In dit artikel wordt de opbouw van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa beschreven. Het verdrag is verdeeld in een preambule, vier verdragsdelen en een aanhangsel met meerdere protocollen.
Het verdrag is echter niet door alle lidstaten geratificeerd, en is daarom vervangen door het het Verdrag van Lissabon.
Preambule De preambule gaat vooraf aan de eigenlijke verdragsbepalingen. In de preambule worden de redenen opgesomd voor de oprichting van de Europese Unie – zowel de omstandigheden die leidden tot de oprichting als de doelstellingen van de Unie worden benoemd.
De preambule begint ermee te refereren aan de "culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa", die de oprichters van de Unie inspireren tot het vormen van een Unie waarin "universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens, democratie, gelijkheid, vrijheid en rechtsstatelijkheid" voortleven die uit die tradities voortvloeien. Het doel van de oprichters is een Unie op te stellen die uitgaat van dezelfde waarden die – volgens de oprichters – in heel Europa bestaan.
Vervolgens herinnert de preambule eraan dat Europa herenigd is na "bittere ervaringen". Hiermee wijzen de oprichters erop dat de oprichting en ontwikkeling van de Unie gevolgen zijn van de Tweede Wereldoorlog en de opsplitsing van Europa tijdens de Koude Oorlog. De Unie wil ernaar streven om deze erfenis achter zich te laten. Dezelfde paragraaf van de preambule geeft aan dat de oprichters omstandigheden willen scheppen voor de burgers van Europa die tegengesteld zijn aan de omstandigheden van de "bittere ervaringen": ze willen in Europa een ruimte van "beschaving, vooruitgang en welvaart", die zich inzet "voor het goed van al zijn bewoners, ook van de meest kwetsbaren en de meest behoeftigen". Ze willen dat "Europa een werelddeel wil blijven dat openstaat voor cultuur, kennis en maatschappelijke vooruitgang; en dat Europa het democratische en transparante karakter van zijn openbare leven wil verdiepen en zich wil beijveren voor vrede, rechtvaardigheid en solidariteit in de wereld".
De derde paragraaf van de preambule benoemt het voortdurende streven van de Unie om de historische tegenstellingen (die tot oorlogen en dergelijke hebben geleid) op te heffen of te overbruggen, om zo samen de toekomst tegemoet te treden. Wel met behoud van de bestaande, nationale identiteiten en trots in bestaande cultuur, maar toch samen de toekomst in is de doelstelling. De term die de oprichters hiervoor gebruiken is "steeds hechter verenigd", een term die terug te vinden is in alle verdragen die ooit delen van de Unie opgericht hebben.
De volgende paragraaf richt zich op de toekomst. De oprichters van de Unie spreken hier de verwachting uit dat de burgers van de Unie het best in staat zullen zijn hun toekomstige hoop en doelen te bereiken in een Europese ruimte die verenigd is door middel van wetten en rechten en verantwoordelijkheden en plichten voor de burgers, maar die toch respect op weet te brengen voor de verschillen tussen burgers en culturen in de Unie. De oprichters gebruiken hiervoor de term "Europa, Verenigd in zijn verscheidenheid".
De laatste twee paragrafen van de preambule verenigen het terugkijken op het verleden en het vooruitblikken op de toekomst. Zij geven aan dat de Unie haar doelstellingen wil verwezenlijken door voort te borduren op de erfenis van de laatste decennia, op wat er opgebouwd is door de Europese Gemeenschappen en de Unie van vorige verdragen. En dat de oprichters de leden van de Europese Conventie danken, die de Grondwet opgesteld hebben om dit mogelijk te maken.
Nog voor dit alles staat een heel aparte paragraaf, waarin de oprichters van de Unie zich bekendmaken. Als oprichters van de Unie worden de staatshoofden van de lidstaten genoemd, die de Unie oprichten uit naam van en vooral ook voor hun burgers en hun staten.
