Dit artikel gaat over prostitutie in de Nederlandse stad Groningen.
Raamprostitutie Raamprostitutie vindt in Groningen plaats op twee locaties, beide binnen de Diepenring gelegen. Klanten komen voor hun seksuele uitjes naar Groningen, uit de Ommelanden, Friesland, Drenthe en Duitsland. Dit maakt de Groningse hoerenbuurten tot centra van regionaal sekstoerisme.
Nieuwstad De Nieuwstad in de zuidelijke binnenstad is het grootste prostitutiegebied van Groningen. Op de 300 meter van het prostitutiegedeelte van de straat bevinden zich op de begane grond 95 prostitutieramen in een vrijwel ononderbroken galerij aan beide zijden. De verdiepingen zijn bewoond of bevatten de prostitutiewerkruimtes. De straat telt verder drie cafés.
A-kwartier Sinds 1 januari 2016 vindt hier geen prostitutie meer plaats.
In het A-kwartier in de noordwestelijke binnenstad vond prostitutie plaats in één straat die twee keer van naam verandert: Vishoek – Hoekstraat – Muurstraat. Op de totale lengte van 850 meter bevonden zich 51 prostitutieramen in kleine groepjes. Het grootste deel van de straat was bewoond. De straat telt ook drie cafés, twee cafetaria’s, een danslokaal, een kapper en een seksshop.
Overlast Tijdens de inspraakperiode voor Bestemmingsplan Binnenstad 1995, 3 t/m 31 oktober 1996, maakten enkele burgers en een buurtvereniging in hun reactie melding van overlast in relatie tot raamprostitutie in A-kwartier. Buurtvereniging A-kwartier sprak over “het autoverkeer” wegens prostitutie. H. van de Water sprak over “parkeerdrukte” door prostitutiebezoek. Heren Schenk en anderen spraken over “verkeersproblematiek” en “schreeuwende hoeren en harde muziek”.Bestemmingsplan 1995 (zie literatuur) pag. 64-67
In juni 2008, in een gesprek met de gemeenteraad over overlast in woonwijken en de (niet) optredende politie, stelde Buurtvereniging A-kwartier: “Er wordt onder meer in de Visserstraat massaal foutgeparkeerd. Vooral ’s nachts gaat dat met veel lawaai. De politie doet er niets aan. Die mogen daar geloof ik van zaterdagnacht tot maandagmorgen geen bekeuringen uitdelen”.Buurten: waar is de wijkagent?, Dagblad van het Noorden, 5 juni 2008. Geraadpleegd 24 september 2010.
Geschiedenis (raam)prostitutie Groningen Zie voor geschiedenis tot 1813: Geschiedenis van de prostitutie in Nederland
1813 – 1911: gereglementeerde bordelen Vermoedelijk kent Groningen van oudsher prostituees en soms ook ‘bordelen’. Tussen 1813 en 1822 geldt in de stad, naar Frans voorbeeld, een ‘reglement op de publieke meisjes en de huizen van debaûche’ dat onder andere tot doel heeft de prostituees medisch te laten controleren. In 1861 vaardigt de gemeente, op aandringen van de landelijke overheid, opnieuw een ‘Reglement op het toezigt over de publieke vrouwen en bordeelen’ uit. De bordelen liggen in de 19e eeuw rond het Zuiderdiep.(deze subparagraaf 1800-1911, in eerste opzet:) Nieuwe Groninger Encyclopedie (zie literatuur).
1911 – 1980: willekeurig gedoogbeleid Toen in 1911 het landelijk bordeelverbod was ingevoerd verdwenen de openlijke bordelen. Wel bestonden er vervolgens raam- en straatprostitutie,Nieuwe Groninger Encyclopedie (zie literatuur) die soms ook werden getolereerd door de autoriteiten.Tijdens een proces bij de Raad van State in september 1983 merkt juridisch adviseur Stoker op dat al voor de Tweede Wereldoorlog prostitutie werd getolereerd in (onder andere) de Ganzevoortsingel en de Dwarsstraat. (Bron: Nieuwsblad van het Noorden, 26 sept. 1983.) Als de politie of het gemeentebestuur de (raam)prostitutie uit bepaalde straten verwijderd wilde zien gebruikte men, bijvoorbeeld rond 1945-'50, daarvoor het bordeelverbod in WvS artikel 250bis, hetgeen echter veel werk kostte omdat de bewijsvoering moeilijk was.Brief commissaris van politie aan burgemeester, 23 oktober 1978. Zie lit. [1968-33]. Het Groningse politiereglement bevatte tussen 1863 en 1960 geen eigen artikelen die verwezen naar prostitutie.Groninger Archieven, Toegang 1399 (Archief van de secretarie van het gemeentebestuur van Groningen, 1816-1916) nrs. 3225, 3185; en zie literatuur [1607-201].
