John Ronald Reuel Tolkien (Bloemfontein, Oranje Vrijstaat, 3 januari 1892 – Bournemouth, Verenigd Koninkrijk, 2 september 1973) was een Engelse filoloog, dichter en hoogleraar in de Engelse taal- en letterkunde. Hij werd vooral bekend als de schrijver van De Hobbit, In de ban van de ring en De Silmarillion, waarmee hij de vader van de moderne fantasy-literatuur werd.Humphrey Carpenter, Tolkien; The Authorised Biography, bladzijde 111, 200
Tolkien was van 1925 tot 1945 hoogleraar Angelsaksische taal aan de Universiteit van Oxford en van 1945 tot 1959 hoogleraar Engelse taal en literatuur aan het Merton College, eveneens onderdeel van de Universiteit van Oxford. Hij was een goede vriend van C.S. Lewis, een medelid van de informele literaire discussiegroep The Inklings. Op 28 maart 1972 werd Tolkien door koningin Elizabeth II benoemd tot commandeur in de Orde van het Britse Rijk.
Na Tolkiens dood publiceerde zijn zoon Christopher diverse werken van zijn vader en ook diens aantekeningen en onvoltooide verhalen. Zo verscheen in 1977 De Silmarillion, waaraan Tolkien het grootste deel van zijn leven had gewerkt. Samen met De Hobbit en In de ban van de ring vormt het een geheel van verhalen, gedichten, fictieve geschiedenissen, verzonnen talen en literaire essays over de wereld Arda en het continent Midden-aarde. Tussen 1951 en 1955 gebruikte Tolkien de term legendarium om er het merendeel van zijn werken mee aan te duiden.
Hoewel vele auteurs fantasy hadden gepubliceerd voor Tolkien, leidde het succes van De Hobbit en In de ban van de ring tot een opleving van het genre. Dit zorgde ervoor dat Tolkien de 'vader' van de moderne fantasyliteratuur werd – of, meer concreet, van het subgenre high fantasy. In 2008 plaatste The Times hem op de zesde plaats van De 50 grootste Britse schrijvers sinds 1945 en in 2009 stond hij op de vijfde plaats van best verdienende overledenen. In 2012 bleek uit de archieven van de Nobelprijs, dat Tolkien in 1961 was afgewezen voor de Nobelprijs voor Literatuur onder meer vanwege zijn "middelmatige vertelkunst" en "magere proza" (poor prose).Guardian 5 januari 2012 Het proza van Tolkien, die genomineerd was door zijn vriend en collega-auteur van fantasyvertellingen C.S. Lewis – "kan zich op geen enkele manier meten met vertelkunst van het hoogste niveau ("has not in any way measured up to storytelling of the highest quality"). Gearchiveerd op 1 februari 2013.
Levensloop Afkomst miniatuur|Grafmonument in Bunhill Fields voor William Shrubsole en Tolkiens grootouders. Tolkiens voorouders van vaderskant waren voornamelijk ambachtslieden, die klokken, horloges en piano's maakten en verkochten in Londen en Birmingham. De familie Tolkien emigreerde in de 18e eeuw uit het Duitse Koninkrijk Saksen naar het Verenigd Koninkrijk en was al snel een 'echte' Engelse familie geworden. De meer prozaïsche leden van de familie zeiden dat de Tolkiens in 1756 in Engeland arriveerden, gevlucht voor de invasie van het keurvorstendom Saksen door Frederik de Grote tijdens de Zevenjarige Oorlog. De naam Tolkien is een Engelse verbastering van Tollkiehn, van het Duitse tollkühn, wat 'roekeloos' of 'overmoedig' betekent. Veel andere families met de achternaam Tolkien of een variant daarop wonen in het noordwesten van Duitsland, voornamelijk in Nedersaksen en Hamburg. Een Duitse schrijver denkt dat de naam Tolkien afgeleid is van Tolkynen, de Oudpruisische naam van het dorp Tołkiny, nabij Kętrzyn in het noordoosten van Polen (destijds Oost-Pruisen), hoewel het redelijk ver verwijderd is van Nedersaksen.
Tolkiens grootouders van moederskant, John en Edith Jane Suffield, waren baptisten, die in Birmingham woonden. Zij hadden er een winkel. De familie Suffield had sinds het begin van de negentiende eeuw verschillende bedrijven, die geleid werden vanuit hetzelfde gebouw, Lamb House. Sinds 1810 had Tolkiens betovergrootvader William Suffield er een boekenwinkel. Tolkiens overgrootvader, ook John Suffield, had er sinds 1826 een kledingwinkel.