Verdragsdeel I over Grondbeginselen Het eerste verdragsdeel behandelt de grondbeginselen van de Europese Unie. Behalve definitie en doelstelling van de Unie beschrijft het ook de bevoegdheden, de organen en de financiering van de Unie. De precieze invulling van de hier genoemde bepalingen vindt plaats in de bepalingen van de overige verdragsdelen. Dit deel bestaat uit negen "hoofdstukken", titels geheten.
Titel I: Definitie en doelstellingen van de Unie De Unie definieert zich als een waardengemeenschap, die openstaat voor alle Europese staten die deze waarden delen. Deze waarden zijn volgens de grondwet: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder minderheidsrechten. Het verdrag noemt verder vrede, recht, vrijheid en welzijn naast duurzame ontwikkeling, een sociale markteconomie en solidariteit als doelstellingen en ook het eerbiedigen van de rijke verscheidenheid aan cultuur en taal. De uitwerking vindt plaats in het verdragsdeel over de grondrechten.
De titel begint met de vaststelling van de Europese Unie. Die oprichting vindt, krachtens artikel I van de grondwet, plaats als uitvloeisel van de wil van de burgers van Europa om aan een gezamenlijke toekomst te bouwen. Daarbij is, volgens hetzelfde artikel, plaats voor alle staten die de waarden van de Europese Unie onderschrijven.
De eerste titel stelt ook een aantal algemene artikelen in over de gelijke behandeling van alle burgers en het feit dat lidstaten van de Unie loyaal met elkaar samen moeten werken.
Er wordt bepaald dat Europese wetgeving (wetgeving van de Unie) voorgaat boven de nationale wetgeving van lidstaten. Ondanks dat dit artikel nieuw is in de zin dat de bepaling niet eerder in een Europees verdrag is vermeld, verandert het artikel niets aan de huidige situatie. Recht dat te ontlenen valt aan internationale verdragen gaat altijd boven nationaal recht, omdat als nationaal recht prevaleert boven internationaal recht een lidstaat het recht van een verdragsorganisatie kan ondermijnen door wetgeving aan te nemen die in strijd is met het recht dat ontleenbaar is uit het verdrag. Het Europees Hof van Justitie heeft dit in 1964 bevestigd in het Arrest Costa/ENEL, en ook de Nederlandse Grondwet (artikel 94) bepaalt dat recht ontleenbaar uit internationale verdragen prevaleert boven nationaal recht.
En ten slotte worden de symbolen van de Unie (vlag, hymne, motto, munt en "nationale feestdag") vastgesteld.
Titel II: De Grondrechten en het burgerschap van de Unie De tweede titel stelt als kort principe vast wat de burger direct van de Unie kan verwachten: grondrechtelijke bescherming en de rechten van burgerschap. Deze titel bestaat uit twee artikelen.
Het eerste artikel verankert de positie van de rechten van de mens in de Unie. Om te beginnen bestaan die uit de rechten die opgesomd staan in het "Handvest van de grondrechten van de Unie", dat in zijn geheel het tweede verdragsdeel vormt. Ten tweede besluit de Unie zich ook te binden aan regels van buiten over de grondrechten: de Unie wordt partij in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. En ten derde besluit de Unie dat haar eigen grondrechten niet zomaar stellingen zijn, maar ook actief onderdeel van het recht (de wetgeving en de rechtspraak) van de Unie. Ze moeten meegenomen worden in de vaststelling van wetten en burgers mogen bij de rechter klagen over het met de voeten treden van hun rechten.
Het tweede artikel omschrijft het burgerschap van de Unie. Het artikel beschrijft wat het betekent om burger te zijn: het recht om overal in de Unie te wonen en werken, om te mogen stemmen en kandidaat te zijn voor het Europees Parlement en te stemmen en kandidaat te zijn voor de gemeenteraad van de gemeente waar je woont (ook als je niet een burger bent van het land waar die gemeente ligt), het recht om buiten Europa bijgestaan te worden door de ambassade en consulaten van ieder lidstaat van de Unie als je eigen land geen ambassade of consulaten heeft en het recht om verzoeken te doen aan het Europees Parlement en de Europese ombudsman in je eigen taal en ook in je eigen taal antwoord te krijgen. Deze rechten worden elders in de grondwet verder uitgewerkt.
