Johann Christian Friedrich Hölderlin (Lauffen am Neckar, 20 maart 1770 – Tübingen, 7 juni 1843) was een Duitse lyrische dichter. Zijn werk overbrugt de klassieke en romantische scholen.

Leven Vroege jeugd Friedrich Hölderlin werd in 1770 geboren in Lauffen am Neckar in het Hertogdom Württemberg. Zijn ouders waren de kloosterbewaarder Heinrich Friedrich Hölderlin (1736-1772) en de domineesdochter Johanna Christiana Heyn (1748-1828). In 1772 werd Friedrichs zus Heinrike geboren, en in datzelfde jaar overleed zijn vader. Zijn moeder hertrouwde in 1774 met Johann Christoph Gok (1748-1779), wijnhandelaar en later burgemeester van Nürtingen, waarnaar het gezin verhuisde. In 1776 werd zoon en halfbroer Carl geboren, maar het gezinsgeluk duurde niet lang: in 1779 overleed Johann Christoph Gok. Het verdriet van dit verlies maakte diepe indruk op de jonge Hölderlin; in 1799 schreef hij in een brief aan zijn moeder: 'Toen mijn tweede vader stierf, wiens liefde zo onvergetelijk voor mij is, toen ik mij met een onbegrijpelijke pijn wees voelde, en uw dagelijkse droefheid en tranen zag, toen stelde mijn ziel zich voor het eerst op deze ernst in die mij nooit geheel verliet, en echt met de jaren enkel kon groeien'.'Da mir mein zweiter Vater starb, dessen Liebe mir so unvergesslich ist, da ich mich mit einem unbegreiflichen Schmerz als Waise fühlte, und Ihre tägliche Trauer und Thränen sah, da stimmte sich meine Seele zum erstenmal zu diesem Ernste, der mich nie ganz verlies, und freilich mit den Jahren nur wachsen konnte.' (originele spelling) Behalve dit verlies maakte de landelijke omgeving van eerst Lauffen en later Nürtingen een blijvende indruk op de jonge Hölderlin: de schoonheid van de natuur zou een telkens terugkerend thema in zijn werk worden.

Schooljaren Hölderlins moeder had voor haar zoon al vroeg een loopbaan als predikant in gedachten. Dienovereenkomstig bezocht Hölderlin na de Latijnse school de kloosterscholen in Denkendorf en Maulbronn. De overgang van de nabijheid van de natuur en de geborgenheid van de familie naar de levensomstandigheden in een kloosterschool was bijzonder hard voor Hölderlin; als 16-jarige schreef hij in een brief aan zijn vriend Immanuel Nast: '(...) ik heb vanaf mijn jongensjaren een aanzet - van mijn toenmalige hart - en die is mij nog het liefst - dat was een soort wassen zachtheid, en dat is de reden dat ik in bepaalde buien over alles kan huilen - maar juist dit deel van mijn hart wordt het ergst mishandeld zolang ik in het klooster ben'.'(...) ich habe einen Ansaz von meinen Knabenjahren - von meinem damaligen Herzen - und der ist mir noch der liebste - das war so eine wächserne Weichheit, und darinn ist der Grund, dass ich in gewissen Launen ob alles weinen kann - aber eben dieser Theil meines Herzens wurde am ärgsten mishandelt so lange ich im Kloster bin.' (originele spelling)

Al in deze tijd wist Hölderlin dat zijn hart niet uitging naar de kerk, maar naar de letteren. De strijd tussen de verplichting van de zoon jegens de wens van zijn moeder enerzijds en de ervaren noodzaak een heel andere kant op te gaan anderzijds is duidelijk voelbaar in de briefwisseling die Hölderlin tijdens zijn leven met zijn moeder had. Zonder haar te schofferen heeft hij altijd vastgehouden aan zijn oorspronkelijke verlangen.