Jeugdjaren miniatuur|Kerstkaart uit 1892 met een ingekleurde foto van de familie Tolkien in Bloemfontein, verstuurd aan familie in Birmingham. John Ronald Reuel Tolkien werd op 3 januari 1892 geboren in Bloemfontein in de toenmalige Oranje Vrijstaat (wat nu de Zuid-Afrikaanse provincie Vrijstaat is). Hij was de zoon van Arthur Reuel Tolkien (1857–1896), een Engelse bankdirecteur en zijn vrouw Mabel Suffield (1870–1904). Toen Arthur werd bevorderd tot hoofd van een Britse bank in Bloemfontein vertrok het paar vanuit Engeland naar Zuid-Afrika. Tolkien had een jongere broer, Hilary Arthur Reuel Tolkien, die werd geboren op 17 februari 1894.
Als kind werd Tolkien in de tuin gebeten door een grote Afrikaanse baviaanspin. Deze gebeurtenis zou later terugkeren in zijn verhalen, alhoewel Tolkien er naar eigen zeggen geen concrete herinnering aan had, en evenmin een speciale haat tegen spinnen had ontwikkeld. Toen hij drie jaar oud was, ging Tolkien met zijn moeder en zijn broertje naar Engeland voor een langdurig familiebezoek. Zijn vader stierf echter in Zuid-Afrika aan acute reuma, voordat hij ook naar Engeland kon komen. Hierdoor zat het gezin zonder inkomen, dus trok het in bij de grootouders in Birmingham. Korte tijd later, in 1896, verhuisde de familie naar Sarehole (nu in Hall Green), dat toen nog een dorp in Worcestershire was. Tolkien ging graag op onderzoek uit in de molen in Sarehole en ook in Moseley Bog (een natuurreservaat), de Clent Hills en Malvern Hills. Deze plaatsen vormden later een bron van inspiratie voor zijn boeken, zoals dat ook het geval was met de dorpjes in Worcestershire, zoals Bromsgrove, Alcester en Alverchurch. Dat gold ook voor zijn tantes boerderij Bag End, een naam die zou terugkeren in Tolkiens verhalen.
Mabel onderwees haar twee zonen zelf. Ronald, zoals hij werd genoemd, was een slimme leerling. Zijn moeder leerde hem veel over plantkunde en bracht hem de voorliefde voor planten bij. De jonge Tolkien tekende graag landschappen en bomen, maar het liefst leerde hij talen. Zijn moeder bracht hem de beginselen van het Latijn bij. Hij kon al lezen toen hij vier was en niet veel later kon hij ook goed schrijven. Zijn moeder liet hem veel lezen. Hij had een hekel aan Treasure Island en The Pied Piper (De rattenvanger van Hamelen) en vond Alice in Wonderland van Lewis Carroll grappig maar verwarrend. Hij hield meer van verhalen over indianen en de fantasyverhalen van George MacDonald. Daarnaast waren de Fairy Books van Andrew Lang bijzonder belangrijk voor hem en zijn latere werk.
Tolkien ging naar de King Edward's School in Birmingham, waar hij werd opgesteld in de erehaag van de parade ter gelegenheid van de kroning van koning George V. Hij stond vlak bij de poort van Buckingham Palace. Later ging hij naar de St. Philip's School.
Mabel Tolkien bekeerde zich in 1900 tot het katholicisme, ondanks felle protesten van haar doopsgezinde familie, die vervolgens hun financiële steun aan haar stopzette. In 1904, toen Tolkien 12 jaar was, overleed ze aan de gevolgen van diabetes type 1, in Fern Cottage in Rednal bij Birmingham, waar ze toen woonden. Mabel Tolkien was toen ongeveer 34 jaar oud, ongeveer zo oud als iemand destijds met dat type diabetes zonder behandeling kon worden – insuline zou pas twee decennia later worden ontdekt. Ze ligt begraven op het kerkhof van de katholieke St. Peter's Church in Bromsgrove (Worcestershire). Tolkien zou de rest van zijn leven zijn moeder als een martelaar van haar geloof beschouwen.
Vlak voor haar dood had Mabel Tolkien de voogdij over haar zonen toegewezen aan E.H. Francis Xavier Morgan van het oratorium van Birmingham, die hen moest opvoeden als goede katholieken. Hij woonde daar in de schaduw van de Perrott's Folly en de victoriaanse toren van Edgbaston Waterworks, wat wellicht het beeld heeft beïnvloed van de donkere torens in zijn werk. Ook de romantische middeleeuwse schilderingen van Edward Burne-Jones en de prerafaëlieten hebben een sterke invloed gehad op zijn werk.
