Alexander III van Macedonië (Oudgrieks: , Aléxandros tritos ho Makedón) (Pella, 20 juli 356 v.Chr.Plutarchus, Alexander 3, 5-8 , Sources for Alexander the Great: An Analysis of Plutarch's Life and Arrian's Anabasis Alexandrou, Cambridge, 1993, pp. 18-20. WikisourceDe exacte datum zou 20 juli kunnen zijn, maar is niet met precisie vast te stellen (The birth of Alexander, Livius.org (2000/2016); zie noot bij alinea 3.5). Gearchiveerd op 20 december 2021. — Babylon, 11 juni 323 v.Chr., A contemporary Babylonian account of the death of Alexander, Livius.org (2002-2008).), beter bekend als Alexander de Grote (Grieks: , Mégas Aléxandros of , Aléxandros ho Mégas) was koning van Macedonië. Hij veroverde het Perzische Rijk tot aan de Indus, waardoor hij een van de grootste rijken uit de oudheid creëerde.
Na de moord op zijn vader Philippus erfde Alexander een machtig koninkrijk en een ervaren leger. Hij hervatte het panhellenistische project van zijn vader door Macedonië en de Griekse poleis te verenigen in een coalitie vooraleer hij het Perzische Rijk binnenviel. In 334 v.Chr. vertrok hij naar Azië voor een veldtocht die tien jaar zou duren. Hij behaalde vele overwinningen tegen de Perzen, waarvan de Slag aan de Granicus, de Slag bij Issos en de Slag bij Gaugamela de belangrijkste waren.
Na de dood van de Perzische sjah Darius III en de definitieve verovering van het Perzische Rijk, begon Alexander een veldtocht in de Indusvallei, waarin hij de Slag bij de Hydaspes won. In 326 v.Chr. weigerden zijn soldaten nog verder te gaan. Alexander besloot daarom terug te keren. Hij stierf in 323 v.Chr. op 32-jarige leeftijd in Babylon, voordat hij zijn plannen om Arabië te veroveren tot uitvoering had kunnen brengen. Na zijn dood bevochten zijn generaals elkaar in de Diadochenoorlogen en viel het rijk uiteen.
Er zijn veel literaire werken over Alexander de Grote, maar er is geen enkel werk van een historicus uit zijn tijd overgebleven. Na zijn dood vormde zich een legende rond de persoonlijkheid van de jonge koning. Hij is ook nu nog terug te vinden in diverse westerse en oosterse culturen.
Bronnen Directe bronnen thumb|Muntstuk uit de tijd van Alexander. Op de voorkant staat Hercules met zijn leeuwenhuid. Op de achterkant staat Zeus op een troon met in zijn handen een arend en een scepter, British Museum.
Er is geen enkele bron overgeleverd die stamt uit de tijd van Alexander. Van het werk van Callisthenes, een neef van Aristoteles en officiële historiograaf tot 328 v.Chr.,De laatste gebeurtenis in Callisthenes' fragmenten (Die Fragmente der griechischen Historiker, 124, F 14) is de Slag bij Gaugamela in 331 v.Chr.; maar Strabo (Geographika, XI, 14, 13), die zich baseerde op Callisthenes, vermeldt de aankomst bij de rivier Jaxartes in 328 v.Chr. Callisthenes werd in 328 v.Chr. geëxecuteerd. zijn slechts fragmenten bewaard gebleven. Zijn geschriften lijken in de oudheid gebruikt te zijn geweest, hoewel zijn onpartijdigheid in twijfel getrokken kan worden. De geschriften van de metgezellen van Alexander, waarvan die van Ptolemaeus, Aristobulos van Cassandreia, Nearchus, Onesicritus en Chares van Mytilene de belangrijkste waren, zijn allemaal verdwenen.
Ptolemaeus, een van de belangrijkste generaals van Alexander en stichter van de dynastie van de Ptolemaeën, heeft zijn werk gewijd aan de militaire gebeurtenissen rond de veroveringen; Aristobulos heeft de geografische en wetenschappelijke aspecten van de reis voor zijn rekening genomen; Nearchus, de verkenner van de kusten van de Indische Oceaan, heeft een dagboek bijgehouden; Onesicritus, een cynische filosoof en onderbevelhebber van Nearchus, heeft in zijn werk de zeden en geografie van de veroverde gebieden beschreven; Chares, de kamerheer van Alexander, heeft zich toegelegd op het privéleven van de koning. Ook het geschiedeniswerk van Clitarchus van Alexandrië, kort na de dood van de veroveraar geschreven, bestaat enkel nog uit fragmenten. Clitarchus heeft niet rechtstreeks meegedaan aan de reis door Perzië, maar baseerde zich op officiële archieven en rechtstreekse getuigen. De werken van deze historici over die gebeurtenissen werden gebruikt door de latere schrijvers Diodorus Siculus, Arrianus, Plutarchus en Quintus Curtius Rufus.
