Een urinoir (ook wel vespasienne, pissijn, pissoir of waterplaats genoemd) is een openbaar toilet voorzien van doorgaans verscheidene pisbakken waar mannen kunnen plassen. Urinoirs kunnen vrijstaand zijn en niet, gedeeltelijk of volledig afgeschermd zijn. De urinoir is een van oorsprong Franse uitvinding en is veel voorkomend in het Europese straatbeeld.
Etymologie thumb|right|250px|Een Colonne Rambuteau in Parijs, gefotografeerd in 1865. De naam pissoir komt oorspronkelijk van het Middelfranse woord pisser, plassen; een woord dat zelf afkomstig is van het Oudfranse pissier.
Geschiedenis Voor het bestaan van urinoirs bestonden er al gedeelde plaatsen voor mensen om hun behoefte te doen. Deze plaatsen stonden bekend als 'publieke secreten' of 'publieke privaten'; latrines waar men naartoe kon bij hoge nood. Deze gedeelde latrines bestonden ook in steden en en werden vooral gebruikt door de armen die zelf vanwege ruimtegebrek geen toilet in hun huis hadden. De hygiënische toestanden bij deze latrines waren echter erg slecht. Vanaf het begin van de twintigste eeuw werd een eigen toilet ook voor arme mensen steeds toegankelijker, wat de publieke secreten voor die groep uiteindelijk overbodig maakte. Daarnaast was het gebruikelijk dat mannen op straat wildplasten. Met de opkomst van stedelijke gebieden en de aanleg van riolen ontstond de behoefte om speciale gelegenheden op te zetten om wildplassen tegen te gaan. Dit had een aantal redenen; met het groeien van de steden werden het aantal stille hoekjes om te plassen steeds minder, de stank werd vaak ondragelijk en volgens de toen heersende epidemiologische opvattingen was stank niet alleen vies, maar ook gevaarlijk. De Franse stad Parijs had de Europese primeur en plaatste in het voorjaar van 1830 de eerste openbare urinoirs op de grote boulevards. In de zomer van datzelfde jaar werden veel van deze urinoirs vernield gedurende de Julirevolutie en gebruikt als materiaal voor straatbarricades.
Nederland Nederland kent sinds ongeveer 1870 urinoirs in het straatbeeld. De eerste urinoirs werden in de hoofdstad Amsterdam geïnstalleerd in de vorm van de gietijzeren plaskrul bij het Paleis voor Volksvlijt. Deze urinoirs bestaan voornamelijk uit een verhoogd donkergroen metalen scherm dat in een spiraalvorm rond een enkel urinoir is gebogen. Sommige plaskrullen zijn groter en bieden plaats aan twee personen. Ze hebben een eenvoudiger vorm. De plaskrul is ontworpen op basis van de gulden snede door de Amsterdamse Dienst der Publieke Werken. Het ontwerp van de plaskrul verscheen voor het eerst in 1870, maar een vernieuwd ontwerp in de stijl van de Amsterdamse School van Joan van der Mey uit 1916 wordt nog altijd gebruikt. Op het hoogtepunt stonden er in de hoofdstad 175 plaskrullen, vandaag de dag nog slechts 37. Deze overgebleven plaskrullen zijn in 2008 opnieuw verzinkt en gerestaureerd; de plaskrullen langs de grachten worden door de Amsterdamse gemeente in stand gehouden om te voorkomen dat mensen gingen wildplassen en daarbij in de gracht zouden vallen. De gemeente voert nadien een uitsterfbeleid; als een plaskrul kapot is of wordt verwijderd vanwege weg- of kadewerkzaamheden, dan wordt het urinoir niet vervangen of opnieuw geïnstalleerd. Op dit uitsterfbeleid is echter ook kritiek ontstaan: men zou het beleid te woke, ofwel politiek correct, vinden. Naast de gebruikelijke plaskrullen kent