Aster Berkhof, pseudoniem van Lodewijk Paulina (Louis/Lode) Van Den Bergh (Rijkevorsel, 18 juni 1920 – Brasschaat, 29 september 2020), was een Belgische schrijver. Hij was gedurende tientallen jaren een der meest gelezen auteurs in Vlaanderen. Hij publiceerde in het grensgebied tussen jeugdboeken en literatuur voor volwassenen.

Biografie Jeugd Lode (oorspronkelijk: Louis) Van den Bergh volgde lager onderwijs in de gemeenteschool van Rijkevorsel Sint-Jozef, waar zijn vader hoofdonderwijzer was en zijn moeder onderwijzeres. Hij groeide met nog twee broers en twee zussen op in een welgesteld gezin. Zijn moeder kwam immers uit een aristocratische boerenfamilie: haar vader, Jan Leestmans, was vele jaren burgemeester geweest van Merksplas. Reeds in zijn jeugd voelde Lode zich onbehaaglijk bij het grote verschil in welstand tussen zijn wereld en die van de andere jongens. Dit onbehaaglijk gevoel is hem zijn hele leven bijgebleven en zo kwam hij met zijn pen in opstand tegen onrechtvaardigheid. Hij schreef later over zijn geboortedorp en de omgeving in onder andere Isidoor (1951), Als een wolf in de wildernis (1961) en Toen wij allen samen waren (1978).

Hij volgde van 1931-1938 Grieks-Latijnse humaniora aan het Klein Seminarie van Hoogstraten, waar hij onder anderen Ast Fonteyne als leraar had. Hij studeerde vervolgens vier jaren Germaanse filologie aan de Leuvense universiteit, waaraan hij in 1942 afstudeerde met zijn licentiaatsverhandeling De nieuwe roman in Zuid-Nederland. Hij had ondertussen al enkele wetenschappelijke essays geschreven over Vlaamse schrijvers: (Maurice Roelants, Jozef Simons, Ernest Van der Hallen). Ook publiceerde hij op zijn 16e in Ons Land al een eerste verhaal, Verrader, gevolgd door andere in Ons Volk, Humoradio, Libelle, Dietsche Warande & Belfort en Het Laatste Nieuws.

Schrijver Na de bevrijding ging hij in 1944 aan de slag als redacteur bij het dagblad De Standaard. Toen reeds voelde hij dat hij schrijver wilde worden. Hij koos de auteursnaam Aster Berkhof, gewoon omdat er asters bloeiden onder de berken in de tuin van zijn ouders. Hij wilde zijn romans niet publiceren onder zijn echte naam, omdat hij meende dat dit de geloofwaardigheid van zijn academisch werk zou benadelen. In 1942 schreef hij al een humoristische, autobiografische prozabundel, De student gaat voorbij. Nutteloze beschouwingen over nuttige dingen. In 1944 verscheen zijn eerste roman De heer in grijze mantel, een detectiveroman. Voor jeugdverhalen gebruikte hij ook soms het pseudoniem Piet Visser.

In 1945 vervulde hij zijn militaire dienstplicht, een jaar lang in Schotland; dit inspireerde hem bij zijn roman Rotsen in de storm (1947).

Hij werd het volgende jaar doctor in de wijsbegeerte met zijn doctoraatsverhandeling Het literaire kunstwerk. Proeve van een analyse. Hij werkte eerst als journalist voor De Nieuwe Standaard en Ons Volk; van 1947 tot 1949 was hij wetenschappelijk medewerker aan de Leuvense universiteit, als monitor-assistent Nederlandse literatuur. De volgende tien jaren gaf hij les aan de athenea van achtereenvolgens Antwerpen (1949-1958), Brussel (tot 1959) en tot 1965 aan dat van Koekelberg, waarna hij docent Engels werd aan de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius Antwerpen toen deze handelshogeschool een universiteit werd. Daar werd hij vier jaar later hoogleraar Engels, tot zijn pensionering in 1983. Van 1969 tot 1971 gaf hij ook les aan de Faculteit Sociologie van de Ufsia.

In die periode leerde hij ook de filosofie van de Franse schrijver Albert Camus waarderen, namelijk "het menselijk bestaan heeft geen zin; wij brengen onze tijd door op deze wereld en gaan vervolgens dood" (Camus, L'homme révolté, 1951). Deze zinloosheid bracht hem in conflict met zijn katholieke opvoeding. In zijn psychologische romans Dagboek van een missionaris (1962) en De woedende Christus (1965) stelde hij het geloof ter discussie.

