miniatuur|lang=nl|

Het homohuwelijk in de Verenigde Staten van Amerika werd voor het eerst mogelijk in de staat Massachusetts in 2004, geleidelijk aan gevolgd door meer staten. Eerder was Vermont in 2000 de eerste staat die geregistreerde partnerschappen invoerde. Geleidelijk aan werd het homohuwelijk in steeds meer staten toegestaan, terwijl in andere staten, al dan niet na wetswijzigingen, het homohuwelijk verboden was. Na veel rechtszaken werd de kwestie behandeld door het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten, dat op 26 juni 2015 in de zaak Obergefell v. Hodges oordeelde dat de afzonderlijke staten het homohuwelijk niet mogen verbieden.

Controverse De opkomst van het homohuwelijk en geregistreerd partnerschap in de Verenigde Staten ging niet zonder slag of stoot. De voorstanders ervan meenden dat homoseksuele koppels niet het recht mocht worden ontzegd op het huwelijk en de daar bijhorende voordelen, omdat voor de Grondwet van de Verenigde Staten alle burgers gelijk zijn. Tegenstanders beweerden echter dat het huwelijk al sinds de oudheid tussen een man en een vrouw is, en dat er voor individuele staten geen reden was om koppels die buiten deze definitie vallen te laten trouwen.

Onder de bevolking is de steun voor het homohuwelijk toegenomen sinds de jaren negentig van de 20e eeuw. In 1996 steunde slechts 25% van de bevolking legalisering.

Bij de verkiezingen in november 2004 werd in de staten Arkansas, Georgia, Kentucky, Michigan, Mississippi, Montana, North Dakota, Ohio, Oklahoma, Oregon en Utah ook gestemd over een staatgrondwetswijziging om het homohuwelijk te verbieden. Afgezien van de staten Oregon, Mississippi en Montana bevatten de aangenomen amendementen ook provisies die iedere andere vorm van erkenning van homoseksuele relaties ontkrachten. Het amendement werd in alle elf staten aangenomen. Alaska, Louisiana, Missouri, Nebraska en Nevada hadden al vóór 2004 grondwettelijke bepalingen die het homohuwelijk verboden. In 2005 werden in Kansas en Texas soortgelijke amendementen aangenomen. North Carolina nam na een stemming in 2012 ook een amendement aan dat het homohuwelijk verbood.

Analyse van polls uitgevoerd in 2010 en 2011 laat zien dat een kleine meerderheid van de ondervraagden het legaliseren van homohuwelijken steunde.New York Times: Nate Silver, "Gay Marriage Opponents Now in Minority," April 20, 2011, bezocht 26 april 2011. Gearchiveerd op 19 april 2022.For First Time, Majority of Americans Favor Legal Gay Marriage

Geschiedenis Jaren zeventig en tachtig Het huwelijksrecht werd traditioneel grotendeels op het niveau van de afzonderlijke staten geregeld. Oorspronkelijk hadden veel staten wetten die het huwelijk niet expliciet voorbehielden aan een verbintenis tussen een man en een vrouw, het was immers vanzelfsprekend dat alleen een man en een vrouw konden trouwen. Verschillende burgerrechtenbewegingen voerden al campagne in de jaren zeventig om huwelijken voor mensen van hetzelfde geslacht mogelijk te maken. Dergelijke huwelijken werden toen al op lokaal initiatief gesloten, maar hadden geen rechtskracht omdat ze in strijd werden geacht met de wet en met de heersende moraal.

Het bekendste geval hiervan is het huwelijk tussen Jack Baker en Michael McConnell. In een hieropvolgende rechtszaak oordeelde op 15 oktober 1971 het Hooggerechtshof van Minnesota in Baker v. Nelson dat het verbod op het homohuwelijk niet in strijd is met de Amerikaanse Grondwet. Er werd in beroep gegaan bij het federale hooggerechtshof, dat de zaak niet opnam "bij gebrek aan een federale kwestie". Dit werd tot voor kort beschouwd als precedent in federale rechtbanken.

