Friedrich Heinrich Alexander Freiherr von Humboldt (Berlijn, 14 september 1769 – aldaar, 6 mei 1859) was een Pruisische natuurvorser en ontdekkingsreiziger. Humboldt deed onderzoek in Midden- en Zuid-Amerika en gaf een uitvoerige beschrijving van het fysische heelal. Hij was de jongere broer van Wilhelm von Humboldt. Volgens de Britse natuuronderzoeker Charles Darwin (1809-1882) was Humboldt de belangrijkste wetenschappelijke reiziger aller tijden.

Levensloop Jeugd Alexander von Humboldt was de zoon van de Pruisische officier Alexander George von Humboldt, die wegens zijn verdienste in de Zevenjarige Oorlog tot kamerheer van de Pruisische kroonprinses Elisabeth Christine Ulrike van Brunswijk-Wolfenbüttel was benoemd. Zijn moeder was Marie-Elisabeth von Humboldt-Colomb, afkomstig uit een rijke hugenotenfamilie en weduwe van baron Von Hollwede. Het paar trouwde in 1766 en had twee zonen, Alexander en zijn twee jaar oudere broer Wilhelm von Humboldt. Beiden zijn bekende geleerden geworden. De vader had vanwege zijn dienst als kamerheer aan het Pruisische hof zulke goede contacten met de koninklijke familie dat de kroonprins, de latere koning Frederik Willem II, als peetoom optrad bij Alexanders doop. Nog in hetzelfde jaar (1769) werd het huwelijk van de kroonprins door een scheiding beëindigd en de voormalige kroonprinses gevangengezet, zodat vader Humboldt als kamerheer zonder functie zat. Hij trok zich daarop met zijn gezin terug op zijn landgoed bij Slot Tegel, niet ver van Berlijn.

De grootste wens van vader en moeder Humboldt was hun zonen de best mogelijke opvoeding te geven, waarvoor ze de beste privéleraren inhuurden. De voorkeur ging daarbij uit naar pedagogen die bekend waren met de Verlichting. Zo was de door Rousseau geïnspireerde pedagoog Joachim Heinrich Campe tussen 1769 en 1773 en in 1775 huisleraar op het slot. Vanaf 1777 was Gottlob Johann Christian Kunth de privéleraar van de jongens. Kunth won snel het vertrouwen van vader Humboldt, en na diens plotselinge dood in 1779 bleef Kunth het vertrouwen van de weduwe Humboldt genieten.

Moeder Humboldt stak het grootste deel van haar geld, dat vooral afkomstig was uit de erfenis van haar eerste man, in de opleiding van haar zoons, met als doel ze klaar te stomen voor hoge functies in het Pruisische staatsapparaat. Zo kregen de broers uitmuntend onderwijs in zowel klassieke als moderne talen, en werden ze onder Kunths leiding door een groot aantal specialisten op universitair niveau onderricht in natuurkunde, geografie, economie, filosofie en rechten. Onder de leraren bevonden zich de jurist Wilhelm von Dohm en de sterk door Kant beïnvloede arts-filosoof Marcus Herz. Via Herz waren de broers lid van de salon van diens vrouw, de schrijfster Henriette Herz. Op die manier kwamen ze in aanraking met de door Moses Mendelssohn gestichte Berlijnse Verlichting.

De leraren zagen Alexander als de minder begaafde van de twee broers, omdat hij moeite had met het opnemen van de stof. Desondanks spoorden ze hem aan dezelfde, voor die tijd karakteristieke abstracte stof te leren als zijn twee jaar oudere broer Wilhelm. Aan de andere kant ontwikkelde Alexander al op zeer jonge leeftijd een interesse voor de natuur in zijn directe omgeving. Hij verzamelde insecten, stenen en planten en werd daarom door zijn leraren wel "kleine Apotheker" genoemd. Deze interesse ontwikkelde hij echter buiten de doelen van zijn leraren om. Ook ontwikkelde hij een teken- en schildertalent, dat door zijn moeder verder werd gestimuleerd door het aanstellen van de illustrator Daniel Chodowiecki als zijn privéleraar. Van Chodowiecki leerde Alexander schilderen en graveren. In 1786 werden enkele van Alexanders tekeningen tentoongesteld op een expositie aan de Berliner Akademie.

