thumb|Portret van inspecteur-generaal A.F. Goudriaan door Izaak Schouman, 1829. Adrianus François Goudriaan (Ameide, 1 augustus 1768 - Rijswijk, 2 juni 1829) was Inspecteur-Generaal van Waterstaat onder Koning Willem I. In de tijd dat Goudriaan leefde kwam het vaak voor dat men namen verfranste. Op 7 augustus 1768 werd Adriaan dan ook gedoopt in de kerk van Ameide met de Franse namen Adrianus Francois (in zijn doopakte geschreven met een c, niet met een ç).Ramaer (1911) geeft hem als tweede naam Franciscus, maar is onjuist.
Zijn opleiding en de tijd van de Republiek Al op jonge leeftijd ging Goudriaan met zijn vader mee. In 1781 (hij was toen 13 jaar) ging hij regelmatig naar de bouw van de haven bij Nieuwediep, waar zijn vader de leiding had. Zijn vader verhuisde in 1782 naar Amsterdam waar hij een soort directeur gemeentewerken werd. Goudriaan kreeg daardoor goede contacten met invloedrijke mensen van de marine. Hij heeft in deze tijd waarschijnlijk ook les gehad van privédocenten in de wiskunde. In 1785 kreeg hij zijn eerste eigen opdracht, hij moest een deel van de Overbraken buitenpolder bij de Spaarndammerdijk bij Amsterdam opmeten. In 1786 deed hij examen als landmeter en werd toegelaten als landmeter van het Hof van Holland. In dat jaar werd hij aangesteld als waterbouwkundig ambtenaar van Amsterdam en in 1788 als opzichter bij het indijken van de polders Riet- en Wulfdijk, Beoosten Blij- en Canisvliet in oostelijk Staats-Vlaanderen. thumb|Ontwerp van de kielplaats bij Nieuwediep Deze werken kwamen in 1790 gereed en daarna kreeg Goudriaan onder Christiaan Brunings een baan bij de toen in aanbouw zijnde haven van het Nieuwediep, waar een door hem ontworpen schut- en uitwateringssluis gebouwd werd voor een kielplaats. Bij dit werk moesten diepe funderingsputten gemaakt worden en hij schreef daarover een verhandeling die pas in 1796 uitgegeven is.
De Bataafse Republiek en het Koninkrijk Holland Hij werd na de omwenteling van 1795 belast met de leiding van de marinewerken in het noordelijk deel van Holland en met de waterstaatswerken in die provincie. Hij kreeg als standplaats Alkmaar, waarbij hem Alkmaar als standplaats aangewezen werd. In eerste instantie waren dat van 1797 tot 1800 de havenwerken en magazijnen te Medemblik, want die haven werd door de marinestaf meer geschikt gevonden dan het Nieuwediep. In 1797 werd Leendert den Berger ontslagen (hij was een orangist) als opziener voor de werken in Nieuwediep, en kreeg Goudriaan die functie. Toch was de voorkeur van de marinestaf om in Medemblik te blijven, en Goudriaan maakte daar een groot magazijn en liet havenbekkens uitbaggeren. Door de Engels-Russische invasie van 1799 zorgde wel voor de nodige vertraging.
in 1800 kwam er een nieuwe waterstaatsorganisatie. Hij werd toen commissaris-inspecteur voor het departement Texel. Niet lang daarna, bij de volgende reorganisatie in 1803 werd hij inspecteur in een deel van Holland. In verband met het overlijden van Brunings werd hij in 1805 lid der commissie voor de Nieuwkoopse en Zevenhovensche droogmakerij. Onder koning Lodewijk Napoleon werd de Waterstaat nog mee gecentraliseerd, maar de functies in de top bleven vrijwel onveranderd.
Na het overlijden van Conrad Sr. werd hij tegelijk met Jan Blanken benoemd tot inspecteur-generaal, een betrekking die hij tot zijn overlijden, weliswaar steeds in andere dienstkringen, bleef behouden. In 1809 benoemde de koning Goudriaan tot lid van het comité central van de waterstaat, dat was ingesteld om op waterstaatsgebied een wetenschappelijk adviserend college te hebben.