Een grote demonstratie voor gelijke rechten vond plaats op 14 oktober 1979 in Washington D.C. Een tweede, nog grotere demonstratie vond plaats op 11 oktober 1987. De datum van deze tweede actie wordt sindsdien gebruikt voor de National Coming Out Day ("Kom-uit-de-kastdag") in de Verenigde Staten. Aanleiding voor de demonstratie was onder meer de verspreiding van aids en de uitspraak van het federale hooggerechtshof in Bowers v. Hardwick (1986) die sodomiewetgeving grondwettelijk verklaarde.

Hawaï en Vermont thumb|350px|In het begin van de 21e eeuw namen de meeste staten een verbod op het homohuwelijk in hun grondwet op Pas in de jaren negentig werd het weer een item, toen het Hooggerechtshof van Hawaï op het punt stond te oordelen in Baehr v. Miike dat het verbod op het homohuwelijk in strijd zou zijn met de Grondwet van Hawaï. Als reactie hierop keurde het Amerikaans Congres in 1996 de "Defense of Marriage Act" (DOMA) goed, die voor de federale overheid uitsluitend huwelijken tussen een man en een vrouw erkende en die de deelstaten toestond homohuwelijken van andere jurisdicties te weigeren. In 1998 werd in een referendum de Grondwet van Hawaï gewijzigd waardoor de wetgevende macht het huwelijk mocht beperken tot een verbintenis tussen een man en een vrouw. Hierdoor werd de rechtszaak zonder voorwerp verklaard. Kort erna oordeelde het Hooggerechtshof van Vermont in Baker v. Vermont dat, op basis van de Grondwet van Vermont, koppels van hetzelfde geslacht toegang moeten hebben tot het huwelijk of een gelijkwaardig instituut. Hierop keurde het Parlement van Vermont de controversiële civil unions (geregistreerde partnerschappen) goed, waarmee het de eerste staat werd die aan homokoppels alles behalve de naam "huwelijk" (en, door DOMA, de federale rechten) gaf.

Als reactie op deze ontwikkelingen werden in andere, vooral conservatievere, deelstaten wetten en grondwetswijzigingen ingevoerd die het huwelijk definieerden als een verbintenis tussen een man en een vrouw. Ook op federaal niveau kwamen er pogingen om het huwelijk in de Amerikaanse Grondwet te definiëren, maar die mislukten.

Lawrence v. Texas en Massachusetts (2003-2006) In juni 2003 oordeelde het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten in Lawrence v. Texas dat sodomiewetgeving ongrondwettelijk is en vernietigde hiermee de eerdere uitspraak van 1986. Dit oordeel had geen rechtstreekse impact op de huwelijkswetgeving, maar was niettemin een belangrijke overwinning voor de homorechtenbeweging.

In november 2003 verklaarde het Hooggerechtshof van Massachusetts in Goodridge v. Department of Public Health het verbod op het homohuwelijk in strijd met de Grondwet van Massachusetts. Het Parlement wilde geregistreerde partnerschappen invoeren, maar het Hooggerechtshof reageerde dat de wettelijke erkenning wel degelijk gelijkwaardig moet zijn, namelijk huwelijk. 2004 werd een bewogen jaar voor de voor- en tegenstanders van het homohuwelijk. Op 12 februari 2004 begon de progressieve stad San Francisco, onder leiding van de nieuwe burgemeester Gavin Newsom, met het trouwen van homokoppels. In de weken erop volgden een aantal plaatsen in onder meer Oregon en New Mexico. Al deze pogingen werden niet veel later echter stopgezet en de huwelijken werden doorgaans nietig verklaard. Op 17 mei 2004 begon Massachusetts uiteindelijk met het trouwen van homokoppels. Ondertussen werden in veel staten referenda voorbereid die in de respectieve grondwetten wettelijke erkenning voor homokoppels zouden verbieden; deze werden bij de verkiezingen van 2 november 2004 allemaal met grote meerderheid goedgekeurd. Andere staten volgden bij de verkiezingen van november 2006. Zulke referenda werden mede georganiseerd om conservatieve kiezers naar de stembus te trekken en zo ook de Republikeinse Partij te steunen.

Californië en andere rechterlijke uitspraken (2008-2009) Als gevolg van de homohuwelijken in San Francisco kwam er een rechtszaak die op 15 mei 2008 leidde tot een oordeel van het Hooggerechtshof van Californië waarin het verbod op het homohuwelijk in strijd met de Grondwet van Californië werd verklaard. Terwijl de zaak liep had het Parlement van Californië vóór een wet gestemd om dit verbod op te heffen, maar gouverneur Arnold Schwarzenegger gaf zijn veto.

