Willem Frederik Hermans (Amsterdam, 1 september 1921 – Utrecht, 27 april 1995) was een Nederlands schrijver van vooral romans, novellen en beschouwend proza. Hij was ook fysisch geograaf, fotograaf, polemist en dichter. Typerend voor Hermans' werk zijn de hechte literaire constructie en de samenhang tussen vertelwijze, intrige en thematiek, die in essentie kennistheoretische opvattingen behelst. De bekendste van zijn dertien romans zijn De donkere kamer van Damokles en Nooit meer slapen. Meer dan de romans lopen de verhalen uit zijn zes novellebundels uiteen van fantastische of surrealistische tot vrijwel strikt autobiografische vertellingen; beide prozavormen bevatten soms ook satirische elementen. Eveneens was hij een fel en humoristisch polemist, met Mandarijnen op zwavelzuur als sprekendste titel. Hermans, behalve schrijver ook doctor in de wis- en natuurkunde (fysische geografie), weigerde de P.C. Hooft-prijs 1971. Hij werd in 1977 bekroond met de Prijs der Nederlandse Letteren. Hermans wordt met Gerard Reve en Harry Mulisch gerekend tot de Grote Drie, de drie belangrijkste naoorlogse Nederlandse auteurs.

In de jaren dertig werkte Hermans mee aan de schoolkrant van het Amsterdamse Barlaeus-gymnasium, waarvan hij ook even hoofdredacteur was. Tijdens de bezetting vulde hij het eerste van vier aanmeldingsformulieren voor de Nederlandsche Kultuurkamer in, maar het is onduidelijk of hij de inschrijving voltooide; in 1943 weigerde hij de loyaliteitsverklaring te tekenen en moest daarom zijn studie fysische geografie staken. In november 1950 studeerde hij alsnog af.

In de bezettingsjaren schreef hij poëzie en – veelal surrealistische – korte verhalen en romans. De oorlogsperiode zelf vormt de achtergrond van drie bekende werken: de roman De tranen der acacia's uit 1949, de novelle Het behouden huis uit 1952 en De donkere kamer van Damokles uit 1958. Deze laatste titel werd door vele critici als een meesterwerk ontvangen en leverde hem nationale erkenning op. De drie novellebundels Moedwil en misverstand uit 1948, Paranoia uit 1953 en Een landingspoging op Newfoundland en andere verhalen uit 1957 vestigden Hermans' reputatie als belangrijk schrijver van kort proza. De voorpublicatie van de roman Ik heb altijd gelijk in 1951 bracht Hermans in opspraak: een proces over belediging van het katholieke volksdeel eindigde in 1952 met vrijspraak.

Na zijn doorbraak concentreerde Hermans zich meer op zijn wetenschappelijke werk en schreef onder meer het boek Erosie in 1960. Het bijwonen van twee wetenschappelijke bijeenkomsten, in 1960 en 1961 gehouden in Noord-Scandinavië, vond een literaire neerslag in Nooit meer slapen uit 1966, dat als een van zijn beste werken wordt beschouwd. Als polemist paarde hij een scherpe argumentatie aan sarcasme en een groot gevoel voor humor; de populariteit van de polemiekenverzameling Mandarijnen op zwavelzuur uit 1964 overleefde de kwesties die erin aan de kaak werden gesteld. Enkele essays uit deze jaren getuigden van Hermans' interesse voor de filosoof Ludwig Wittgenstein. In de Weinreb-affaire(s) (1969–1976) waarin hij zich vastbeet ontmaskerde Hermans de naamgever als een collaborateur wiens rehabilitatie voorkomen diende te worden; het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie beslechtte de kwestie met een voor Weinreb vernietigend rapport. Hermans publiceerde in 1971 nog een laatste oorlogsroman, Herinneringen van een engelbewaarder.