Misschien was de omslachtigheid van het landelijke bordeelverbod WvS 250bis een van de redenen waarom Groningen in 1960 drie artikelen aan de politieverordening toevoegde. In 1960 schrijven Burgemeester en wethouders in de toelichting bij de vernieuwde Algemene Politie-verordening (APV) dat hoofdstuk VI “de nodige bepalingen ter bestrijding van de onzedelijkheid” bevat.APV 1960 (zie lit.) Drie artikelen in deze APV gaan inderdaad verder dan de landelijke prostitutiewetgeving van dat moment, en zijn vooral ook praktischer in het gebruik. Artikel 99 maakt het mogelijk om op te treden tegen tippelprostitutie; artikel 100 maakt het mogelijk raamprostitutie eenvoudig te verbieden; artikel 101 verbiedt in een perceel aan anderen gelegenheid te geven tot “ontucht”.APV 1960 (zie lit.), vastgesteld 19 sept. 1960, afgekondigd 13 okt.’60. Daarin Hoofdstuk VI (Openbare Zedelijkheid), Afdeling 1 (Bestrijding van de onzedelijkheid en het roken door kinderen). ”Artikel 99. Het is verboden op een door burgemeester en wethouders bij openbare kennisgeving aangewezen weg gedurende de uren, in die kennisgeving genoemd, zich heen en weer te bewegen of zich enige tijd achtereen op dezelfde plaats op te houden, nadat men van een ambtenaar van politie in het belang van de openbare zedelijkheid de last heeft gekregen zich van die weg te verwijderen. Artikel 100. Het is verboden zich binnenshuis of in de huisdeur bevindende op enigerlei wijze de aandacht der voorbijgangers tot zich te trekken, nadat men van een ambtenaar van politie in het belang van de openbare zedelijkheid de last heeft ontvangen dit na te laten. Artikel 101. Onverminderd het bepaalde in artikel 250bis van het Wetboek van strafrecht is het verboden in een perceel, waarover men de beschikking heeft, aan anderen gelegenheid te geven tot het plegen van ontucht.”
Ondanks al deze politievoorschriften was zowel voor als na 1960 de praktijk, dat leegkomende winkelpandjes soms door een prostituee werden gehuurd of gekocht, dat onbewoonbaar verklaarde woningen in gebruik werden genomen voor prostitutie, en dat officiële huurders van woningen soms overgingen tot prostitutie, en dat gemeente en politie hiertegen weinig optraden.Brief 18 maart 1968, chef van de Recherche aan hoofdcommissaris van de politie; en brief 15 maart 1973, brigadier van politie aan Chef Dienst Recherche Gemeentepolitie; beide in: lit. [1968-33]. In 1973 waren er zo’n 94 prostitutiepanden in de binnenstad: 32 in de Nieuwstad, 38 verspreid over tien andere straten in Binnenstad-zuid, en 24 verspreid over elf straten in A-kwartier (Binnenstad-noordwest).Brief 15 maart 1973, zie vorige noot In 1974 spraken burgemeester, hoofdcommissaris van politie en hoofdofficier van justitie met elkaar af, niet op te treden tegen de bestaande prostitutie-inrichtingen, maar dat wel “voorkomen zou worden, dat zich (…) nieuwe dergelijke inrichtingen zouden vestigen”.Brief 23 april 1976, hoofdcommissaris van politie aan burgemeester. Archiefdossier zie lit. [1968-33].
1981 – 1999: terugdringen gedoogde prostitutie Op 27 oktober 1981 nemen B en W een notitie aan betreffende ‘prostitutiebeleid binnenstad-zuid’. Daarin stellen zij: “Een op grote schaal terugdringen van het aantal raamprostitutiepanden achten wij (…) ongewenst”, en: “De stadsvernieuwingsactiviteiten in Binnenstad-Zuid vragen een snelle (…) verplaatsing (…) van [prostitutie-]bedrijven” in slooprijpe panden en in bepaalde panden direct naast of tegenover voorgenomen vervangende nieuwbouw; dit laatste omdat de daar voorgestelde “[versterkte] woonfunctie in verband met overlast niet goed verenigbaar is met raamprostitutie”. Verderop in de notitie is zonder nadere toelichting sprake van een “verplaatsings- c.q. opheffingsprogramma” voor die bedoelde prostitutiepanden.Notitie ‘Gemeentelijk prostitutiebeleid in relatie tot Binnenstad-zuid’, als bijlage bij brief 18 november 1981 van Raadscommissie voor algemene en bestuurlijke zaken aan (o.a.) de leden van de raadscommissie, in literatuur [1968-10]; ook te vinden in: lit. [1968-33].