Door deze rechterlijke uitspraak werd het homohuwelijk toegestaan in een tweede staat, tevens de meest bevolkte staat. Tegenstanders startten een referendum op voor de verkiezingen van 5 november 2008, de beruchte "Proposition 8". Er ontstond een hevige campagne en opiniepeilingen voorspelden eerst dat het verworpen zou worden, maar uiteindelijk werd het nipt aangenomen, waarna homohuwelijken niet meer toegestaan werden.

Rechters in Connecticut (op 10 oktober 2008), Iowa (op 3 april 2009) en New Hampshire (3 juni 2009) volgden ondertussen Massachusetts (en in zekere zin Californië) in het ongrondwettelijk verklaren van het verbod op het homohuwelijk.

Ingevoerd bij wet, en eerste federale rechtszaken (2009-2013) Het Parlement van Vermont verving de geregistreerde partnerschappen door het huwelijk open te stellen voor homokoppels. Met een tweederdemeerderheid werd de wet, ondanks een veto van gouverneur Jim Douglas, goedgekeurd. Hiermee werd Vermont op 7 april 2009 de eerste staat waar het huwelijk werd opengesteld, zonder hiertoe verplicht te zijn door een rechter. Maine volgde, maar deze wet werd in een referendum op 3 november 2009 verworpen. Het federale District of Columbia volgde op 18 december 2009. Deze wet kon theoretisch teruggedraaid worden door het Amerikaans Congres, maar dat gebeurde niet.

In federale rechtbanken werd ondertussen enerzijds de Defense of Marriage Act (DOMA) en anderzijds de grondwetswijzigingen in een aantal staten aangevochten als zijnde in strijd met de Amerikaanse Grondwet. Op 4 augustus 2010 oordeelde rechter Vaughn R. Walker in Perry v. Schwarzenegger dat Proposition 8 van de Californische Grondwet in strijd was met de Amerikaanse Grondwet. Andere federale rechters oordeelden dat Sectie 3 van de DOMA ongrondwettelijk was. Tegenstanders gingen tegen deze uitspraken in beroep.

Op 24 juni 2011 volgde, na eerdere pogingen in het parlement, de derde meest bevolkte staat New York met het goedkeuren van een wet die het homohuwelijk mogelijk maakte.

Begin 2012 volgden Washington, Maryland en Maine. Deze wetten werden aangevochten in een referendum, maar bij de verkiezingen van 6 november 2012 werden ze alle drie goedgekeurd. Dit was de eerste keer dat een meerderheid van kiezers vóór het homohuwelijk stemde. In Maine was een paar procentpunt verschil ten opzichte van 2009 voldoende om een eerder verworpen wet nu goed te keuren.

Op 7 februari 2012 gaf een federaal hof van beroep gelijk aan de uitspraak in Perry v. Schwarzenegger door rechter Walker. In Hawaï en Nevada oordeelden federale rechters echter dat het verbod op het homohuwelijk in deze staten niet in strijd is met de Amerikaanse Grondwet, en gaven daarmee een omgekeerd oordeel dan de rechters in Californië.

North Carolina werd op 8 mei 2012 de laatste staat waar een verbod op het homohuwelijk in de grondwet werd opgenomen. 61% van de kiezers stemde hiermee in, bij een opkomst van slechts 35%.

United States v. Windsor en federale rechtszaken (vanaf 2013)

Op 26 juni 2013, precies tien jaar na Lawrence v. Texas, oordeelde het Amerikaanse Hooggerechtshof in United States v. Windsor dat Sectie 3 van de Defense of Marriage Act (DOMA) in strijd was met de Amerikaanse Grondwet en dat daardoor de federale overheid wettelijk gesloten huwelijken tussen homokoppels als gelijkwaardig aan huwelijken tussen heterokoppels moest erkennen. Hiermee bevestigde het hof de uitspraak van lagere federale rechtbanken en hoven van beroep.

De zaak omtrent het het grondwettelijk verbod in Californië werd echter om procedurele redenen terugverwezen naar het hof van beroep, dat zijn oordeel bevestigde waardoor homohuwelijken weer konden plaatsvinden in Californië.