Hermans' functioneren aan de Rijksuniversiteit Groningen werd onderwerp van een onderzoek, dat hem vrijpleitte van plichtsverzuim; toch liet hij zich in 1973 afkeurenhttps://www.rtvnoord.nl/nieuws/148742/rug-zorgde-voor-uitkering-van-wf-hermans waarna hij zich vestigde te Parijs. In de loop van de jaren zeventig, toen onder meer de satirische roman Onder professoren verscheen, nam de kritische waardering af. Verwijten betroffen herhaling, gemakzucht en het vallen voor de verleiding op een makkelijke manier veel geld te verdienen. Ook de weinig genuanceerde standpunten uit Hermans' dagbladstukken konden niet op algemene waardering rekenen, culminerend in de ophef rond zijn officieel bezoek aan Zuid-Afrika in 1983, waarmee hij de culturele boycot tegen het apartheidsregime negeerde. Later nam de waardering weer toe: de roman Een heilige van de horlogerie werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs 1988. Au pair uit 1989 is Hermans' laatste omvangrijke roman en zijn enige die in Parijs speelt. In 1991 vestigde Hermans zich in Brussel. Zijn Boekenweekgeschenk van 1993, In de mist van het schimmenrijk, is gebaseerd op een nooit gepubliceerd manuscript uit – en over – de oorlog.

Ten tijde van zijn overlijden in 1995 legde Hermans de laatste hand aan de korte roman Ruisend gruis, die aansluit bij het surrealisme van zijn vroege verhalen.

Levensloop 1921–1940: Jeugd Willem Frederik Hermans werd op donderdag 1 september 1921 geboren in de Nederlands Hervormde Diakonesseninrichting aan de Overtoom in Amsterdam.Hans van Straten, Hermans. zijn tijd . zijn werk . zijn leven. Soesterberg: Uitgeverij Aspekt bv, 1999, , p. 12Bob Polak, De stad is in verval. Een literaire wandeling door het Amsterdam van Willem Frederik Hermans, Uitgeverij Bas Lubberhuizen, Z.pl. 2003, p. 63.Willem Otterspeer, De mislukkingskunstenaar. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel 1 (1921–1952). Amsterdam: De Bezige Bij, 2013, p. 35 Hij was het tweede kind van de onderwijzer Johannes “Johan” Hermans (1879–1967)Otterspeer (2013), p. 36 en Hendrika “Rika” Hillegonda Eggelte (1884–1967),Otterspeer (2013), p. 41 die tot hun huwelijk op 24 juli 1913 onderwijzeres was.Otterspeer (2013), p. 43 Hun eerste kind was Hermans' oudere zus Cornelia “Corry” Geertruida (1918–1940).Van Straten (1999), p. 12Otterspeer (2013), p. 46 thumb|Van 1913 tot 1929 woonde het gezin Hermans op Brederodestraat 93-I in Amsterdam-West.Otterspeer (2013), p. 62 Boven de entree is een herdenkingsplakkaat aangebracht.

Lagere school (1927–1933) Van 1927In 1929 zat Hermans in de derde klas. Otterspeer (2013), p. 81 tot 1933 ging Hermans naar de Pieter Langendijkschool. Hij verliet de lagere school met redelijke cijfers, de hoogste voor geschiedenis en aardrijkskunde.Otterspeer (2013), p. 92 thumb|Eerste Helmersstraat 208. Vanaf 1929 woonde het gezin Hermans op driehoog en twee zolderkamers. Hermans zelf ging in oktober 1945 uit huis.Otterspeer (2013), p. 62 en p. 425 In 1998 werd in opdracht van het toenmalige stadsdeel Oud-West naast de entree ter herdenking een door Frits Marnix Woudstra ontworpen plaquette aangebracht.Polak (2003), p. 67

Barlaeus Gymnasium (1933–1940) Na de lagere school volgde Hermans vanaf 1933 onderwijs aan het Barlaeus Gymnasium. In de eerste klas kreeg hij les in Latijn, Nederlands, Frans, geschiedenis, aardrijkskunde, wiskunde en biologie. In het tweede jaar werd het curriculum uitgebreid met Grieks en Duits.Otterspeer (2013), p. 97 Omdat hij zijn tijd meer aan andere zaken dan aan schoolwerk besteedde, vooral aan scheikundige experimenten, bleef hij in de derde klas zitten.Otterspeer (2013), p. 102–103

Op twaalf-, dertienjarige leeftijd begon hij belangstelling voor de natuur te ontwikkelen. Nadat hij was blijven zitten mocht hij lid worden van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie.Otterspeer (2013), p.109 Tijdens zomervakanties verzamelde hij schelpen en stenen en zijn lectuur bestond vooral uit min of meer populaire natuurwetenschappelijke boeken en biografieën van mensen als Edison. Een grote indruk maakte ook Smeltkroezen. Leven en werken der groote scheikundigen (Leopold, 1931), de Nederlandse vertaling van Bernard Jaffes Crucibles. The Story of Chemistry, een populaire geschiedenis van de chemische wetenschappen.Van Straten (1995), Ze zullen eikels zaaien, p. 59. [Auteursnaam Jaffe achterhaald via Google.]