In deze periode waren er een aantal overstromingen, die aanleiding gaven om het stelsel van grote rivieren kritisch te bekijken en verbeteren. Het Comité Central heeft hierover geadviseerd, maar door de beëindiging van het Koninkrijk Holland is daar op dat moment niets mee gedaan.
thumb|Kaart van het gebied rondTexel door Goudriaan
De Napoleontische tijd Omdat Napoleon niet tevreden was over het werk van zijn broer, koning Lodewijk werd in 1810 Nederland ingelijfd bij Frankrijk, en dus werd de waterstaat ook een onderdeel van het Franse 'Ponts et Chaussées'. Goudriaan werd evenals Jan Blanken op 3 februari 1811 inspecteur général des ponts et chaussées; hem werd een deel van de 16e inspectie opgedragen, bestaande uit de departementen Bouches de l'IJssel, Frise, Ems occidental en Ems oriental (dus uit Overijssel, Friesland, Groningen, Drenthe en Oost-Friesland); Kampen werd zijn standplaats.
Bij Napoleon's bezoek aan Amsterdam bood Goudriaan de keizer een al in november 1808 door hem, Adrie Blanken en Van Delen gemaakt plan tot waterverversing van Amsterdam door een kanaal uit de Neder-Rijn aan, begroot op 8 miljoen francs. Dit ontwerp was een kanaal van Amerongen via Naarden naar Amsterdam, voor zowel de aanvoer van zoet water naar Amsterdam als voor de Rijnvaart van Amsterdam naar Duitsland. Napoleon keurde dit goed, maar het is nooit uitgevoerd
De Rijkswaterstaat Na de restauratie in 1815 werd de Rijkswaterstaat opgericht. De structuur was in eerste instantie dezelfde als die in de Franse tijd. Wel werd er gesleuteld aan de individuele bevoegdheden. Hier waren duidelijk tegenstellingen tussen Blanken en Goudriaan. Blanken wilde meer mensen met praktische ervaring (geen "lieden van de pen"). Zie hiervoor de paragraaf hieronder over dit conflict.
Dat Goudriaan veel oog had voor de menselijke aspecten blijkt ook uit het feit dat hij de commissaris werd van het nieuwe fonds voor de weduwen van officieren van het waterstaatscorps. Hij werd voor zijn verdiensten in 1816 geridderd in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Rijkswaterstaat werd niet alleen verantwoordelijk voor de waterwegen, maar ook voor de doorgaande wegen (dit was in 1811 voor heel het Franse rijk ingevoerd, en werd door Willem I gehandhaafd). De kosten van het wegonderhoud werd betaald met tolgelden, de tolgelden hingen onder meer af van het gewicht van de "vragtwagens", die bovendien niet zwaarder mochten zijn dan het toegelaten gewicht om schade aan de weg te voorkomen. Het was dus nodig om vrachtwagens te wegen. De oorspronkelijke Franse weegbruggen waren in defecte staat, en de ingenieur Dirk Mentz had een alternatief ontwikkeld. Goudriaan ontwikkelde samen met Mentz daarna een verbeterde hydraulische weegbrug. De publicatie hierover is pas in 1834 postuum door zijn zoon uitgegeven.
In deze periode heeft hij ook geprobeerd de kanalen in Drenthe te verbeteren door het schutverlies in de sluizen te beperken door de energie van het afstromende water te gebruiken. Deze schepradsluis bleek echter niet te voldoen, het rendement was te laag.
In 1818 maakte hij een eerste ontwerp voor een kanaal van Gent naar Terneuzen. Hier is toen niet aan begonnen, en na 1830 was daar op dat moment geen sprake meer van. In die periode heeft hij wel meegewerkt aan de havenwerken van Oostende en de verbetering van het kanaal van Brugge naar Oostende.
Toen Blanken in 1819 het ontwerp presenteerde voor een Nieuwe Merwede met afsluiting van de Beneden-Merwede, nam Goudriaan, die dadelijk het zwakke punt van dit voorstel (de afsluiting van de Beneden-Merwede) inzag, de invloedrijke kooplieden van Rotterdam en Dordrecht in de arm om het voorstel te bestrijden. De woordvoerder van de kooplieden was Mr. W.B. Donker Curtius, advocaat te Dordrecht en bestuurslid van de Alblasserwaard, verzette zich tegen het plan. De vorming de rivier door de Biesbosch is dan later ook zonder die afsluiting tot stand gekomen.
In de periode 1818-1822 was er overleg over de aanleg het kanaal wat later de Zuid-Willemsvaart zou worden. Goudriaan heeft zich met name sterk verzet tegen de doortrekking van het kanaal van Lozen/Bocholt naar Antwerpen. Dit zou de concurrentiepositie van Rotterdam en Amsterdam te veel benadelen, en dan zou er dus geen financiering vanuit Holland voor de Willemsvaart komen.
