thumb|Model van een Spinning Jenny, het eerste machinaal aangedreven spinnewiel, uitgevonden door James Hargreaves. (museum voor Vroege Industrialisatie, Wuppertal, Duitsland) De industriële revolutie is de economische overgang van handmatig naar machinaal vervaardigde goederen. Deze overgang ging gepaard met grootschalige organisatorische en sociale veranderingen, in de vorm van een explosieve groei van het aantal fabrieken, een toenemende omvang van de steden en de vorming van een vierde stand, het proletariaat.

De industriële revolutie begon rond 1750 in Engeland, waarna begin negentiende eeuw de rest van Europa volgde. Ambachtelijke en kleinschalige werkplaatsen groeiden uit tot grote fabrieken en vormden samen een grootschalige industrie. Door die groei daalde de prijs van de producten enorm, waardoor steeds meer mensen zich deze konden veroorloven. Deze economische ommekeer is onomkeerbaar gebleken, eerst in Europa en later in de rest van de wereld. Ze betekende een breuk met vroegere tijden en werd een gestage, economische en sociale revolutie. Het betrof een relatief snelle uitvinding, ontwikkeling en toepassing van nieuwe technieken.

Het fabriekssysteem, met de industrialisatie en de komst van kapitaalintensieve machines, vereiste een geheel nieuwe manier van werken. Doordat de productiemiddelen buiten het bereik van de arbeiders lagen, veranderden ook de arbeidsverhoudingen. Arbeid werd loonarbeid en de arbeiders verloren hun zelfstandigheid. Waar zij eerst hun eigen werktempo konden bepalen, waren zij nu gebonden aan de werktijden van de fabriek, wat andere eisen stelde aan het arbeidsethos. Ook werden wonen en werken nu volledig gescheiden. Het fabriekssysteem had daarnaast grote invloed op administratief werk, doordat kantoorarbeid op een vergelijkbare wijze werd georganiseerd.

Ook het dagelijks leven veranderde ingrijpend. Met de komst van fabrieken verdween de nijverheid uit de dorpen. Veel dorpelingen trokken voor werk richting de fabrieken waardoor verstedelijking sterk toenam. Door een aanvankelijk hoog geboortecijfer bleef de bevolking op het platteland nog op peil. Na de demografische transitie raakte het platteland echter ontvolkt. Waar men eerder het ritme van de dagen en seizoenen volgde, was men nu gebonden aan de kloktijd om handelingen of diensten op elkaar af te stemmen. Het fabriekswerk vereiste weinig kennis en vaardigheden, zodat arbeiders inwisselbaar werden. Naast mannen werden ook vrouwen en kinderen ingezet, niet gehinderd door regelgeving, in een periode waarin een politiek van laisser faire domineerde. Het werk kon daarnaast vuil en ongezond zijn, terwijl de levensverwachting daalde. Opstanden werden hard neergeslagen, waarop men regelmatig vluchtte in drank of geloof. Sociale veranderingen waren dan ook terug te zien in religieuze aanpassingen en vernieuwingen. De problematiek van de sociale veranderingen werd uitgewerkt door Marx in Das Kapital, waarin hij het einde van het kapitalisme voorzag waarna er een maatschappij van gelijkheid zou zijn, het communisme. Na enige generaties kwam er verbetering in de sociale kwestie, enerzijds door de vorming van vakbonden die kortere werktijden, hogere salarissen en betere werkomstandigheden afdwongen, anderzijds door de overheid die onder meer een einde maakte aan kinderarbeid. Kinderen waren daarmee geen inkomstenbron meer, waarmee de behoefte aan nageslacht afnam. Met de invoering van de leerplicht betekende dit ook een grote verandering voor vrouwen die meer mogelijkheden kregen. De omstandigheden zouden dusdanig verbeteren dat men uiteindelijk gezonder leefde dan voor de industrialisatie.