De gemeenteraadscommissie voor Algemene en Bestuurlijke Zaken (ABZ) bespreekt op 27 januari 1982 de notitie en heeft geen moeite met het voorgestelde plan;Vergaderingen van de raadscommissie ABZ, 1982. In: zie lit. [1968-2297] de PvdA waardeert het zelfs als “mild gemeentelijk beleid”. Er zijn echter daarna geen tekenen die wijzen op enig daadwerkelijk gemeentelijk verplaatsingsprogramma van prostituees; vermoedelijk heeft de gemeente wel zo'n 20 à 24 prostitutiepanden voor weinig geld onteigend en daarna gesloopt, de betreffende prostituees aan hun lot overlatend.Nieuwsblad van het Noorden 10/8/'82 schrijft: In Folkinge-, Folkingedwarsstraat, Kleine Haddingestraat, Schoolholm en Coehoornsingel werden, mede dankzij "onderhandelingskunst" van de gemeente, twintig prostitutiepandjes voor in totaal een half miljoen gulden gekocht ter sloop. Iets later constateren B en w dat 24 prostitutiepanden in deze straten inmiddels “vrijwel geruisloos” zijn gesloten en afgebroken of dichtgetimmerd (zie 'Sectorennota' B en w, geaccordeerd 19 april 1983. In lit. [1968-33]).
Op 19 april 1983 besluiten B en W in een nieuwe nota raamprostitutie alleen nog te “gedogen” in vrij nauwkeurig aangeduide panden in Nieuwstad, Vishoek, Hoekstraat en Muurstraat, en dat alle overige raamprostitutiepanden “vóór 1 september 1983 gesloten dienen te zijn”.Sectorennota B en w, geaccordeerd 19 april 1983. In lit. [1968-33]. De raadscommissie ABZ ontvangt deze nota in juni ’83, maar lijkt hem niet ter vergadering te hebben besproken. Per 1 september 1983 begint de politie daadwerkelijk met prostituees buiten de getolereerde gebieden te bekeuren, en panden te sluiten door het sluitingsbevel op de deuren aan te plakken.Nieuwsblad van het Noorden, 3 september 1983.
De APV wordt echter niet in overeenstemming gebracht met alle gedoogbesluiten uit 1974, ’81 en ’83. Per oktober 1994 wordt, in de nieuwe APV, de strafbaarheid van ”(...) binnenshuis (…) de aandacht der voorbijgangers tot zich te trekken” (zie artikel 100 uit 1960) geschrapt, en het bordeelverbod uit het oude artikel 101 moderner geformuleerd, nu in artikel 95: het is verboden in “een inrichting (…) aan anderen de gelegenheid te geven prostitutie te plegen”.APVG 1994, vastgesteld door de Gemeenteraadsvergadering van 19 oktober 1994. Maar ook nu wordt in de APV het sinds ’83 feitelijk bestaande gedoogbeleid voor prostitutiebedrijven genegeerd; het gemeentebestuur laat de twee juridische werkelijkheden dus naast elkaar voortbestaan.
In juni 1997 besluit de gemeenteraad dat “het prostitutiebeleid erop is gericht de prostitutiefunctie zo veel mogelijk (…) uit de Muurstraat te laten verdwijnen”.Bestemmingsplan (zie lit.), pag. 69. Duidelijke argumenten daarvoor worden niet vermeld, behalve een zinspelen op verkeersoverlast.
2000: vergunningstelsel In juli 1997 dient de minister van justitie een wetsvoorstel in ter afschaffing van het algemene bordeelverbod (zie Prostitutie in Nederland 20e eeuw, afschaffing bordeelverbod). Uiteindelijk zal dat voorstel worden aangenomen en in werking treden op 1 oktober 2000. In afwachting daarvan overweegt het Groninger gemeentebestuur, of zo’n wetswijziging moet leiden tot wijzigingen in het gemeentelijke prostitutiebeleid.