Het was in die tijd gangbaar om dijkdoorbraken te voorkomen door de aanleg van overlaten (en dus eigenlijk retentiebekkens te maken) om zo de schade enigszins te beperken. Goudriaan was hier een sterke voorstander van en heeft een aantal van deze overlaten ontworpen, zoals blijkt uit zijn tekening van 1824.
In 1823 waren de ambtelijke kosten van de waterstaat erg hoog geworden, en er moest fors gereorganiseerd worden. Goudriaan kreeg uiteindelijk de functie van Administrateur van de Waterstaat (een soort Secretaris-Generaal)
Normaal Amsterdams Peil Wegens het grote aantal verschillende peilen langs de Nederlandse rivieren drong Goudriaan in 1815 aan alle rivieren te voorzien van eenzelfde peil. Dit in tegenstelling tot Jan Blanken die metingen langs de rivieren wilde refereren aan het Noodpeil. Het noodpeil was het peil waarboven er een te grote kans was op overlopen van de dijken, en dus op ongecontroleerde dijkdoorbraken. Deze noodpeilen vormden dus een schuin referentievlak, dat ongeveer evenwijdig lag aan de verhanglijn van de rivier. Zo'n scheef vlak heeft praktische voordelen, omdat bijvoorbeeld de dijkhoogte overal evenveel boven het noodpeil moet liggen en dat voor bevaarbaarheid van de rivier er overal een redelijk vaste diepte onder dat peil nodig is. Het noodpeil had dus een gelijke structuur als het huidige "overeengekomen lage rivierstand" (OLR). Het bezwaar van het noodpeil was dat een scheef referentievlak niet makkelijk meet, en met name in het laagland problematisch is. Uiteindelijk is het pleit gewonnen door Goudriaan, maar dit was wel een van de zaken die tot de frictie tussen Goudriaan en Blanken geleid hebben. Bij Koninklijk Besluit van 18 februari 1818 werd het Amsterdams Peil (A.P.) als algemeen vergelijkingsvlak voorgeschreven. Om de nauwkeurigheidswaterpassing te onderscheiden van eerdere uitgevoerde waterpassingen werd de naam later Normaal Amsterdams Peil (N.A.P.).Adrianus Francois Goudriaan op WaterVragen.nl, geraadpleegd op 17 november 2011. Goudriaan was ook initiatiefnemer tot vervaardiging van de rivierkaart op een schaal van 1:10.000.
De Zuid Willemsvaart In de jaren voor 1821 was er een ontwerp gemaakt voor het kanaal van Maastricht naar 's-Hertogenbosch. In 1823 werd de financiering door de Kamer goedgekeurd. Maar al in april 1822 vond de eerste aanbesteding plaats en direct daarna werd met het veldwerk begonnen. De werkzaamheden waren in oktober zover gevorderd dat Goudriaan de koning voorstelde 'met plechtigheid' de eerste steen te leggen. Bij deze gelegenheid stelde hij tevens voor het kanaal de naam 'Zuid- of Groote Willemsvaart' te geven. De eerste hoeksteen werd op 11 november 1822 in 's-Hertogenbosch gelegd door De Brouckère, de gouverneur van Limburg. Een half jaar later bracht de koning met zijn gevolg een bezoek aan Maastricht. De koning liet zich daarbij vergezellen door Krayenhoff en Goudriaan, die de koning informeerden over hun projecten, de nieuwe fortificatiewerken en de richting van de Zuid-Willemsvaart. Goudriaan bleef tot eind 1823 de directie voeren over de aanleg van de vaart.
In oktober 1823 werd zijn zoon Bernard Goudriaan benoemd tot ingenieur 1e klasse. In deze rang kon hij de werkzaamheden van een hoofdingenieur waarnemen en derhalve de directie voeren over zo'n grootschalig werk. Hij nam dan ook de directievoering van zijn vader over.
De Zuid-Willemsvaart werd volgens het projectplan van Goudriaan in vier jaar tijd aangelegd. Het voor de scheepvaart bestemde kanaal had een dwarsprofiel dat groot genoeg was zodat twee schepen elkaar moeiteloos konden passeren. De lengte van het kanaal was ruim 120 kilometer en het werd voorzien van 37 enkelvoudige bruggen, 2 vaste bruggen, 9 veerponten en 21 schutsluizen. Deze sluizen overbrugden samen een verval van veertig meter. miniatuur|De Zuid-Willemsvaart in 1840