Met het oog op toekomstige carrières in staatsdienst stuurde moeder Humboldt haar zoons in 1787 naar Frankfurt an der Oder, waar ze aan de universiteit Viadrina gingen studeren. Wilhelm begon een opleiding in rechten, terwijl Alexander kameralistiek studeerde, een vorm van staatsinrichting, met als bijvakken geschiedenis, medicijnen, natuurkunde en wiskunde. In februari 1788 sloot Alexander met de theologiestudent Wilhelm Gabriel Wegener een "eeuwige vriendschapsbond". Sommige biografen hebben gesuggereerd dat Humboldt homoseksueel zou zijn. Als mogelijke liefdesverhoudingen van Humboldt zijn genoemd: Israel Stieglitz, Johann Carl Freiesleben, de officier Reinhard von Haeften en in Parijs de chemicus Louis Gay-Lussac, waarmee Alexander vier jaar lang een woning deelde, en Carl von Steuben.Hergemöller (2001) Alexander von Humboldt bleef vrijgezel tot zijn dood.

De studie aan de universiteit in Frankfurt had beide broers echter duidelijk geen nieuwe kennis te bieden. Daarom schreven ze zich na één semester alweer uit. Alexander was vooral bezig zijn kennis over plantkunde op te vijzelen. Het volgende jaar, in april 1789, schreef hij zich in navolging van zijn oudere broer in aan de universiteit van Göttingen, het belangrijkste centrum van de verlichting in die tijd. Hier volgde hij colleges van onder anderen de archeoloog Christian Gottlob Heyne, de anatoom en natuurvorser Johann Friedrich Blumenbach en de wis- en natuurkundige Georg Christoph Lichtenberg. Vooral Blumenbach had grote invloed op de jonge Humboldt, met name zijn idee dat wetenschappelijke ontdekkingsreizen een belangrijke bron van kennis voor de antropologie en biologie zijn. Van al zijn leraren leek Alexander von Humboldt echter het meest gesteld op de schrijver en natuurvorser Georg Forster, aan wie hij een stroom wetenschappelijke vragen stelde, met name over geologische onderwerpen. Humboldt publiceerde in februari 1790 zijn eerste grotere wetenschappelijke verhandeling (Mineralogische Beobachtungen über einige Basalte am Rhein) over stollingsgesteente. Daarop, van maart tot juli 1790, ondernamen Forster en de jonge Humboldt een gezamenlijke wetenschappelijke onderzoeksreis door Nederrijn, Nederland, Engeland en het noorden van Frankrijk. Frankrijk was op dat moment in de ban van de revolutie, die op beide geleerden een diepe indruk maakte. Forster zou een belangrijke rol gaan spelen in de voortgang van de revolutie, met name in de Republiek Mainz. Humboldt werd aanhanger van de idealen van de Franse Revolutie en de mensenrechten. Vanaf dat moment besloot hij zich voor te bereiden op een carrière als wetenschappelijk onderzoeksreiziger. De rest van het jaar bracht hij door in Hamburg, waar hij onder Johann Georg Büsch handelswetenschappen en volkerenkunde studeerde.