Hölderlins jaren in Maulbronn werden verzacht door zijn genegenheid voor Louise Nast, de nicht van zijn vriend Immanuel. Louise beantwoordde zijn gevoelens van harte, en tussen de twee ontstond een liefdesverhouding die enige jaren duurde. In het voorjaar van 1789 beëindigde Hölderlin de verhouding; de manier waarop hij wilde leven kon hij onmogelijk combineren met het eerbiedwaardig onderhouden van een vrouw. Aan zijn zus schreef hij dat zijn eigenlijke wens was om 'in rust en ingetogenheid te leven - en boeken te kunnen schrijven zonder daarbij honger te lijden'.'in Ruhe und Eingezogenheit einmal zu leben - und Bücher schreiben zu können ohne dabei zu hungern.' (originele spelling) En in een brief aan zijn moeder bekende hij: 'Bij gelegenheid moet ik u zeggen dat ik sinds jaar en dag vastbesloten ben om nooit te trouwen'.'Bei Gelegenheit muss ich Ihnen sagen, dass ich seit Jar und Tagen fest im Sinne habe, nie zu freien.' (originele spelling)

Studiejaren In 1788 vertrok Hölderlin naar Tübingen om theologie te studeren aan het Tübinger Stift (het seminarium van de protestantse kerk in Württemberg). De levensomstandigheden werden er echter niet beter op; in de zomer van 1790 schreef hij aan zijn moeder: '(...) mijn lichamelijke en psychische omstandigheden zijn ontstemd in deze omgeving; u kunt concluderen dat de immer voortdurende ergernis, de beperking, de ongezonde lucht, het slechte eten, mijn lichaam wellicht eerder zijn krachten ontnemen dan in een vrijere omgeving. U kent mijn temperament, dat zich juist doordat het temperament is, simpelweg niet laat ontkennen, zo weinig als het geschikt is voor mishandelingen, voor druk en verachting. O lieve mama! Mijn vader zaliger zei zo vaak dat "zijn universiteitsjaren zijn meest aangename waren", daar zal ik eens moeten zeggen "mijn universiteitsjaren hebben mijn leven voor altijd bitter gemaakt"'.'(...) meine körperliche, und Seelenumstände sind verstimmt in dieser Lage; Sie können schliessen, dass der immer wärende Verdruss, die Einschränkung, die ungesunde Luft, die schlechte Kost, meinen Körper vieleicht früher entkräftet, als in einer freiern Lage. Sie kennen mein Temperament, das sich eben weil es Temperament ist, schlechterdings nicht verläugnen lässt, wie es so wenig für Mishandlungen, für Druk und Verachtung taugt. O liebe Mamma! mein seeliger Vater pflegte ja so oft zu sagen "seine Universitätsjahre seien seine vergnügtesten gewesen" soll ich einst sagen müssen "meine Universitätsjare verbitterten mir das Leben auf immer".' (originele spelling) Gebukt onder de druk en dwang die het leven in Tübingen met zich bracht, zette Hölderlin door. Zijn hechte vriendschap met de toekomstige filosofen Hegel en Schelling, die beiden ook aan het Tübinger Stift studeerden, was een welkome verlichting. In de herfst van 1793 kwam een einde aan de kwelling: Hölderlin verliet Tübingen met een goed eindresultaat.

Werk als huisleraar Aangezien een kerkelijke loopbaan het tegendeel was van wat Hölderlin wilde, moest hij een andere manier vinden om in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij koos voor de destijds eerbare optie om Hofmeister te worden, een inwonende huisleraar.

Zijn eerste positie als huisleraar was in Waltershausen op een zeer afgelegen landgoed, in de jaren 1794-1795. De vrouw des huizes was bevriend met Goethe en Schiller en introduceerde Hölderlin bij hen.

Begin 1796 werd Hölderlin aangenomen als huisleraar voor de oudste zoon van Jakob Gontard en diens vrouw Susette in Frankfurt. Jakob Gontard leidde samen met zijn broer en oom een succesvolle bankonderneming; de familie had een leidende positie in de stad. Jakob Gontard stelde de zaken boven alles, en liet de huiselijke aangelegenheden graag aan zijn vrouw over. Susette Gontard wordt door tijdgenoten omschreven als een verfijnde, Grieks aandoende schoonheid. Ze was als 17-jarige getrouwd en had met haar man vier kinderen toen Hölderlin aantrad, wiens taak het was om de toen 8-jarige Henry te onderwijzen. Binnen enkele weken ontwikkelde Hölderlin een diepe genegenheid en bewondering voor Susette Gontard. De genegenheid was wederzijds en gaandeweg ontstond er tussen Hölderlin en Susette een intieme, liefdevolle verstandhouding. Zij werd het model voor Diotima in Hyperion. Het eerste jaar bij de Gontards lijkt een gelukkige tijd voor Hölderlin; zijn brieven uit die periode zijn hooggestemd. Daarna werd deze stemming in toenemende mate gedrukter; Hölderlin had grote moeite met het milieu van de grootsteedse welgestelde burgers: 'Hier (...) zie je, enkele echte mensen uitgezonderd, louter monsterlijke karikaturen. Bij de meesten werkt hun rijkdom zoals bij boeren nieuwe wijn, want precies zo kinderachtig, bedrieglijk, grof en trots zijn ze', schreef hij zijn zus in het voorjaar van 1798.'Hier (...) siehst Du, wenig ächte Menschen ausgenommen, lauter ungeheure Karikaturen. Bei den meisten wirkt ihr Reichtum, wie bei Bauern neuer Wein; denn gerad so läppisch, schwindlich, grob und übermüthig sind sie' (originele spelling) Men keek neer op Hölderlins positie en had weinig achting voor de hogere vorming van de mens die Hölderlin nastreefde. Bovendien voelde hij duidelijk hoe zijn verhouding tot Susette de onderlinge verhoudingen in het gezin negatief beïnvloedde.