Amsterdam ook een uniek urinoir langs de Oudezijds Voorburgwal. Dit urinoir, op de oostelijke kade, is in 1926 neergezet naar een ontwerp van Allard Remco Hulshoff die werkzaam was bij de Dienst der Publieke Werken en is gebouwd in de stijl van de Amsterdamse School. Het is sinds 2001 een rijksmonument. In de stad Leiden werden de eerste gietijzeren plaskrullen in 1880 geplaatst nadat de eerder geplaatste waterplaatsen werden vervangen. thumb|right|250px|Het urinoir in de stijl van de nieuwe zakelijkheid bij het Hoge der A in Groningen, gefotografeerd in 2011. Buiten Amsterdam en Leiden kenden veel Nederlandse steden urinoirs in allerlei verschillende stijlen en omvang. De eerste urinoirs die in Nederlandse steden en dorpen te vinden waren, waren de gietijzeren plaskrullen. Vanaf de jaren 1920 en 1930 werden nieuwere urinoirs gebouwd in modernere stijlen als de Amsterdamse School en de nieuwe zakelijkheid. Voorbeelden hiervan zijn de urinoir bij het Nederlands Openluchtmuseum te Arnhem dat oorspronkelijk in Deventer stond en bij het Hoge der A te Groningen. In deze periode werden ook urinoirs gebouwd bij bruggen en transformatorhuisjes. Na de Tweede Wereldoorlog werden in Rotterdam op sommige plaatsen gedurende de wederopbouwplannen ook urinoirs geïntegreerd in het straatbeeld. Dit gebeurde onder andere bij de Delftsevaart en bij de Meentbrug. In de jaren 1950 kwamen in veel steden nieuwe, modernistische urinoirs die waren gemaakt van geprefabriceerd beton. Een van die urinoirs is een gemeentelijk monument: de betonnen urinoir aan de Hereweg in Groningen.
In de jaren 1980 ging het economisch minder goed in Nederland. Als gevolg hiervan moesten veel steden bezuinigen. De tot dan vrij prominent aanwezige urinoirs stonden vaak bovenaan deze bezuinigingslijst. Dit had ook andere redenen: Urinoirs werden door velen als lelijk en vies gezien in het straatbeeld. Urinoirs zorgden vaak voor stankoverlast. Urinoirs werden voortdurend beklad en vernield door vandalen. Urinoirs werden in veel steden voor lange tijd gebruikt door homoseksuelen als homo-ontmoetingsplaats, vooral in Amsterdam, iets dat veel gemeenten absoluut niet op prijs stelden. Urinoirs werden lang in belangrijke mate gezien als voorziening voor mensen die op straat werkten, zoals de melkboer. Die beroepen werden na de Tweede Wereldoorlog echter steeds minder beoefend. Urinoirs boden vaak alleen uitkomst bij hoge nood voor mannen. Na de tweede feministische golf ontstond hier steeds meer verzet tegen.
Daarnaast was er jarenlang sprake van allerlei vormen van criminaliteit in en rond urinoirs, variërend van vandalisme tot mishandeling, ontucht, steekpartijen en berovingen, soms zelfs met dodelijke afloop. Gedurende de jaren 80 verdwenen om deze redenen veel urinoirs uit het straatbeeld, al overleefden sommige plaskrullen de bezuinigingsrondes nog tot in de jaren 90. Het hielp niet dat er weinig weerstand bestond tegen de verwijdering ervan, wat ervoor zorgde dat urinoirs een zeldzaamheid zouden worden in menig Nederlandse stad vanaf de jaren 90. Tegenwoordig staat er één plaskrul langs de Herengracht in Leiden, maar wijkt het af ten opzichte van de standaard plaskrul die in Amsterdam te vinden is. De toppen van de krul zijn geschilderd in de kleuren van de Nederlandse vlag, het schaamschot is gemaakt van porselein en is de achterkant van het schot is bedekt met een muurtje bakstenen.