Proto-industrieën - Nijverheidsrevolutie De periode vanaf ongeveer 1600 wordt aangeduid met de term nijverheidsrevolutie. In deze tijd is een aantal omstandigheden en situaties aan te wijzen die de industrialisering mogelijk hebben gemaakt: 'Wetenschappelijk' uitgebate boerderijen vonden reeds tijdens de verlichting ingang. Middels rationalisatie en door paarden aangedreven werktuigen wist men de productie drastisch op te voeren. De Engelse Rotherham ploegschaar uit 1730 had reeds een met metaal bekleed strijkbord. Doordat de productie werd opgevoerd waren minder landarbeiders nodig, die nu vrijkwamen voor ander werk. Dit schiep, samen met de bevolkingstoename in Engeland, een gunstige conditie voor de fabrieken die massa's arbeiders nodig hadden. De toepassing van stoomkracht was reeds in de oudheid bekend. De Griekse 'ingenieur' Heron van Alexandrië bouwde in de eerste eeuw een vroeg model stoomturbine maar die werd meer als speelgoed beschouwd en, zover we weten, bleven praktische toepassingen indertijd achterwege. In 1698 ontwikkelde Thomas Savery een stoompomp, maar die bleek nog niet geschikt om water uit de mijnen te pompen. In 1712 slaagde Thomas Newcomen (1664-1729) er wel in om met stoomkracht en een zuiger zoals ontwikkeld door Papin, een primitieve pomp aan te drijven die water uit een mijn in Devon kon pompen. In de mijnbouw waren goedwerkende pompen van levensbelang en hun introductie veroorzaakte een schaalvergroting die voordien niet mogelijk was geweest. Machines zoals watermolens en drukpersen hadden eind achttiende eeuw reeds een hoge graad van technische perfectie bereikt, bijvoorbeeld in het vroeg-geïndustrialiseerde gebied 'Wuppertal' in Duitsland. Het wachten was op de ontwikkeling van een krachtigere aandrijving dan de menselijke hand, wind of water. Het was de textielindustrie die daarbij het voortouw zou nemen. In Frankrijk ontwikkelde Joseph-Marie Jacquard al in 1790 een volautomatisch en programmeerbaar zijde-weefgetouw.

De concentratie van arbeiders onder één dak, in een 'fabriek' ging lang vooraf aan het verschijnen van motoraangedreven machines. Zijdefabrieken, tapijt- en porseleinfabrieken waren al doorheen de achttiende eeuw een gewoon verschijnsel. Maar de werkelijke industrialisering, met vervuilende fabrieken die een constante aanvoer van brandstof en ruwe materialen vereisten, moest toen nog komen.

Groot-Brittannië Groot-Brittannië was het eerste land dat met de industriële revolutie te maken kreeg. De stoommachine stond aan het begin van deze ontwikkeling. Men was nu niet langer alleen afhankelijk van menskracht, paardenkracht, watermolens en windmolens. De stoommachine werd in het begin vooral gebruikt om de waterpompen van mijnen aan te drijven. Daardoor was het mogelijk deze mijnen een stuk verder onder het grondwaterpeil te exploiteren. Vanaf 1765 werd de stoommachine flink verbeterd door onder meer James Watt. Een grote verandering voltrok zich hierdoor in de textielnijverheid. Door de bevolkingstoename en de koloniale expansie begon de vraag naar katoenen producten snel te stijgen. Omdat de spinners en de wevers de grote vraag niet konden bijhouden, was dringend behoefte aan een door een krachtbron aangedreven weefgetouw, in het Engels power loom genaamd.

Er werd een weefgetouw met halfautomatisch schietspoel uitgevonden, en er kwam een machine waarmee je meerdere draden tegelijk kon spinnen. Deze 'Spinning Jenny,' in 1764 bedacht door James Hargreaves, werd in 1779 gevolgd door een sterk verbeterd weefgetouw; 'Mule Jenny'. In het begin werden ze nog met waterkracht aangedreven, maar na 1780 was de stoommachine zover verbeterd dat deze ook in de fabrieken als aandrijving gebruikt kon worden. Er kon nu veel meer textiel worden geproduceerd. Dat was ook nodig, want in 1750 had Europa 163 miljoen inwoners en een eeuw later, in 1850, waren dit er 276 miljoen.https://www.un.org/esa/population/publications/sixbillion/sixbilpart1.pdf VN-rapport The World at Six Billion z.j. (waarschijnlijk 1999) Al die mensen moesten kleding hebben. Dankzij de machines werd er sneller en goedkoper geproduceerd en bleven de loonkosten laag. De textielindustrie is een van de aanjagers van de industriële revolutie geweest.