In een interview met het dagblad De Morgen (19 december 2007) verklaarde Aster Berkhof dat "zijn oeuvre een product is van zijn drie voornaamste karaktereigenschappen: ongeduld, energie en nieuwsgierigheid". Deze hebben hem aangezet om zo veel mogelijk van de wereld te zien. Na Europa koos hij in 1952 eerst Noord-Afrika als verder reisdoel, gevolgd door in 1953 Mexico. In 1955 maakte hij een wereldreis die hem eerst naar Rome en Athene bracht en vervolgens naar Azië en Noord-Amerika en via Londen en Amsterdam terug naar huis. Er volgden nog vele reizen. Zijn karaktereigenschappen leidden tot het maken van reportages daarover, naast het lesgeven, schrijven en het vele lezen. Hij hield van het leven, met het accent op de kleine geneugtes, terwijl hij maar al te goed besefte dat er een einde aan komt en "dat hij terug zal opgenomen worden in chaos van de kosmos". Door veel te reizen, meende hij, verken je in feite jezelf en schrijven wordt dan een middel om de wereld op een kritische wijze te verduidelijken.miniatuur|Eerste uitgave 1949, omslagtekening Martha Van Coppenolle

In 1954 verscheen zijn eerste jeugdboek, Paavo de Lap. Hij beoefende verschillende literaire genres, zoals het detectiveverhaal, de streekroman, humoristische verhalen, avonturenromans, en de jeugdroman. Hij maakte reizen over de hele wereld en schreef daarover ook een aantal reisverhalen. In 2009 verscheen zijn honderdste boek: Alle verhalen. In totaal schreef hij 101 boeken. Sommige werden heel vlug geschreven. Zelf beweerde hij een bepaalde volumineuze roman - hij wilde niet preciseren welke - in negen dagen geschreven te hebben. Hij vond zelf dat hij veel middelmatige werken geschreven had, zelfs enkele slechte, maar toch ook enkele goede boeken. Tot zijn beste boeken rekende hij ook Dagboek van een missionaris (1962), Donnadieu (1991) en Amanda (1983).

In 1967 maakte hij een reis door Midden- en Zuidelijk Afrika. Hij was bijzonder fier op zijn politiek geëngageerde roman Het huis van Mama Pondo (1971), waaraan hij drie jaar geschreven heeft, steeds worstelend met de woorden (van de eerste bladzijde van zijn dik manuscript -10 cm hoog- haalde slechts één zin de uiteindelijke versie). Dit werd een aanklacht tegen de apartheid in Zuid-Afrika en hij bereikte ermee wat hij wilde, namelijk dat daarover eindelijk in Vlaanderen een publiek debat ontstond. Het werd vergeleken met Max Havelaar (althans wat betreft inhoud en thematiek) en leidde tot een heftige polemiek in de pers, met name tussen hem en André Demedts.

Gedurende de lente en de zomer verbleef hij in zijn buitenverblijf in de Provence, waar hij de thema's van zijn volgende boeken liet rijpen. In de herfst keerde hij terug naar België, waar hij impulsief begon te schrijven, zonder veel aandacht te schenken aan stijl en "mooischrijverij". Het verhaal primeerde. Hij noemde het zijn verdienste dat hij de lichtvoetige, stijlvolle smaak heeft geïntroduceerd in de Vlaamse ontspanningsliteratuur met boeken als Veel geluk, professor (1949).

Veel geluk, professor, dat al vele malen herdrukt was, werd in 1977 tot een musical bewerkt door Willy Van Couwenberghe en opgevoerd in de Opera van Gent met Koen Crucke en Jeannine Martony in de hoofdrollen.

In juni 2020 kwam het boek Aster Berkhof - 100 jaar nieuwsgierigheid uit, op zijn honderdste verjaardag; het werd samengesteld en geschreven door bibliothecaris Karel Michielsen.Schrijver Aster Berkhof wordt 100: “Ik ben nog niet van plan om te sterven”. Gearchiveerd op 4 oktober 2020.

Privéleven In Rijkevorsel speelde hij van 1944 tot 1956 sopraansaxofoon bij de fanfare Condor.

Aster Berkhof was vanaf 1956 gehuwd met televisieomroepster Nora Steyaert (1932-2020). Samen hadden ze een zoon. Aster Berkhof overleed op 29 september 2020, een half jaar na zijn echtgenote en enkele maanden na zijn 100e verjaardag, hij verbleef toen al enkele jaren in een woonzorgcentrum in Brasschaat.

Prijzen en erkenning Aster Berkhof werd met verschillende prijzen bekroond. Hij werd in 2004 ereburger van Rijkevorsel. In november 2008 werd in deze gemeente het Aster Berkhofmuseum geopend. Tien jaar later sloot het alweer. Vervolgens werd besloten om het archief van de schrijver, dat eerst in het museum was ondergebracht, over te dragen aan het Letterenhuis.