Tolkien, Esperanto en Europa Als jonge man leerde hij Esperanto nadat hij met deze taal had kennis gemaakt via de Officers' Training Corps en de Scoutsbeweging van Lord Baden-Powell. In 1909, op de leeftijd van 17 jaar, maakte hij al aantekeningen in het Esperanto ('Het Boek van de Foxrook'). Tolkien kwam vooral in contact met het Esperanto in de periode 1907–1909 en 1930–1933.
In 1932 schreef hij dat hij de grammatica en de structuur van het Esperanto had geleerd en dat hij 'een redelijk aantal' ('a fair amount') teksten in deze taal had gelezen. Uit teruggevonden notities uit 1909 blijkt dat hij toen in ieder geval in het Esperanto kon schrijven.(Engels) A Philologist on Esperanto, 9 sept. 2014, geconsulteerd op 31 januari 2017. Gearchiveerd op 28 maart 2023.(Engels) A chance find - A Philologist on Esperanto, geconsulteerd op 31 januari 2017.
Tijdens een conferentie zei hij bij de inleiding van zijn speech "A Secret Vice '(1931) – over zijn voorliefde voor taalcreatie – dat hij persoonlijk gelooft in een 'kunstmatige taal' in ieder geval voor Europa, waarmee hij doelde op "de wenselijkheid van zo'n taal 'vóór vele andere goede doelen' om Europa te verenigen, alvorens het door een niet-Europa wordt opgeslokt. J. R. R. Tolkien A secret Vice. Voordracht, geconsulteerd op 31 januari 2017.
Latere jeugd In 1911, toen hij studeerde aan de King Edward's School in Birmingham, richtte Tolkien samen met drie vrienden, Rob Gilson, Geoffrey Smith en Christopher Wiseman, een geheim genootschap op, dat ze T.C.B.S. noemden. Deze initialen betekenen Tea Club and Barrovian Society en waren een zinspeling op hun voorliefde voor drinken van thee in de Barrow's Stores, vlak bij hun school en ook stiekem in de bibliotheek van de school. Na school hielden de leden contact en in december 1914 hielden ze een vergadering in Londen bij Wiseman thuis, die Tolkien tot het schrijven van poëzie bracht.
In de zomer van 1911 ging Tolkien op vakantie naar Zwitserland, wat hij zich nog levendig kan herinneren in een brief uit 1968. Hij maakt daarin gewag van Bilbo's reizen door de Nevelbergen (waaronder de glijpartij over de gladde stenen in het bos) en dit is rechtstreeks afgeleid van zijn eigen avontuur toen hun gezelschap van Interlaken naar Lauterbrunnen wandelde en uiteindelijk kampeerde in de morenen bij Mürren.Toerisme na de lockdown: Lauterbrunnen. Gearchiveerd op 14 augustus 2022. Zevenenvijftig jaar later kon Tolkien zich nog herinneren dat hij met pijn in het hart afscheid nam van het uitzicht op de eeuwige sneeuw van de Jungfrau en de Silberhorn. Ze trokken verder langs de Kleine Scheidegg naar Grindelwald en langs de Grote Scheidegg naar Meiringen. Ze vervolgden hun reis naar de Grimselpas en door de Valais naar Brig. Van daaruit gingen ze naar de Aletschgletsjer en Zermatt.
In oktober van datzelfde jaar ging Tolkien studeren aan het Exeter College van de Universiteit van Oxford. Aanvankelijk studeerde hij er klassieke talen, maar ging later Engels studeren. Hij studeerde af in 1915.
Verloving en huwelijk Op zestienjarige leeftijd leerde Tolkien Edith Mary Bratt kennen, die drie jaar ouder was. J.R.R. en Hilary Tolkien woonden toen in hetzelfde kosthuis. Humphrey Carpenter schrijft hierover, dat Edith en Ronald geregeld naar tearooms in Birmingham gingen, liefst naar een tearoom met een balkon met uitzicht op straat. Ze zaten daar suikerklontjes in de hoeden van voorbijgangers te gooien en als het suikerpotje leeg was gingen ze naar het volgende tafeltje. Er moest wel iets moois opbloeien tussen twee zo gelijkgestemde mensen. Ze waren allebei wees en hadden beiden behoefte aan genegenheid en die konden ze elkaar ook schenken. In de zomer van 1909 wisten ze dat ze verliefd waren.Humphrey Carpenter, Tolkien; The Authorised Biography, bladzijde 44