miniatuur|Palais de l'Europe in Straatsburg, zetel van de Raad van Europa De Raad van Europa (Frans: Conseil de l'Europe, Engels: Council of Europe, soms afgekort als: RvE) is een internationale organisatie opgericht in 1949 door tien Europese landen met als doel de vrede in Europa te bewaren en mensenrechten, democratie en de beginselen van de rechtsstaat te beschermen en te handhaven. Directe aanleiding waren de verwoestingen die oorlogvoerende landen in de Tweede Wereldoorlog hadden aangericht op menselijk en materieel vlak en de onvoorstelbare gruweldaden van het in Duitsland democratisch gekozen nazi-regime, tegen met name Joden en ook andere bevolkingsgroepen. Schattingen van dodentallen lopen van in totaal 40 tot 85 miljoen.

De Raad werd opgericht met het Verdrag van Londen, hoofdzetel is in Straatsburg, Frankrijk. In 2023 namen er 46 staten deel met een gezamenlijke bevolking van ongeveer 675 miljoen personen. Zes niet-Europese landen, alsook Vaticaanstad zijn waarnemer bij de Raad. Er staat een jaarlijks budget van ongeveer 500 miljoen euro ter beschikking. De Raad van Europa is een officiële waarnemer van de Verenigde Naties.

De oprichtende staten van de Raad van Europa namen in 1950 het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) aan, waarmee uitvoer werd gegeven aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties. Dit verdrag heeft in België en Nederland directe werking. Ter handhaving en uitleg van de regels is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens opgericht. Landen die lid zijn geworden van de Raad van Europa hebben zich daarmee verbonden aan de regels van het Verdrag en de Rechtspraak van het Hof.

De twee organen van de Raad zijn het Comité van Ministers, waar de minister van Buitenlandse Zaken van elke lidstaat aan deelneemt, en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (PACE), die is samengesteld uit leden van de nationale parlementen van elke lidstaat. De Commissaris voor de Mensenrechten is een instelling binnen de Raad van Europa met als opdracht het bewustzijn van en het respect voor de mensenrechten binnen de lidstaten te bevorderen. De secretaris-generaal zit het secretariaat van de organisatie voor. Andere belangrijke RvE-organen zijn onder meer het Europees Directoraat voor de Kwaliteit van Geneesmiddelen en Gezondheidszorg (EDQM) en het Europees Audiovisueel Observatorium.

De Raad voert het Engels en Frans als de twee officiële talen. Het Comité van Ministers, de PACE en het Congres van de Raad van Europa gebruiken voor een deel van hun werk ook het Duits en het Italiaans.

Het tekenen van de andere verdragen die binnen het kader van de RvE tot stand kwamen of tot stand zullen komen is vrij, hier gelden louter de regels van het internationaal verdragsrecht. In totaal omvatte het verdragssysteem van de Raad van Europa begin 2018 ruim 220 verdragen, deelakkoorden, conventies en protocollen, waarvan sommige ook open staan voor niet-Europese landen, met als belangrijkste het EVRM.

De Raad van Europa staat los van de Europese Unie (EU), maar voorwaarde om lid te worden van de Unie is wel het lidmaatschap van de Raad. Verder heeft de EU de oorspronkelijke Europese vlag overgenomen die in 1955 was ontworpen voor de Raad van Europa, evenals het Europese volkslied. Hoewel de Raad van Europa met zijn 46 leden dezelfde vlag voert en dezelfde hymne kent, verschilt deze organisatie van de Europese Unie met haar 27 leden (zie Verschil met andere internationale organisaties in Europa hieronder).