Moderne varianten Nadat urinoirs grotendeels waren verwijderd, bleef de behoefte voor openbare toiletten bestaan. Begin jaren 80 werd een nieuw soort openbare toiletten ontworpen: zelfreinigende toiletten. Een artikel van het NRC van 17 september 1982 beschreef hoe Amsterdam, in navolging van Parijs en Londen, de primeur had om te onthullen dat de stad ook zou overgaan tot het plaatsen van zogenoemde sanisettes. Zo kregen zowel mannen als vrouwen de beschikking over een openbaar en hygiënisch openbaar toilet. Voor een bezoek aan de sanisette zouden een of twee kwartjes betaald moeten worden. Daarmee kon een deel van de kosten worden terugverdiend. De exploitatie was toevertrouwd aan de Franse fabrikant JCDecaux, die daarvoor 30.000 gulden per toiletgelegenheid in rekening bracht. Een jaar later publiceerde Het Parool op 25 augustus 1983 een artikel dat de Amsterdamse Urinoir Commissie (Urco) en de heer De Bruyn op het punt stond om het Amsterdamse college van burgemeester en wethouders voor te stellen een proef te beginnen met de sanisette. Het eerste exemplaar zou geplaatst moeten worden op het Spui. Uiteindelijk keurde de gemeenteraad de proef goed en meldde de Amigoe van 21 april 1984 dat er zeven sanisettes in de hoofdstad zouden komen. Het plaatsen van de sanisettes was een van de projecten die bekostigd zouden worden van de 49 miljoen gulden die de gemeente Amsterdam in 1985 wilde bezuinigen volgens een artikel van het Nederlands Dagblad van 24 oktober 1984. Dankzij bureaucratie zou het echter tot 1987 duren voordat de eerste sanisette in Amsterdam werd geplaatst. Dit openbaar toilet werd echter niet geplaatst op het Spui, maar op het Damrak tegenover het Beursplein. De officiële ingebruikname vond plaats op 29 oktober van dat jaar. Voor twee kwartjes kreeg iemand 15 minuten de tijd om gebruik te maken van het openbaar toilet, waarna de deur om veiligheidsredenen vanzelf weer open ging. Schuin tegenover de nieuwe sanisette onthulde de Amsterdamse wethouder Ten Have ook een gratis toegankelijk toilet van een concurrerende firma volgens een artikel van Trouw op 30 oktober van dat jaar. Dit zogenaamde stadstoilet van de Oosterhoutse firma Struik Betonindustrie en Kunststofriolering zou zichzelf redelijk weten te reinigen volgens de woordvoerder, maar niet zo grondig als de sanisette. Een groot voordeel van de Struik-wc was dat het geen draaiende borstels, stangen en bewegende kleppen bevatte en daarom een stuk veiliger was voor gebruik. Daarnaast was het stadstoilet van Struik gemaakt van licht polyester en niet van beton zoals de sanisette. Bovendien waren vervangende onderdelen voor het toilet overal te koop. Ondanks de grotendeels zeer positieve reacties op de sanisette, verdween het eerste exemplaar binnen twee jaar. Over het algemeen waren de zelfreinigende toiletten een bescheiden succes: in 1993 waren er volgens het Algemeen Dagblad 75 zelfreinigende toiletten verspreid over Nederland. De hoge kosten zorgden er echter voor dat veel gemeenten zich weerhielden om er veel te installeren. Dit terwijl de verwijdering van openbare toiletten bleef doorgaan: de gemeente Den Haag besloot in 1992 om bijna alle openbare toiletten op te ruimen.
Na enkele jaren zonder een nieuw zelfreinigend toilet, kreeg Amsterdam op 19 januari 1993 opnieuw de primeur. Na een proef uit 1991 werd er weinig prioriteit gegeven aan degelijke openbare toiletten in de stad. Ondanks de lobby van vrouwenemancipatiebewegingen, sneuvelden voorstellen voor technologisch geavanceerde toiletten voortdurend omdat er steeds andere zaken bestonden die voor de gemeente belangrijker werden geacht. De sanisette van de tweede generatie, ontworpen door M. Bruna van Publex Stadsmeubilair, was ingebouwd in een reclamezuil van aluminium en gietijzer en stond in de Hobbemastraat, vlak bij het Rijksmuseum. Met een toegangsprijs wilde de gemeente drugsdealers te weren die enkele jaren eerder de eerste sanisette op het Damrak gebruikten om illegaal verdovende middelen te verhandelen. Onduidelijk is hoe lang deze zelfreinigende toiletten hebben bestaan, maar het toilet bestaat sindsdien niet meer in de eerder genoemde straat. thumb|right|250px|Het verzinkbare urinoir met afsluitbaar vrouwengedeelte op de Dam in Amsterdam, gefotografeerd in 2018.