Veel ambachtelijke bedrijven verhuisden naar het noorden als ze wilden mechaniseren omdat daar de kolenmijnen waren. De industrialisatie van het noorden veroorzaakte zo een "de-industrialisatie" en terugkeer naar de landbouw in andere delen van het land.https://scientias.nl/tijd-om-de-geschiedenisboeken-te-herschrijven-industriele-revolutie-begon-100-jaar-eerder-dan-gedacht/ In de achttiende eeuw werden de, soms al vanaf de Romeinse tijd, bestaande wegen verbreed en soms verhard en talloze nieuwe wegen aangelegd tussen de grote steden. Ook werden er waar dat mogelijk was kanalen gegraven tussen bevolkingscentra. Hierdoor werd het transport een stuk gemakkelijker en goedkoper. De uitvinding van de stoomtrein in 1824 maakte de aanvoer van grondstoffen voor de industrie en de afvoer van de geproduceerde waren nog gemakkelijker, en hierdoor versnelde de industrialisatie nog. In de negentiende eeuw was in Groot-Brittannië en de rest van Europa veel armoede en werkloosheid. Doordat er steeds meer fabrieken kwamen veranderde dat langzaam. In de industrie kwamen meer banen, en ook de dienstverlening groeide. De welvaart steeg, maar kwam lange tijd nauwelijks ten goede aan de "gewone mensen". Uitbuiting en kinderarbeid waren ook tijdens de industriële revolutie nog heel gewoon. Pas rond 1900 veranderde dat; kinderarbeid werd verboden, en men verdiende een wat hoger loon zodat men dingen kon kopen die voorheen te duur waren. Thee bijvoorbeeld, en serviesgoed of een ijzeren bed. Het zou echter nog tot na de Tweede Wereldoorlog duren voordat de gemiddelde arbeider tot een zekere welvaart geraakte. Midden-Engeland, waar de industriële revolutie begon noemde men nog tot ver in de twintigste eeuw Black Country. Er werd daar erg veel smerige rook uitgestoten door de talrijke steenkool verbruikende stoommachines. Dit was het geval in Liverpool, Leeds, Blackburn, Manchester en andere industriesteden.

Weerstand tegen de vroege industrialisatie Niet iedereen was het eens met de invoering van machines die het werk sneller deden dan de mens. Er waren verscheidene boycotacties tegen fabrikanten en zelfs regelrechte opstanden van werkloos geworden thuiswerkers zoals wevers. Deze werden veelal uit de markt gedrongen door de goedkoper werkende nieuwe fabrieken. Berucht waren de luddieten, die zich noemden naar de legendarische Ned Ludd. Zij bezochten fabrieken waar spinning Jenny's opgesteld stonden en sloegen deze kapot. Deze arbeidsonrust werd hardhandig de kop ingedrukt waarbij zelfs actievoerders werden veroordeeld tot de galg.

De nieuwe arbeidersklasse

thumb|Woonomstandigheden te Londen in 1872, gravure naar Gustave Doré.

De gevolgen van de industrialisatie waren te zien in het proces van de snelle urbanisatie van voorheen relatief kleine dorpen en stadjes waar de nieuwe fabrieken kwamen. Een stad als Manchester veranderde tussen 1800 en 1850 in een vuile en ongezonde industriestad. De stoommachines bliezen dikke rookwolken door de hele stad en de ververijen loosden hun afval direct op de rivier. Toch stroomden de mensen van het platteland er noodgedwongen massaal heen voor werk. Er ontstond daardoor een nieuwe sociale klasse: de arbeiders, oftewel het industriële proletariaat. Ze woonden in overbevolkte krottenwijken in slechte behuizing met nauwelijks sanitair. De gemiddelde levensverwachting was er laag, en de kindersterfte hoog. De elite accepteerde het vuil van de fabrieken als de onontkoombare prijs voor hun succes. De schoorstenen waren symbolen van economische macht en van maatschappelijke ongelijkheid. De slechte omstandigheden van de arbeidersklasse gedurende de industrialisatie wordt ook wel de sociale kwestie genoemd. De arbeiders zouden om hun omstandigheden te verbeteren in de loop van de eeuw een politieke beweging vormen op socialistische, anarchistische en later ook confessionele grondslag.