sacramenten bleef toedienen. Hij werd veroordeeld tot deportatie, maar kon onderduiken. Vanaf 1802 was hij "geestelijk koster" van de kapucijnenkerk.
Negentiende eeuw