Tot driemaal toe kreeg hij de Provinciale Prijs voor Literatuur van de provincie Antwerpen: In 1963 voor Dagboek van een missionaris, in 1976 voor Het huis van Mama Pondo en in 2001 voor zijn hele oeuvre. Na nog andere prijzen ontving hij in 2013 ook de Hercule Poirot Oeuvreprijs, gezamenlijk voor zijn misdaadromans.

Uitspraken over Aster Berkhof "Weinigen zijn als Aster Berkhof tot alle klassen van het publiek doorgedrongen." (interview met André Demedts op radio West-Vlaanderen, 9 oktober 1962) "Zijn boek Een meisje te Bourges is eindeloos soepel geschreven, met een radheid van pen die wij nu al lang genoeg van Berkhof kennen." (Jos Ghysen op de gewestelijke omroep Limburg - BRT op 4 februari 1968)

Bibliografie Berkhof schreef 101 boeken, hieronder een (willekeurige) selectie waarin D=detectiveroman.Vlaamse auteur van 101 boeken Aster Berkhof 1920 2020 overledenwww.Tzum.info. Gearchiveerd op 31 oktober 2020. De student gaat voorbij (1942) De heer in grijze mantel (D, 1944) Rotsen in de storm (1947) De houtvester van St. Gallen (1948) Veel geluk, professor (1949) [Digitale versie) Land zonder schaduw (1950) [Digitale versie) Jij bent een dikkop (1950) Patricia (1950) De goede engel (1951) Isidoor (1951) Meester Groenevelt: 1. De nieuwe meester (1952) Meester Groenevelt: 2. Jongensstad op de kim (1953) Vacantie met drie. Avonturen en overwegingen van drie kwaadaardige philosofen in een land van zeer goedaardige mensen (1953) De commissaris gaat uit stelen (D, 1954) Zoeklicht op Marokko (1954) Onder de zon van Mexico (1954) (Digitale versie) Paavo, de Lap (1954) (Digitale versie) Inspecteur Marcus in Marokko (D, 1955) De dood is in Napels (D, 1955) Ik zal je leren (1955) Minister Bakker (1955) De blauwe ruiters van de Sahara (1955) (als Piet Visser) De hacienda van de dood (1955) (als Piet Visser) Angst voor Azië (1956); heruitgegeven als: Geheimzinnig oosten (1960); ook als Haveloos India (1960) Tijgers in Bengalen (1956) (als Piet Visser) Het geheim van de Rode Canyon (1957) (als Piet Visser) De man in het midden (D, 1957; verscheen in 1958 als feuilleton in Het Laatste Nieuws) Moord op de gletsjer (1958) (als Piet Visser) De heer des huizes (1958) Jan zonder Vrees en de rovers uit het Vrijbos (1958) Doden worden niet meer levend (D, 1958) De Chinese jonk (D, 1959) Commissaris Rousseau in Birma (D, 1961) Dagboek van een missionaris (1962) Als een wolf in de wildernis (1962; vanaf 1961 als feuilleton in de Gazet van Antwerpen) Rendez-vous te Portofino (D, 1964) De woedende Christus (1965) Het einde van alles (1965) Angst om Afrika (1967) Een meisje te Bourges. Politieroman (D, 1967) De avonturen van Peter Kansas (1968) Peter Kansas en het verloren eiland (1968) Een onmogelijke moord voor Markus (D, 1969) Peter Kansas en de olifantenjagers (1969) Het huis van Mama Pondo (1971) Peter Kansas en het Indiaanse huis (1971) Peter Kansas en de gouddieven (1972) De noodklok (1973) Vakantie met drie (1973) De herberg aan het meer (D, 1974) Goliath, of Hoe de gorilla's de beschaving aan de dieren brachten (1975) Peter Kansas en de bergduivels (1975) Dat meisje uit het noorden (1976) De avonturen van Peter Kansas (1977) Lieve, mooie aarde (1977) Leven in oktober (1978) Toen wij allen samen waren (1978) Mijn huis in de verte (1979) Leven in de zon (1980) Deze laatste drie verschenen in 1989 gebundeld en bewerkt als de Kroniek van Hogelinden, een trilogie over Rijkevorsel Calypso (1980) Clairefontaine (1981) De winners (1981) Vader is gezakt (1981) Vanna van de Zinnekensgang (1981) De leugenaars (1982) De zomer en ik (autobiografisch proza, 1982) Amanda (1983) Vlaanderen anders bekeken (essay, 1983, met tekeningen van Anton Pieck) De nacht van Muriel (1984) Doodslag (1984)