Totstandkoming Vrede bewaren na de Tweede Wereldoorlog (1949) Omdat de Tweede Wereldoorlog 41 miljoen doden in Europa maakte en de Holocaust door de nazi's een ongekend dieptepunt inzake mensenrechten betekende, wilde men na de oorlog Europa één maken met gemeenschappelijke instellingen. Een van de startpunten was een rede van de Britse ex-regeringsleider Winston Churchill voor de universiteit van Zürich (19 september 1946) waarin hij opriep tot een Verenigde Staten van Europa op model van Zwitserland via een Raad van Europa. Het Amerikaans Comité voor een Verenigd Europa of ACUE (23 april 1948) stuurde hiervoor aan op een Congres in Den Haag, gehouden onder voorzitterschap van Churchill (7-10 mei 1948, meer dan 1.000 deelnemers uit 20 landen). De Koude Oorlog en de Britse dekolonisatie kwamen evenwel tussenbeide. De Sovjet-Unie deed in haar bezettingszone de staten Polen en Bulgarije (1 januari 1945 en 18 november 1945), Roemenië (1 december 1946) Hongarije (31 augustus 1947) en Tsjecho-Slowakije (20 februari 1948) tot het communisme overgaan, waardoor het Oostblok ontstond. De Verenigde Staten wilden West-Europa één maken om er de democratie en de markteconomie te kunnen beschermen tegen de Sovjet-Unie. Ook wilden ze het communisme in Italië en in Frankrijk tegengaan door West-Europa economisch aan te zwengelen met de Marshallhulp (5 juni 1947). De VS deden de West-Europeanen de OEES of Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) oprichten (16 april 1948, 1961) om die Marshallhulp te verdelen. Ze wilden die OEES tot een Europese douane-unie ontwikkelen. Maar het Verenigd Koninkrijk opponeerde dit. De Britten waren immers formeel een overwinnaar van de Tweede Wereldoorlog maar niet langer een grootmacht toen ze zich, financieel uitgeput, in Griekenland door de VS (februari 1947) en in Palestina door de Verenigde Naties (februari 1947) lieten vervangen, en India en Pakistan de onafhankelijkheid (15 augustus 1947) verleenden, wat het einde van het Britse Rijk inluidde. Ze wilden daarop niet nog eens soevereiniteit afstaan aan vormen van Europese samenwerking. Ze maakten dat tegenover de VS goed door de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (of NAVO) op te richten (4 april 1949). Verder dan die militaire samenwerking wilden ze echter niet gaan. Het ACUE van zijn kant zou de latere Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) en de nog latere Europese Economische Gemeenschap (EEG) met onder andere CIA-geld ondersteunen, en ook pogen het Verenigd Koninkrijk er alsnog binnen te krijgen. De Koude Oorlog en de Blokkade van Berlijn (24 juni 1948-12 mei 1949) maakten inmiddels dat het militaire Pact van Brussel (Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, drie Benelux-landen) besloot een Raad van Europa op te richten (28 januari 1949), wat de vijf Pactleden gezamenlijk met Italië, Ierland en de drie Scandinavische landen deden door middel van het Verdrag van Londen (5 mei 1949). Omdat het Congres van Den Haag voorstanders kende van enerzijds een regeringssamenwerking en anderzijds van een louter parlementair overleg, werden beide opties in die RvE verenigd door de oprichting aldaar van zowel een Ministercomité als een Parlementaire Vergadering. En rond dit tweeledige model werden ook de NAVO, de EGKS / EEG / EG / EU en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) gestructureerd. Frankrijk, België en Italië wilden een federale samenwerking, maar dat ging Ierland, de drie Scandinavische landen en vooral de Britten te ver. Daarom gaven de RvE-lidstaten aanvankelijk geen enkele soevereiniteit prijs. Pas met de oprichting van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM, 1959) deden ze dat ietwat. Waar de Europese samenwerking een internationaal beslissingsorgaan met meerderheidsstemmingen inhield, deden de Britten aanvankelijk niet mee, zoals met de EGKS (18 april 1951) of met de EEG (25 maart 1957), tegen welke ze zelfs de Europese Vrijhandelsassociatie of EVA oprichtten (4 januari 1960). Pas later (juli 1961) wilden ze tot de EEG toetreden, wat hen twaalf jaar later lukte. Toch bleven ze altijd weigerachtig staan tegenover soevereiniteitsafstand. Frankrijk, Italië, West-Duitsland en de drie Benelux-landen daarentegen verwezenlijkten inmiddels die federale samenwerking die ze beoogden in de EGKS en in de EEG. Het resultaat was dat wat de RvE betrof op die vrijblijvende, tussenstaatse samenwerking niet meer werd teruggekomen, uitgezonderd het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in 1959 en zijn bevoegdheidsuitbreiding in 1998. De Britse terughoudendheid om soevereiniteit af te staan had op de RvE een blijvende stempel gedrukt.

Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, Hof van Justitie (1950) De RvE sloot vrijwel direct aan het begin het EVRM (4 november 1950) dat drie jaar later in werking trad (3 november 1953). Hiermee werd uitvoering gegeven aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde naties. Negen jaar later werd hier een Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aan toegevoegd (15 september 1959). Het EVRM bestaat uit Sectie I met daarin de rechten zelf (Art. 2 t/m 18), Sectie II met daarin het EHRM en diens werking (Art. 19 t/m 51) en Sectie III met de slotbepalingen (Art. 52 t/m 59). Artikel 1 verplicht zowel de wetgevende, de uitvoerende als de rechterlijke macht van de RvE-lidstaten om onderstaande rechten te eerbiedigen. Er werden na verloop van tijd aan het EVRM ook veertien protocollen toegevoegd. Sectie I bevat het recht op leven (art. 2), op vrijheid en veiligheid (art. 5), op een eerlijk proces (art. 6), op privacy (art. 8), op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (art. 9), op vrijheid van meningsuiting (art. 10), op vrijheid van vereniging en vergadering (art. 11), op huwelijk (art. 12), op daadwerkelijk rechtsmiddel (art. 13), alsook het verbod op martelen (art. 3), op slavernij en dwangarbeid (art. 4), op straf zonder wet (art. 7) en op discriminatie (art. 14), terwijl de overige artikels uitzonderingen (art. 15), beperkingen voor vreemdelingen (art. 16), het verbod op rechtsmisbruik (art. 17) en toegelaten beperkingen (art. 18) omschrijven. Ieder artikel bevat ook bepalingen die het betrokken recht inperken. Zo verbood artikel 1 de gerechtelijke doodstraf niet, terwijl artikel 12 niet het homohuwelijk omvatte. De protocollen die het EVRM aanvulden met nieuwe rechten moeten niét door alle RvE-lidstaten ondertekend en bekrachtigd worden. Protocol 1 (eigendom, opvoeding, verkiezingen), protocol 4 (celstraf, bewegingsvrijheid, uitwijzing), protocol 6 (afschaffing doodstraf in vredestijd), protocol 7 (rechtsprocedures), protocol 12 (discriminatie) en protocol 13 (volledige afschaffing doodstraf) bevinden zich in dat geval. Dat nieuwe RvE-lidstaten de doodstraf volledig moeten afschaffen kan dus scheeftrekkingen veroorzaken, want bestaande RvE-lidstaten zoals Rusland bekrachtigden protocol 6 niet, en Armenië, Letland en Polen protocol 13 niet, terwijl Rusland en Azerbeidzjan protocol 13 niet tekenden. Sectie II omschrijft de werking van het EHRM. De protocollen die eraan toegevoegd werden veranderden het oorspronkelijke EVRM en moesten daarom door alle RvE-leden bekrachtigd worden. Het betrof protocol 11 dat het nieuwe EHRM van 1998 oprichtte, en daarmee de protocollen 2, 3, 5, 8, 9 en 10 in verband met het EHRM ophief, alsook protocol 14 dat de werking van het EHRM verder verbeterde. Sectie III bepaalt in artikel 53 dat het EVRM inzake mensenrechten een minimum is en dat de RvE-lidstaten hier ieder op eigen houtje verder in kunnen gaan.

West-Europese leden ten tijde van de Koude Oorlog (1949-1989) De RvE werd te Londen (5 mei 1949) opgericht door tien staten: het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Italië en Ierland, de drie Benelux-landen en de drie Scandinavische landen. Kort daarna werden ook Griekenland en Turkije lid (9 augustus 1949), gevolgd door IJsland (9 maart 1950) en de Bondsrepubliek Duitsland (13 juli 1950; op 31 december 1956 herenigd met het Bundesland geworden Saarland, dat sinds 13 juli 1950 geassocieerd lid was geweest; later herenigd met de toenmalige DDR, die nooit als dusdanig toetrad).