Titel III: De bevoegdheden van de Unie In deze titel wordt beschreven wat de Unie precies mag en wat niet.
De titel begint ermee vast te stellen dat de Unie alleen beslissingsbevoegdheid heeft op die gebieden waarvan de lidstaten besloten hebben dat de Unie daar mag beslissen. De Unie mag zichzelf niet zomaar bevoegdheden toedelen (dit heet het beginsel van bevoegdheidstoedeling). Sterker nog, op terreinen waar de Unie samen beslist met de lidstaten mag de Unie alleen datgene en op die gebieden beslissen waar het echt nodig is—wat lidstaten individueel kunnen uitwerken, daar moet de Unie buiten blijven. Dit laatste heet het subsidiariteitsbeginsel.
Vervolgens stelt de titel vast dat er verschillende soorten (categorieën) van bevoegdheden zijn voor de Unie: er zijn beleidsterreinen waar de Unie het alleenrecht van wetgeving heeft (de exclusieve bevoegdheden), terreinen waar de Unie en de lidstaten samen beslissen (de Unie geeft de rode draad aan, de lidstaten werken het voor zich uit) en er zijn terreinen waar de Unie mag ondersteunen, maar de beslissingen volledig door de lidstaten genomen worden.
De titel noemt van de drie allereerst de bevoegdheden, die exclusief aan het communautaire niveau zijn voorbehouden—dat wil zeggen, de soorten van wetgeving waar de Europese Unie het recht heeft om alleen te beslissen en besturen. Het monetair beleid en de mededinging maken van die bevoegdheden deel uit, evenals het visserij- en internationale handelsbeleid.
Andere terreinen, zoals de interne markt, sociaal beleid, milieu, consumentenbescherming, energie en justitie worden gedefinieerd als gedeelde bevoegdheden (te delen met de lidstaten). Van een aantal gebieden (technologisch en ruimteonderzoek en humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking) wordt vastgesteld dat de beslissingen gedeeld worden maar dat de lidstaten daarnaast ook eigen programma's mogen opzetten.
De titel stelt vast dat bevoegdheden die niet expliciet aan de Unie worden toebedeeld, aan de lidstaten behoren. Er is echter ook een artikel om probleemgevallen op te lossen: als het blijkt dat de Unie meer bevoegdheden op meer terreinen nodig heeft dan in de grondwet bepaald is, mogen de Europese Commissie, de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement samen besluiten de bevoegdheden van de Unie uit te breiden. Die uitbreiding is dan ook weer beperkt door het subsidiariteitsbeginsel. Bovendien mag de Unie op die "extra" terreinen geen wetten maken—alleen uitwerkende maatregelen binnen het kader van bestaande wetten zijn toegestaan.
Titel IV: De instellingen en organen van de Unie Deze titel beschrijft de instellingen die het beleid van de Europese Unie bepalen. Hun samenstelling en functioneren wordt omschreven.
De instellingen omvatten het Europees Parlement, de Europese Commissie, de Europese Raad (en Raad van Ministers) en het Hof van Justitie. De nieuwe functie van een Europese minister van buitenlandse zaken wordt gecreëerd en speelt een rol in het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, dat nu voor het eerst in een verdragstekst wordt genoemd. Andere organen zijn de Europese Centrale Bank en de Europese Rekenkamer.
Het Europees Parlement vertegenwoordigt de burgers van de Unie en wordt direct gekozen. De meeste besluiten van de Unie (wetgeving, maatregelen, en dergelijke) worden vastgesteld door het Parlement en de Raad samen. Daarbij beslist het Parlement meestal door meerderheid van stemmen van de aanwezige leden (en een enkele keer door meerderheid van het totaal aantal leden).