De koninklijke archieven van Alexander zijn eveneens verdwenen. De belangrijkste hiervan waren de Efemeriden, geschreven door Alexanders secretaris Eumenes van Cardia. Deze werden geschreven vanaf 330 v.Chr. tot aan het moment waarop Alexander Darius III van de troon stootte en zelf koning werd. Na de dood van historiograaf Callisthenes rond 328 v.Chr., liet Alexander mogelijk een ander soort biografie maken, een die meer in lijn was met de Perzische gebruiken die hij invoerde aan het koninklijke hof. De traditie van het schrijven van kronieken waarin de Efemeriden zijn geschreven, gaat terug tot de Achaemeniden uit de tijd van Xerxes I.Ester, 2, 23; 6, 1-2; 10, 2 De Efemeriden lijken al snel na de dood van Alexander ontoegankelijk geworden te zijn. Ptolemaeus en Aristobulos hebben er echter wel gebruik van kunnen maken. De latere antieke schrijvers deden er enkel beroep op als het ging over de omstandigheden rond de dood van Alexander.Arrianus, Anabasis Alexandri, VII, 25-6; Plutarchus, Parallelle Levens, Alexander, 76, 1; 77, 1; Aelianus, Varia Historia, 3, 23Enkel Plutarchus vermeldt de Efemeriden bij een ander onderwerp dan de dood van Alexander, zijnde Alexanders voorliefde voor de jacht. Het is erg waarschijnlijk dat een deel van de Efemeriden verdwenen is door een brand, zoals Plutarchus bevestigt.Plutarchus, Alexander, 2, 5-7
Onder de officiële documenten bevinden zich slechts weinig inscripties die gevonden zijn in de Griekse poleis. Een voorbeeld van zo'n inscriptie is die uit de tijd van Philippus II, die handelt over de voorwaarden voor aansluiting bij de Korinthische Bond (338 v.Chr.). Verder is er nog een brief van Alexander in Chios die gezonden werd na de tegenaanval van de Perzen in 332 v.Chr., waarin de voorwaarden voor de terugkeer onder de Macedonische hegemonie opgesteld stonden. Een andere inscriptie uit de tijd van Alexander gaat over een beslissing die genomen werd over de stad Philippi in Macedonië.
Numismatieke bronnen bevatten belangrijke politieke en economische informatie. Er werd een groot aantal muntstukken geslagen tijdens de heerschappij van Alexander, ook al werden die pas later verspreid door de Diadochen, onder wie Ptolemaeus. De eerste tetradrachmen werden in opdracht van Alexander geslagen na de Slag bij Issos (333 v.Chr.). De eerste gouden staters werden geslagen na het Beleg van Tyrus (332 v.Chr.). Het blijft echter onduidelijk of de muntstukken van Alexander met olifanten erop geslagen werden in zijn eigen tijd of tijdens de Seleucidische.
Indirecte bronnen thumb|Pagina uit het Latijnse geschrift over de geschiedenis van Alexander de Grote door Curtius Rufus (manuscript uit 1467).
Er zijn over Alexander alleen nog geschriften voorhanden van auteurs die zich baseerden op geschiedschrijvers uit de tijd van Alexander. Al deze auteurs waren inwoners van het Romeinse Rijk. Het oudste complete werk is de Bibliotheca historica, boek XVII, geschreven door Diodorus Siculus in de eerste eeuw v.Chr. Het werk Historiën van Polybios, geschreven in de tweede eeuw n.Chr., vermeldt vele feiten over de veroveringen van Alexander.Deze feiten bevatten onder andere: de oorzaken voor de expeditie naar Azië, de vernietiging van Thebe, de Slag bij Issus, de belegeringen van Tyrus en van Gaza, de stichting van steden, de rol van de hetairoi en de dood van Callisthenes.