In staatsdienst Humboldts volgende stap was in dienst te treden bij het Pruisische mijnwezen. In mei 1791 werd hij aangesteld onder Oberberghauptmann Friedrich Anton von Heynitz. Op die manier liet hij zijn moeders wens in vervulling gaan om een carrière in staatsdienst te beginnen, maar tegelijkertijd maakte hij van zijn positie bij het mijnwezen gebruik om aan de Bergakademie Freiberg colleges van de geoloog Abraham Gottlob Werner te volgen. Duidelijk is dat hij staatsdienst slechts als verdere voorbereiding zag op een carrière als wetenschappelijk onderzoeksreiziger. Als opzichter in de mijnen begon zijn dag om zes uur 's morgens, op welk tijdstip hij met de mijnwerkers in de groeve moest zijn. Na zijn werk in de mijnen, in de namiddag, bezocht hij colleges aan de Bergakademie. In de tussentijd bestudeerde hij ook nog de plantenwereld in de omgeving van Freiberg (hierover zou hij later een belangrijk werk publiceren - Florae Fribergensis Specimen) en de verbranding van stoffen, een op dat moment actueel probleem in de scheikunde. Het curriculum van de studenten aan de Bergakademie duurde normaal drie jaar, maar Humboldt had het in acht maanden afgerond. Ook in zijn functie als opzichter bleek hij uitmuntend te presteren. In 1792 werd hem opgedragen de mijnbouwkundige methoden in Bayreuth te bestuderen. Onderweg inspecteerde hij de mijnen van Kamsdorf-Könitz en Schmiedefeld. In de laatste mijnen wist hij de winningsmethode van aluin revolutionair te verbeteren. Vanwege zijn verdiensten werd hij al na een half jaar bevorderd tot Oberbergmeister, met de opdracht de mijnen in het Fichtelgebirge en Frankenwald te saneren. In korte tijd lukte het hem ook hier de opbrengst van de mijnen te verveelvoudigen. Daarbij deed hij niets ten nadele van de mijnwerkers. Integendeel: hij vond op grond van scheikundige analyse van de lucht in de mijnschachten een voorloper van het gasmasker uit, dat de veiligheid van de mijnwerkers ten goede kwam. Tussen 1792 en 1795 woonde Humboldt achtereenvolgens in Steben, Arzberg en Goldkronach. Uit eigen middelen richtte hij, zonder zijn meerderen te raadplegen, een mijnwerkersschool op in Steben, voor leerlingen in alle leeftijden tussen 12 en 30 jaar. De school kan gezien worden als de eerste beroepsschool in Duitsland. De school gaf onder andere onderricht in mineralogie, mijnbouwtechnische rekenkunde, mijnbouwrechten, machinekunde en omgang met het kompas. Humboldt schreef zelf de leerboeken die in de school gebruikt werden. Hij verbeterde ook het ontwerp van de mijnwerkerslamp. Bij een test van de lamp in een mijnschacht kwam hij echter in aanraking met giftige gassen, waardoor hij buiten bewustzijn raakte. Het licht van de lamp hielp de reddingswerkers vervolgens hem op tijd te vinden.

Tegelijkertijd leidde zijn wetenschappelijke interesse hem ertoe in zijn vrije tijd experimenten uit te voeren. Na gelezen te hebben over de gevoeligheid van spieren voor elektriciteit (zogenaamd galvanisme, destijds net ontdekt door Luigi Galvani), bracht Humboldt zichzelf wonden toe op de rug, om deze in aanraking met verschillende metalen te brengen, zoals zink of zilver. Hij filosofeerde over een achterliggende "levenskracht" die verantwoordelijk was en wellicht gemeten kon worden. Voor zijn experimenten, tekeningen en correspondentie werkte hij vaak 's nachts door. Hij sliep zelden langer dan vier uur.

miniatuur|300px|Vier belangrijke personen uit de Weimarklassiek: Schiller, Wilhelm en Alexander von Humboldt en Goethe in Jena(ca. 1797)

In 1794 werd Humboldt toegelaten tot het elitaire gezelschap van kunstenaars, schrijvers en denkers dat bekend werd onder de naam weimarklassiek. Hij schreef het jaar daarop een filosofische allegorie op de "levenskracht" die hij met zijn experimenten probeerde te onderzoeken in Friedrich Schillers tijdschrift Die Horen.

Humboldts opmerkelijke werklust en gaven bleven niet onopgemerkt. Politici als Freiherr vom Stein en Freiherr Hardenberg, die later een belangrijke rol bij de Pruisische staatshervorming zouden spelen, probeerden hem voor hun doelen in te zetten. Hetzelfde gold voor Humboldts directe meerdere, Von Heynitz, die hem in 1794 tot Bergrat en in 1795 tot Oberbergrat promoveerde, de hoogst mogelijke functie buiten het ministerie. Ondanks de gunsten en promoties die zijn beschermheren hem boden, zag Humboldt zijn werk voor het mijnwezen echter van het begin af aan slechts als voorbereiding op zijn eigenlijke roeping. Toen zijn moeder in 1796 stierf ontsloeg dat Humboldt van de morele plicht carrière in staatsdienst te maken. Ook had hij opeens de beschikking over aanzienlijke financiële middelen uit de erfenis. Hij trad onmiddellijk uit het mijnwezen, om als onafhankelijk natuurvorser verder te gaan. Als doel stelde hij het samenbrengen van de fysisch geografische kennis van zijn tijd, die hij door middel van ontdekkingsreizen zelf wilde uitbreiden. Eind 1796 had hij al een duidelijk plan vastgesteld. Daarin gaf hij zichzelf enige tijd om zich voor te bereiden op zijn grote onderzoeksreis, met name het ontwikkelen van zijn instrumenten en een jaar in Italië om zich met vulkanen bekend te maken. Het plan voorzag daarna in een verblijf in Engeland, waarvandaan hij per schip naar West-Indië wilde verder reizen.