De groeiende spanning die Hölderlin in stilte duldde, werd uiteindelijk ondraaglijk. In september 1798 verliet hij na een heftige woordenwisseling met Jakob Gontard het huis. Hij zocht zijn toevlucht in het nabijgelegen Homburg, waar hij onderdak vond bij zijn vriend Isaak von Sinclair. In Homburg probeerde Hölderlin weer op krachten te komen en een nieuwe weg in te slaan, maar zonder succes. Pogingen om een literair tijdschrift te beginnen, mislukten. Ook het plan om in Stuttgart privécolleges te houden voor jonge studenten vond geen doorgang. Verzoeken aan Schiller om hulp bleven onbeantwoord. Ondertussen bleven Hölderlin en Susette elkaar in het geheim zien, maar meer dan een kort en vluchtig weerzien konden deze ontmoetingen niet zijn. Uiteindelijk besloten beiden dat het beter was om voorgoed afscheid te nemen. In mei 1800 zagen ze elkaar voor het laatst. Susette Gontard zou twee jaar later op 32-jarige leeftijd overlijden aan de rodehond. Enkele van haar brieven aan Hölderlin zijn bewaard gebleven; deze geven het beeld van een intelligente en sensitieve vrouw wier beste krachten in haar omgeving geheel niet werden aangesproken. De toon van haar brieven is dapper, toegewijd en tegelijkertijd nuchter. Ze stimuleerde Hölderlin zijn roeping serieus te nemen en niet aan haar te blijven hangen.

Waanzin Lichamelijk en geestelijk verzwakt pakte Hölderlin zo goed als het ging zijn leven weer op. In februari 1801 aanvaardde hij een positie als huisleraar in het Zwitserse Hauptwil, maar erg lang hield hij het niet uit. Begin 1802 reisde hij naar Bordeaux om daar als huisleraar aan de slag te gaan. Wat daar vervolgens is gebeurd, is onduidelijk, maar feit is dat Hölderlin na enkele maanden in verwarde en verwaarloosde toestand in zijn vaderland verscheen. Zijn vrienden herkenden hem nauwelijks. Hoewel Hölderlin last had van woede-uitbarstingen leek er na enige tijd een algehele verbetering op te treden in zijn toestand. Zijn vriend Isaak von Sinclair nodigde hem uit om bij hem in Homburg te komen wonen, waar hij voor Hölderlin een positie als hofbibliothecaris regelde. In 1806 was zijn geestelijke toestand echter zo verslechterd, dat men hem naar een psychiatrische instelling in Tübingen bracht.

In de kliniek in Tübingen volgde een behandeling die bijna een jaar duurde, maar die geen effect had. In 1807 werd Hölderlin als ongeneeslijk uit de kliniek ontslagen; men gaf hem hooguit nog enkele jaren te leven. Hij werd opgenomen in het huis van Ernst Zimmer en zijn familie. Zimmer was een geletterde timmerman uit Tübingen die Hyperion had gelezen en zich graag over Hölderlin ontfermde. Hölderlin kreeg een kamer met een torenuitbouw die uitzag op de Neckar. Daar werd hij door Zimmer en diens familie 36 jaar lang verzorgd tot zijn dood in 1843.In het gebouw met de zogeheten 'Hölderlinturm' is vandaag de dag het Hölderlinmuseum gevestigd.