Het is gebruikelijk om onder de latere geschiedschrijvers twee stromingen te onderscheiden. Tot de eerste stroming, die door moderne historici het betrouwbaarst wordt bevonden, behoren Plutarchus (in zijn Parallelle Levens) en Arrianus (in zijn Anabasis Alexandri, en in mindere mate in zijn Indica). Om de geschiedenis van Alexander te vertellen deden deze auteurs een beroep op de werken van Ptolemaeus en Aristobulos. In het Leven van Alexander, geschreven in het begin van de tweede eeuw n.Chr., vermeldt Plutarchus verschillende anekdotes over het karakter van Alexander, die vergeleken wordt met Julius Caesar. Plutarchus deed dit omdat hij vond dat dit meer zei over een persoon dan zijn daden. In de Anabasis Alexandri, geschreven in het Grieks in de tweede eeuw n.Chr., vertelt Arrianus, een hoge keizerlijke officier, met soberheid en precisie over de militaire gebeurtenissen. Uit zijn werk blijkt grote bewondering voor Alexander. Volgens hem had nog nooit iemand onder de Grieken of 'barbaren' zo'n dapperheid getoond. Hij zegt gebruik te hebben gemaakt van de werken van Ptolemaeus en Aristobulos, maar hij bekritiseert deze soms ook.
Tot de tweede stroming, minder betrouwbaar geacht, behoren Diodorus Siculus, Quintus Curtius Rufus en Justinus; auteurs die een eenzijdig positief beeld van Alexander gaven. Zij baseerden hun werken voor een groot deel op de Geschiedenis van Alexander van Clitarchus, geschreven enkele jaren na de dood van de koning. Deze auteurs geven een apologetieke visie op de heerschappij van Alexander en hebben hun werk aangevuld met enkele verzinsels. Diodorus geeft in zijn Bibliotheca historica uit de eerste eeuw v.Chr. een gedetailleerde getuigenis die ervoor zorgt dat de bronnen die niet meer overgeleverd zijn in een duidelijker licht gesteld worden. Zijn zeventiende boek wordt als het minst betrouwbare beschouwd. In dit boek komt Alexander naar voren als een held die weliswaar betrokken was bij excessen, maar die waren volgens Diodorus politiek gemotiveerd of ontstonden door tussenkomst van de goden.
Quintus Curtius Rufus, die leefde in de eerste eeuw n.Chr., heeft een Geschiedenis van Alexander de Grote samengesteld in het Latijn, waarvan slechts de laatste acht van de tien originele boeken overgebleven zijn. Het werk is voor een groot deel gebaseerd op de Geschiedenis van Alexander van Clitarchus en op het werk van Callisthenes. Hij gebruikte ook de memoires van Ptolemaeus en Aristobulos, wat enkele overeenkomsten met de Anabasis van Arrianus verklaart. Hoewel hij enkele fabeltjes uit het werk van Clitarchus blootlegt, heeft Curtius het meestal gewoon gekopieerd. Zijn tekst is het enige historische werk dat gebruikt werd in Europa tijdens de middeleeuwen.
Justinus, die in het midden van de tweede eeuw zou hebben geleefd, is degene die een samenvatting heeft gemaakt van het verdwenen Historiae phillippicae van Pompeius Trogus. Pompeius Trogus gebruikte onbekende Griekse bronnen, waaronder misschien Hieronymus van Cardia uit de tijd van de Diadochen. Deze bronnen, die een anti-Romeinse interpretatie geven, hebben als doel de niet-Romeinse ('barbaarse') volkeren in een beter daglicht te stellen (Macedoniërs, Parthen, Carthagers, etc.). Zijn werk is verder doorspekt met historische fouten en chronologische onnauwkeurigheden. Justinus focust zich vooral op de morele en dramatische aspecten, die hij in een geanimeerde vertelling weergeeft.
Latere auteurs, onder wie Eratosthenes, Strabo, Athenaeus van Naucratis, Plinius de Oudere, Aelianus en Eusebius van Caesarea deden een beroep op de rapporten (stathmoi of "stadia") van de topografen die als opdracht hadden de gebieden die Alexander doorkruist had te beschrijven en de daarin afgelegde afstanden te berekenen.
De antieke auteurs hebben geen onpartijdig historisch werk afgeleverd, maar eerder een presentatie van de daden van Alexander, doorspekt met moraliserende appreciatie. Wat ze ook gemeen hebben is dat ze weinig aandacht schenken aan de tegenstanders van Alexander of aan zaken die niet direct iets met zijn veroveringen te maken hadden.
Archeologische bronnen thumb|Dit mozaïek beeldt waarschijnlijk Alexander en Hephaestion af (vierde eeuw v.Chr.). Archeologisch museum van Pella.