Twee boekjes uit de bibliotheek van het Barlaeus maakten de geologische belangstelling van de dertienjarige Hermans gaande: het Geologie-boekje. Een A-B-C voor de beginnende amateurs van Eli Heimans uit 1913, en Keienboek van P. van der Lijn uit 1923.Van Straten (1999), p. 20

In de tweede klas werden bij biologie de cloacadieren behandeld, maar Hermans kreeg geen antwoord op de vraag hoe de voortplanting bij de mens in zijn werk gaat. Ook zijn ouders gaven geen voorlichting, zodat hij zichzelf op de hoogte bracht aan de hand van de encyclopedie in de Openbare Leeszaal.Van Straten (1995), Ze zullen eikels zaaien, p. 51.Otterspeer (2013), p. 123

Toen de school in 1936 zeshonderd jaar bestond, werd Antigone van Sophocles opgevoerd. Hermans had zelf een kleine rol in het koor, maar het stuk maakte een enorme indruk op hem ("[...] een zeer grote stoot aan mijn literaire ontwikkeling gegeven", verklaarde hij later hierover).Citaat uit Van Straten (1995), Ze zullen eikels zaaien, p. 53.Otterspeer (2013), p. 136–138 Een jaar later voerden de leerlingen de Lucifer van Vondel op, met Hermans in het koor van Luciferisten.Otterspeer (2013), p. 138–139

Hermans las veel, volgens biograaf Otterspeer vooral uit een zucht naar herkenning en erkenning, 'de ambitie het allemaal veel beter te willen weten dan wie ook.'Otterspeer (2013), p. 161 Hij wilde superieur zijn en hield een lijstje bij van domme vragen die in de klas gesteld werden en domheden van zowel leerlingen als leraren.Otterspeer (2013), p. 168Huib Ludriks, 'Op het Barlaeus.' In: Dirk Baartse en Bob Polak (red.), Het Grote Willem Frederik Hermans Boek. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2010, p. 56 Hij las al op jonge leeftijd werken van Multatuli en bezocht als vijftienjarige de herdenking van diens vijftigste sterfdag.Otterspeer (2013), p. 162–163 Andere belangrijke boeken die hij van 1936 tot aan de oorlog las, waren van Slauerhoff, Von Kleist, Nietzsche (Also sprach Zarathustra), Céline, Freud (vertaling van Die Psychopathologie des Alltagslebens), Kafka, Schopenhauer en Dostojevski (Misdaad en straf).Otterspeer (2013), p. 165–169 Volgens Otterspeer is Kafka de belangrijkste ontdekking uit deze periode.Otterspeer (2013), p. 170

In 1938 hield hij op school een spreekbeurt over de roman Buddenbrooks van de Duitse schrijver Thomas Mann.Otterspeer (2013), p. 149 Tijdens een rapportvergadering van dat jaar werd hij als een slappeling beschreven, een luie en onnauwkeurige jongen, die slecht was in Grieks, weinig ophad met de exacte vakken en alleen een passie voor Nederlands leek te hebben.Otterspeer (2013), p. 146

In juli 1938 bezocht hij voor het eerst België. Zijn ouders vierden hun zilveren bruiloft met een herhaling van hun huwelijksreis. Bezocht werden Antwerpen, Brussel, Sint-Goedele, Tervuren, Laken en Dinant.Otterspeer (2013), p. 154–155

In 1939 hield hij voor Nederlands een spreekbeurt over Slauerhoff en voor Duits over Theodor Storm. in 1940 over Kafka's Der Prozess. Biograaf Otterspeer ziet als belangrijke literaire ontdekkingen die Hermans al op zijn vijftiende deed Woutertje Pieterse, Slauerhoff en Freud. Met Freud maakte hij kennis doordat hij van een Duitse klasgenoot een boek van Stefan Zweig leende, Heilung durch den Geist. Met name het concept van de Fehlleistung maakte grote indruk. In Zweig trof hij ook een beschouwing aan over Franz Anton Mesmer, de grondlegger van de hypnose.Otterspeer (2013), 163–166 In de zesde klas las hij voor het eerst een roman in het Frans, Le Rouge et le Noir van Stendhal.Van Straten (1995), Ze zullen eikels zaaien, p. 49.